Conclusie
1.De cassatieprocedure
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Het middel
NJ2019/310 (m.nt. N. Rozemond onder
NJ2019/313) , heeft de Hoge Raad de feitenrechter een aantal handreikingen gedaan. Zo brengt de Hoge Raad in herinnering dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of op een bepaalde vraag te antwoorden, op zichzelf, mede gelet op art. 29 lid 1 Sv Pro, weliswaar niet aan het bewijs kan bijdragen, maar de rechter mag bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. [5] Ook mag de rechter bij de bewijsvoering van de wetenschap betrekken dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetenschap van de verdachte over de herkomst van het goed eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan wederom betekenis worden toegekend aan de procesopstelling van de verdachte. [6] Dat opzet moet er zijn op het moment dat de verdachte het goed voorhanden krijgt. Indien de verdachte pas achteraf wetenschap krijgt van de herkomst van het goed, is er geen sprake van opzetheling in de zin van art. 416 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sr. [7] De verdachte kan dan eventueel wel strafbaar hebben gehandeld hebben op grond van art. 416 lid Pro 1, aanhef en onder b, Sr of op grond van een vorm van witwassen (art. 420bis e.v. Sr). [8]
dat het niet anders kandan dat de vingerafdrukken van de verdachte op de gestolen en gestripte voertuig-onderdelen zijn terecht gekomen
terwijl deze zich in de garagebox bevonden, niet [AG: althans niet zonder meer] begrijpelijk is. Zo staat dat oordeel op gespannen voet met bewijsmiddel 13 waaruit blijkt dat ook
buiten de garageboxaan auto’s werd gewerkt. Bovendien kan niet worden gezegd dat de onderdelen waarop de dacty van de verdachte zijn aangetroffen betekenisvol bijdragen aan ‘het niet anders kunnen zijn’-oordeel van het hof. Een blik achter de papieren muur leert namelijk dat uit het niet uitgewerkte, maar wel voor het bewijs gebezigde bewijsmiddel 14 blijkt dat er dacty van de verdachte zijn aangetroffen op één of twee autoruit(en). Dat is iets anders dan wanneer die dacty zouden zijn aangetroffen op – van buitenaf niet zonder meer bereikbare – onderdelen zoals een transmissie of een motorblok. Dan was de bewijsstap die het hof maakt minder groot geweest en daarmee mogelijk ook minder onbegrijpelijk.
op het moment van het voorhanden krijgenvan die onderdelen wist dat het door misdrijf verkregen voorwerpen waren. Over die wetenschap op dat moment heeft het hof echter niets vastgesteld of overwogen. Nu die wetenschap ook niet rechtstreeks volgt uit een van de bewijsmiddelen, schiet de motivering van de bewezenverklaring (ook) in dat opzicht te kort. Hoewel de steller van het middel over dit laatste aspect van de bewezenverklaring niet expliciet klaagt, meen ik dat deze klacht bij een welwillende lezing van het middel (en tegen de achtergrond van de daarop gegeven toelichting) wel geacht kan worden in het middel te zijn besloten. In het middel wordt immers geklaagd dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. Die vlag dekt de lading.