ECLI:NL:PHR:2023:989

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
3 november 2023
Zaaknummer
23/01675
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 lid 1 ROArt. 87 lid 1 RvArt. 87 lid 8 RvArt. 6:119 BWArt. 332 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis kantonrechter wegens ongemotiveerd voorbijgaan aan verzoek mondelinge behandeling

In deze zaak stond het cassatieberoep van Almeersch Hippisch Centrum B.V. (AHC) tegen ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V. en ASR Aanvullende Ziektekostenverzekeringen N.V. centraal. Het geschil betrof de vergoeding van medische kosten na een ongeval tijdens een paardrijles, waarbij de aansprakelijkheid niet werd betwist. ASR had de medische kosten vergoed en deze op AHC verhaald. De kantonrechter veroordeelde AHC tot betaling van een bedrag inclusief rente en kosten.

AHC had tweemaal verzocht om een mondelinge behandeling, onder meer via een e-mail van 15 februari 2023 aan de griffier. Dit verzoek werd in het vonnis niet benoemd of gemotiveerd afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat dit een schending is van het fundamentele recht op een mondelinge behandeling zoals neergelegd in artikel 87 lid 1 en Pro lid 8 Rv.

De Hoge Raad verwijst naar een recent arrest van 24 maart 2023 waarin is benadrukt dat een verzoek om mondelinge behandeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen en dat een afwijzing gemotiveerd moet worden. Omdat de kantonrechter dit naliet, wordt het vonnis vernietigd en de zaak verwezen voor nieuwe behandeling.

Het arrest benadrukt het belang van het recht op een eerlijk proces en de strikte motiveringsplicht bij het afwijzen van een verzoek om mondelinge behandeling, ook bij vonnissen van de kantonrechter waar geen hoger beroep openstaat.

Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd wegens ongemotiveerd voorbijgaan aan het verzoek om mondelinge behandeling en de zaak wordt verwezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01675
Zitting6 oktober 2023
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
Almeersch Hippisch Centrum B.V.
tegen
1. ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V.
2. ASR Aanvullende Ziektekostenverzekeringen N.V. h.o.d.n. Ditzo Zorgverzekering

1.Aanduiding procespartijen en inhoud cassatieberoep

1.1
Eiseres tot cassatie wordt hierna aangeduid als AHC en verweersters in cassatie gezamenlijk als ASR (ev).
1.2
Het cassatieberoep is op de voet van art. 80 eerste Pro lid RO van een vonnis van de kantonrechter ingesteld. Geklaagd wordt dat de kantonrechter het fundamentele recht op een mondelinge behandeling heeft miskend en zonder (voldoende) motivering is voorbijgegaan aan het verzoek van AHC om een mondelinge behandeling te gelasten.

2.Feiten en procesverloop

Feiten [1]
2.1
[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en AHC hebben een paardrijlesovereenkomst gesloten. Op 4 november 2021 is [betrokkene 1] tijdens een paardrijles bij AHC ten val gekomen doordat het paard, waarvan AHC eigenaar is, is gaan bokken. Bij het ongeval heeft [betrokkene 1] onder meer een heup gebroken. Zij is per ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis en is daar medisch behandeld.
2.2
[betrokkene 1] is bij ASR verzekerd tegen ziektekosten. ASR heeft de medische kosten van [betrokkene 1] die het gevolg zijn van het ongeval op de manege van AHC, vergoed, en heeft de gemaakte medische kosten op AHC verhaald.
2.3
Achmea - de aansprakelijkheidsverzekeraar van AHC - heeft de door [betrokkene 1] gemaakte en door ASR vergoede medische kosten op grond van vaste jurisprudentie voor 50% vergoed en heeft daarop een eigen risico van AHC van € 1.250,-- in mindering gebracht.
2.4
De aansprakelijkheid voor het ongeval staat tussen partijen niet ter discussie.
Procesverloop [2]
2.5
Bij inleidende dagvaarding van 8 september 2022 heeft ASR AHC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere. ASR heeft daarbij gevorderd dat AHC wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 1.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 187,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, de nakosten en de proceskosten.
2.6
AHC heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarna ASR een conclusie van repliek heeft genomen en AHC daarop een conclusie van dupliek.
2.7
De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 maart 2023, voor zover thans van belang, AHC uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld:
(i) om aan ASR tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.437,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over € 1.250,-- vanaf 8 september 2022 tot de voldoening;
(ii) tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ASR en
(iii) tot betaling van de na dit vonnis ontstane kosten indien zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ASR volledig aan dit vonnis voldoet.
De kantonrechter heeft daarnaast het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.8
AHC heeft van dit vonnis (hierna: het bestreden vonnis) tijdig [3] cassatieberoep ingesteld.
Tegen ASR is verstek verleend.
AHC heeft afgezien van schriftelijke toelichting.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat twee onderdelen.
3.2
Onderdeel 1klaagt in de kern dat het hof het fundamentele recht op een mondelinge behandeling alsmede de motiveringseisen die aan een afwijzing van een verzoek om een mondelinge behandeling worden gesteld, heeft miskend. Daartoe voert het onderdeel, samengevat, aan dat AHC tweemaal om een mondelinge behandeling heeft gevraagd en dat de kantonrechter in het vonnis niet op dat (herhaald) verzoek is ingegaan.
3.3
Voordat ik deze klachten behandel, ga ik kort in op (i) het cassatieberoep van een vonnis van de kantonrechter; (ii) de feitelijke grondslag van de stelling dat AHC om een mondelinge behandeling heeft verzocht, en (iii) het recente arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 [4] over het recht op een mondelinge behandeling en de afwijzing van een verzoek daartoe.
(i) het cassatieberoep van een vonnis van de kantonrechter (art. 80 lid 1 RO Pro)
3.4
Van het bestreden vonnis stond geen hoger beroep open, omdat de vordering van ASR waarover de kantonrechter moest beslissen, niet meer bedraagt dan € 1.750,-- (de financiële appelgrens als bedoeld in art. 332 lid 1 Rv Pro). In een dergelijk geval staat op de voet van art. 398, aanhef en onder 1°, Rv van het vonnis beroep in cassatie open.
3.5
Op grond van art. 80 lid 1 RO Pro zijn de cassatiegronden tegen uitspraken van de kantonrechter (in burgerlijke zaken) beperkt tot: a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust (motiveringsgebreken); b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of de beschikking; c. onbevoegdheid of d. overschrijding van rechtsmacht. [5] Daaraan is door de Hoge Raad de cassatiegrond toegevoegd dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken. [6]
3.6
Bij motiveringsgebreken gaat het om dezelfde motiveringseisen als die aan andere rechterlijke uitspraken worden gesteld. Motiveringsklachten die in wezen rechtsklachten zijn [7] of die niet kunnen worden beoordeeld zonder ook de juistheid van de rechtsopvatting van de kantonrechter te beoordelen [8] , stuiten af op art. 80 lid 1 RO Pro.
(ii) feitelijke grondslag van het verzoek om een mondelinge behandeling
3.7
AHC heeft gesteld [9] dat zij bij toezending van de conclusie van dupliek in een e-mail van 15 februari 2023 aan de griffier van de rechtbank, de kantonrechter heeft verzocht om een mondelinge behandeling (het eerste verzoek, aldus onderdeel 1). Deze e-mail luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
“Geachte heer, mevrouw,
Hierbij treft u aan het (tweede) schriftelijke verweer van gedaagde (Almeersch Hippisch Centrum (AHC)) in bovengenoemde procedure.
Graag maak ik daarnaast alvast van de gelegenheid gebruik door aan te geven dat AHC de wens heeft dat er op de twee schriftelijke rondes die nu plaats hebben gevonden een mondelinge behandeling volgt.”
3.8
Deze e-mail wordt niet in het bestreden vonnis genoemd en maakt geen deel uit van de gedingstukken. [10] Daarmee ontbreekt de feitelijke grondslag als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv Pro. Met het oog op de vraag of de desbetreffende e-mail met betrekking tot het gedane verzoek om een mondelinge behandeling kan dienen als hypothetisch feitelijke grondslag [11] , heb ik voor de volledigheid ambtshalve via de griffie van de Hoge Raad de vraag aan de rechtbank Midden-Nederland laten stellen of genoemde e-mail aldaar is ontvangen. Het antwoord daarop luidt bevestigend.
(iii) HR 24 maart 2023
3.9
In een recent arrest van 24 maart 2023 [12] heeft de Hoge Raad over het recht op een mondelinge behandeling en de afwijzing van een verzoek daartoe als volgt geoordeeld:
“3.2 Art. 87 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter, op verzoek van partijen of een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan bevelen. Art. 87 lid 8 Rv Pro bepaalt dat indien geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de rechter voordat hij over de zaak beslist aan partijen desverlangd de gelegenheid biedt hun standpunt mondeling uiteen te zetten. (…).
3.3
Blijkens de wetsgeschiedenis is art. 87 lid 8 Rv Pro ingevoerd wegens het vervallen van art. 134 (oud) Rv, waarin het recht op pleidooi was vervat. In de memorie van toelichting is daarover het volgende opgemerkt: [13]
“Artikel 134, dat betrekking heeft op het pleidooi, vervalt. In de wetgeving uit 2016 is het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling komen te vervallen, omdat de rechter partijen altijd in de gelegenheid moet stellen om hun standpunt over de zaak mondeling toe te lichten (vgl. artikel 30k, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in dit wetsvoorstel overgenomen in artikel 87). Het vierde lid van artikel 134 (artikel 30k, vierde lid over de aanwezigheid van partijen bij het pleidooi) komt in dit wetsvoorstel terug in artikel 87, vijfde lid, derde volzin. Naar aanleiding van een opmerking van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht is het van belang te constateren dat het schrappen van het pleidooi in combinatie met het handhaven van de mogelijkheid voor de rechter om een mondelinge behandeling te bevelen (artikel 87, eerste lid), niet betekent dat er procedures kunnen zijn waarin de rechter geen mondelinge behandeling beveelt en er ook geen pleidooi plaatsvindt (bijvoorbeeld na re- en dupliek is dat niet altijd zo, zie artikel 132 Rv Pro). Gelet op het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht op een mondelinge behandeling («fair and public hearing») en de strenge jurisprudentie daaromtrent van de Hoge Raad [voetnoot: zie bijv. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 (NJ 2012/77; red.) en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151 (NJ 2018/16; red.)] kan de rechter een verzoek om een mondelinge behandeling te houden niet zonder meer naast zich neerleggen. Daarom is mede op advies van de Raad voor de rechtspraak een vangnetbepaling opgenomen in artikel 87, achtste lid, om te waarborgen dat als er geen mondelinge behandeling gehouden wordt, partijen toch aanspraak kunnen maken op een gelegenheid om hun standpunt mondeling uiteen te zetten. Heeft er echter al enige zitting plaatsgevonden, bijvoorbeeld een comparitie van partijen, dan is er niet altijd recht op nog een mondelinge behandeling.”
3.4
Tegen deze achtergrond heeft de rechtspraak van de Hoge Raad over een op de voet van art. 134 lid Pro 1 (oud) Rv gedaan verzoek om pleidooi, zijn betekenis behouden voor de vraag of de rechter een op de voet van art. 87 lid 8 Rv Pro gedaan verzoek om een mondelinge behandeling mag afwijzen. Die rechtspraak [14] komt erop neer dat een dergelijk verzoek slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen. Voor dat laatste is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd tegen toewijzing van het verzoek of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van deze beide gevallen zal de rechter de redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren.”
3.1
Uitgaande van de door AHC gestelde gang van zaken (zie hiervoor onder 3.7), die m.i. voldoende aannemelijk is, gelet op de overgelegde e-mail en de ambtshalve ingewonnen inlichtingen over ontvangst van deze e-mail, kan er in cassatie voorshands van uit worden gegaan dat AHC bij e-mail van 15 februari 2023 de kantonrechter om een mondelinge behandeling heeft verzocht.
De kantonrechter is in het bestreden vonnis niet (kenbaar) op bedoeld verzoek ingegaan en heeft daarom rov. 3.4 van het onder 3.9 geciteerde arrest miskend.
Voor zover al uit het dictum (“wijst het meer of anders gevorderde af”) zou kunnen worden afgeleid dat het verzoek is afgewezen, had de kantonrechter de redenen daarvoor uitdrukkelijk moeten vermelden.
3.11
Onderdeel 1 is dus in zoverre terecht voorgesteld. Bespreking van overige klachten van onderdeel 1 laat ik dan ook achterwege.
3.12
Onderdeel 2dat is gericht tegen het – gehele – vonnis en het dictum, bouwt voort op onderdeel 1 en slaagt daarmee eveneens.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Almere van 15 maart 2023 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan rov. 2.1 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 15 maart 2023 (hierna: het bestreden vonnis).
2.Zie voor het procesverloop de rov. 1.1 en 1.2 van het bestreden vonnis.
3.De procesinleiding is op 26 april 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
4.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449,
5.Zie daarover
6.HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490,
7.Zie bijv. HR 14 april 1989, ,
8.Zie bijv. HR 11 december 1987,
9.Procesinleiding, par. 1.5. De e-mail is als onderdeel van het in cassatie gefourneerde procesdossier overgelegd.
10.Zie daarover
11.Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843,
12.Vindplaats hiervoor in voetnoot 4.
13.In voetnoot 2 verwijst de HR hierbij naar
14.In voetnoot 3 verwijst de HR hierbij naar o.a. HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1081, rov. 4.2 en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151, rov. 3.3.2.