ECLI:NL:PHR:2024:1002

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
30 september 2024
Zaaknummer
22/04033
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SvArt. 53 SvArt. 81 ROArt. 128 SvArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieadvies mishandeling bij burgeraanhouding wegens vermoedelijke winkeldiefstal

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor twee feiten van mishandeling tijdens een burgeraanhouding in een supermarkt. Het hof oordeelde dat er sprake was van een rechtmatige aanhouding op heterdaad wegens een redelijk vermoeden van winkeldiefstal, waarbij het handelen van de beveiligers proportioneel en subsidiar was.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuiste rechtsopvattingen toepaste omtrent artikel 27 Sv Pro en dat het handelen van de beveiligers wederrechtelijk was, waardoor hij zich op noodweer mocht beroepen. De Procureur-Generaal concludeert dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het redelijk vermoeden van schuld bestond en dat het optreden van de beveiligers niet wederrechtelijk was.

De bewijsmiddelen omvatten verklaringen van beveiligers en getuigen, proces-verbaal van bevindingen en verhoren, waaruit blijkt dat de verdachte zich verzette tegen een aanhouding na weigering van een tassencontrole. Het hof verwierp het noodweerverweer en het gebrek aan opzet tot mishandeling. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor mishandeling blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04033

Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 28 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. en 2. ‘telkens: mishandeling’ veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste en derde lid, Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof bij de onder 1 en 2 bewezenverklaarde mishandelingen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting inzake het bepaalde in artikel 27 Sv Pro, dan wel dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het handelen van verdachte wederrechtelijk was, althans dat de bewezenverklaringen in zoverre – zonder nadere motivering, die ontbreekt – niet begrijpelijk zijn.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘feit 1.
hij op 16 december 2020 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] tegen de borst te slaan/stompen en door met kracht een of meerdere vingers van die [slachtoffer 1] te draaien/om te buigen;
feit 2.
hij op 16 december 2020 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met kracht aan de arm van die [slachtoffer 2] te trekken/hangen.’
5. De bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aangifte, (…) d.d. 16 december 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , brigadier, (…), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik ben werkzaam als beveiliger in een filiaal van de Jumbo gevestigd te Utrecht. Ik stond in de supermarkt ter hoogte van de ingang. Via mijn portofoon hoorde ik dat een kassamedewerkster aan mij vroeg of ik een zogenaamde "tassencontrole" wilde doen bij een klant. Ik begreep later dat deze klant tussen twee kassa's was doorgelopen met een volle plastic tas van de Albert Heijn en dat de medewerkster van de kassa niet had gezien of hij goederen ter betaling aan had geboden bij een kassa.
Klanten die bij de Jumbo binnenkomen zijn verplicht de geldende huisregels op te volgen. Dit staat ook aangegeven bij de ingang van de winkel. De kassamedewerkster gaf door aan mij hoe de klant eruit zag. Het was een wat oudere man met wat langer grijs haar en een grijze baard, met in zijn hand een plastic tas van Albert Heijn. Ik zag dat deze man inmiddels ter hoogte van mij liep. Ik heb hem aangesproken en aan hem gevraagd of ik een tassencontrole bij hem mocht doen en of hij in het bezit was van een kassabon.
Ik zag dat de man meteen doorliep de winkel uit. Ik ben hem achterna gelopen en heb hem nogmaals gevraagd of ik de tassencontrole mocht doen en dat hij dat verplicht was. Ik heb ook aan hem gevraagd of hij even met mij mee wilde lopen naar binnen. Ook heb ik direct via mijn portofoon aan de bedrijfsleidster doorgegeven wat er aan de hand was. Ik was inmiddels voor de man gelopen en wilde zijn weg blokkeren. Ik zag hierop dat de man mij met zijn rechterarm met kracht weg probeerde te duwen. Vrijwel op hetzelfde moment zag ik dat de man mij met een van zijn vuisten in mijn gezicht probeerde te slaan. Hij haalde met kracht uit en ik wist zijn klap maar net te ontwijken. Direct hierop wilde hij mij weer slaan met zijn vuist, ook nu wist ik deze klap te ontwijken. Hij bleef echter maar slaan en de derde keer zag en voelde ik dat de man mij met kracht met een vuist tegen mijn borst sloeg.
Opeens zag ik dat de man op de grond viel. Kennelijk had hij, door het maaien met zijn armen, zijn evenwicht verloren. Ik probeerde de man overeind te helpen en zei tegen hem dat hij rustig moest doen. Toen ik de man overeind probeerde te helpen zag en voelde ik dat hij de middelvinger en ringvinger van mijn linkerhand stevig vastpakte en deze met kracht probeerde om te draaien. Ook zag en voelde ik dat hij deze twee vingers heel hard naar achteren begon te trekken. Door deze beweging voelde ik heel veel pijn in mijn vingers.
Inmiddels was er een collega van de Jumbo, [slachtoffer 2], bij mij gekomen. Samen met hem heb ik de man stevig beetgepakt en hebben wij hem met enige kracht richting de ingang van de Jumbo gebracht. Ik had tegen de man gezegd dat ik aangifte tegen hem zou doen omdat hij mij veel pijn had gedaan en dat hij was aangehouden.
Hij heeft ook heel hard aan de arm van mijn collega [slachtoffer 2] getrokken. Deze heeft hierdoor schaafwonden aan zijn linker onderarm opgelopen.
De middel- en ringvinger van mijn linkerhand doen nu nog steeds pijn, het tintelt heel erg. Ik vermoed dat ze gekneusd zijn.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 17 december 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], brigadier, (…), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Ik, verbalisant, sprak ik met de assistent bedrijfsleider van de Jumbo die, desgevraagd, op gaf te zijn genaamd: [getuige], geboren [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats].
Ik hoorde de getuige verklaren dat:
- zij op 16 december 2020 aan het werk was.
- zij hoorde dat er een tassen controle uitgevoerd moest worden.
- zij naar de uitgang van de winkel liep en naast de beveiliger ging staan.
- de controle uitgevoerd moest worden bij een oudere man met lang grijs haar.
- ze hoorde dat de beveiliger de man aansprak en vroeg of de man wilde meewerken aan een tassen controle.
- de man niet reageerde en gewoon door liep alsof hij niets gehoord had terwijl het heel duidelijk was dat de beveiliger hem aansprak.
- ze zag dat de man de winkel uitliep en dat de beveiliger erachter aan liep.
- zij iets later ook de winkel uitliep achter de beveiliger aan.
- de beveiliger meerdere malen de man aansprak maar dat de man hem negeerde.
- ze inmiddels ver van de winkel verwijderd waren en dat de beveiliger aangaf dat het niet langer meer ging zo.
- ze zag dat de beveiliger voor de man ging staan.
- de beveiliger de man niet aanraakte maar wel rustig probeerde aan te spreken dat hij mee moest werken aan een tassen controle.
- ze hoorde dat de man begon te schreeuwen en met zijn schouder een duw gaf tegen de beveiliger aan.
- ze zag dat de man agressiever werd en harder begon te schreeuwen.
- ze zag dat de man meerdere slaande bewegingen maakte naar het gezicht van de beveiliger.
- ze zag dat de beveiliger deze slaande bewegingen kon ontwijken.
- ze zag dat de beveiliger op zijn borst gestompt werd.
- de man een collega van haar bij zijn arm pakte.
- ze zag dat de beveiliger na het incident aan het trillen was met zijn handen.
- de beveiliger haar vertelde dat de man zijn vingers probeerde te breken.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal verhoor van getuigebij de rechter-commissaris, (…), d.d. 30 juni 2021, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige]:
Ik herinner me dat verdachte de beveiliger meerdere keren wilde slaan, waarvan twee klappen raak waren. Dat heb ik ook gezien.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aangifte, (…) d.d. 16 december 2020, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , brigadier, (…), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik ben werkzaam bij de supermarktketen Jumbo, in een filiaal gevestigd te Utrecht. Vandaag, 16 december 2020, was ik ook aan het werk. Ik hoorde via de portofoon dat een collega van mij aan onze winkelbeveiliger [slachtoffer 1] vroeg of hij bij een klant een zogenaamde tassencontrole wilde doen. Ik liep toen ook richting de ingang van de winkel. Toen ik bij de ingang kwam zag ik [slachtoffer 1] niet meer. Ik begreep van een collega dat hij inmiddels buiten liep. Ik ben hierop ook naar buiten gelopen. Daar zag ik onze beveiliger [slachtoffer 1] staan, samen met een wat oudere man. Ik zag dat [slachtoffer 1] deze man vasthield. Opeens zag ik dat zowel de oudere man als [slachtoffer 1] op de grond vielen. Ik ben er naartoe gerend en toen ik ter hoogte van hen was gekomen hoorde ik de man roepen dat "hij niet mee wilde werken". Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat de man hem had geslagen en dat hij aangifte wilde doen. Hierop besloten wij de man mee te nemen naar binnen. Wij pakten de man vast en begonnen hem in de richting van de Jumbo te bewegen. Dit ging niet zonder slag of stoot, want de man bleef maar wild met zijn armen om zich heen maaien en naar zijn plastic tas grijpen, waardoor wij wat kracht moesten uitoefenen op de man en hem vooruit moesten duwen. Toen wij bij de ingang van de Jumbo kwamen pakte hij mijn rechterarm vast en ik voelde dat hij hier keihard aan begon te trekken. Ik had het idee dat hij met zijn volle gewicht aan mijn arm hing. Door deze actie voelde ik behoorlijke pijn in mijn rechterarm. Ik zag later ook dat op mijn linker onderarm aan de binnenzijde schaafplekken zaten. De man bleef wild bewegen met zijn lichaam en om zich heen maaien. Wij wisten hem uiteindelijk naar de grond te brengen en daar kon hij onder controle worden gehouden totdat de politie arriveerde. Mijn linker onderarm is ook nu nog gevoelig.
5. De
verklaring van verdachteafgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 21 april 2022, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Er ontstond een conflict tussen mij en een beveiliger die mij aanhield. Ik begon mij te verzetten, omdat ik wist dat die tassencontrole niet mocht. Ik heb slaande bewegingen naar de beveiliger gemaakt met de bedoeling hem angst aan te jagen, zodat hij mij zou loslaten. Ik heb met mijn vuist drie slaande bewegingen gemaakt in de richting van het hoofd van de beveiliger. Het kan zijn dat ik zijn borst heb geraakt. Ik heb de vingers van [slachtoffer 1] beetgepakt met de bedoeling hem pijn te doen. Ik heb niet gemerkt dat ik de beveiliger heb geraakt, maar dat kan wel zijn gebeurd. Ik probeerde [slachtoffer 1] te slaan, omdat hij mij beetpakte. Ik heb niet gehoord dat [slachtoffer 1] pijn had, maar dat kan ik mij wel voorstellen.’
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2022 heeft de raadsman bij pleidooi het volgende aangevoerd:
‘Deze zaak is voor verdachte levensbeheersend geweest het afgelopen jaar. Verdachte is gepensioneerd en is nooit eerder met justitie in aanraking geweest. Hij probeert met weinig geld rond te komen. Verdachte was op zoek naar een bepaald type afwasmiddel. Dat product was niet aanwezig in de Jumbo. Daarom heeft verdachte de winkel verlaten. Verdachte is pas buiten de winkel aangesproken door aangever [slachtoffer 1] . Aangever [slachtoffer 1] kreeg via zijn oortje te horen bij wie hij een tassencontrole moest uitvoeren en heeft daarop gereageerd. Kennelijk is dat door de politie opgevat als dat aangever [slachtoffer 1] iets tegen verdachte heeft gezegd. Een andere medewerkster zegt ook dat het mogelijk is dat verdachte pas buiten de winkel is aangesproken. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de tassencontrole omdat hij niets verkeerd had gedaan. Uit principe wilde verdachte niet in zijn tas laten kijken. Daar was in dit geval ook geen aanleiding voor. Verdachte had niets gestolen en niemand heeft gezien dat hij een product in zijn tas heeft gestopt. Veel supermarkten hebben in hun huisregels staan dat je moet meewerken aan een tassencontrole. Dat betekent niet dat je dat dan maar moet toestaan. Verdachte heeft zich vervolgens omgedraaid en is verder gelopen. Daarna is hij beetgepakt. Enkel bij een heterdaadsituatie mag worden overgegaan tot burgeraanhouding. Als het gaat om een vermoeden ligt dat anders. Dan hoeft je ook niet in je tas te laten kijken. Buiten de winkel heeft een schermutseling plaatsgevonden. De camerabeelden waren volgens het openbaar ministerie niet meer beschikbaar. We zullen het dus moeten doen met het daarover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Verdachte zou al in de winkel zijn aangesproken en heeft toen nergens op gereageerd. Dat verdachte nergens op zou hebben gereageerd onderbouwt de stelling van verdachte dat hij niets heeft gehoord. De medewerkster achter de servicebalie heeft verklaard dat verdachte snel liep en zijn tas dicht hield. De andere getuigen hebben dat allemaal niet waargenomen. Verdachte heeft mogen handelen hoe hij heeft gehandeld. De aangevers hebben pijn ondervonden omdat ze verdachte ten onrechte hebben aangehouden. Verdachte is feitelijk van zijn vrijheid beroofd. Was bij aangever [slachtoffer 1] wel sprake van een redelijk vermoeden van schuld? Hij heeft zelf immers niets gezien. In de visie van verdachte heeft aangever [slachtoffer 1] niet gehandeld op grond van een door hem zelf waargenomen redelijk vermoeden van schuld. Bovendien ontbrak bij verdachte het opzet op het toebrengen van pijn. Verdachte heeft zich proportioneel en subsidiair verweerd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ik verzoek verdachte dan ook vrij te spreken.’
7. Het hof heeft dit verweer in het bestreden arrest als volgt verworpen:

Overweging met betrekking tot het bewijs
Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen lijf, omdat hij gerechtigd was zijn medewerking aan een tassencontrole te weigeren en zijn aanhouding niet rechtmatig, en daarmee een beroep gedaan op noodweer.
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof stelt vast dat bij de supermarkt huisregels gelden, waarmee men instemt bij het betreden van de winkel, over het verlenen van medewerking aan een tassencontrole, om op die manier winkeldiefstal tegen te gaan.
Blijkens de verklaringen in het dossier werd door één van de medewerkers van de Jumbo gezien dat verdachte snel langs de kassa liep met een dichtgehouden boodschappentas. Aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), in zijn hoedanigheid van beveiliger, hoorde dit via zijn oortje en verzocht verdachte mee te werken aan een tassencontrole. Verdachte reageerde niet en liep de winkel uit, waarop aangevers achter hem aan zijn gelopen. Tijdens de aanhouding heeft verdachte zich verzet en heeft een geweldsincident met de aangevers plaatsgevonden.
Op grond van deze gang van zaken is het hof van oordeel dat, anders dan door de verdediging betoogd, wel degelijk sprake is geweest van een aanhouding naar aanleiding van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit in de zin van artikel 128 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Op grond van de mededeling van het winkelpersoneel dat de verdachte snel langs de kassa liep met een dichtgehouden boodschappentas, waarna verdachte niet reageerde op het verzoek van de beveiliging mee te werken aan een tassencontrole en de winkel uit liep, kon bij de beveiliging het redelijke vermoeden ontstaan dat de verdachte zich schuldig maakte aan een strafbaar feit, te weten winkeldiefstal. Dat verdachte niets had gestolen doet aan het op dat moment ontstane redelijke vermoeden van schuld niet af.
Bij de beantwoording van de vraag of het optreden van aangevers ter aanhouding van de verdachte rechtmatig is geweest stelt het hof voorop dat het een burger op grond van artikel 53 van Pro het Wetboek van Strafvordering is toegestaan in geval van ontdekking op heterdaad handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de verdachte, waar nodig met gepaste dwang of gepast geweld, onder controle te krijgen, teneinde hem onverwijld te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. Het handelen van de burger dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het hof is van oordeel dat de handelingen van aangevers ter aanhouding van de verdachte in de gegeven omstandigheden rechtmatig waren. Omdat de verdachte weigerde mee te werken aan een tassencontrole was het noodzakelijk hem tegen te houden. Het vastpakken van verdachte was daartoe een proportioneel middel. Dat aangevers de bedoeling hadden de verdachte onverwijld aan de politie over te dragen acht het hof ook aannemelijk. Blijkens het proces-verbaal aanhouding door burger heeft aangever [slachtoffer 1] de verdachte ook daadwerkelijk overgeleverd aan de politie.
Nu het optreden van aangevers in de gegeven situatie niet wederrechtelijk was is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangevers, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
De verdediging heeft tot slot gesteld dat verdachte niet de opzet heeft gehad de slachtoffers te mishandelen. Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte, door aangever [slachtoffer 1] tegen de borst te slaan en zijn vingers om te buigen en door met kracht aan de arm van aangever [slachtoffer 2] te hangen, de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers daardoor pijn en/of letsel zouden oplopen.’
8. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsvoering niet blijkt van een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan winkeldiefstal, nu daaruit alleen kan blijken dat de verdachte door aangever [slachtoffer 1] werd vastgepakt omdat hij een tassencontrole had geweigerd. In het licht daarvan zou ’s hofs oordeel dat de (gewelds)handelingen van aangevers ter aanhouding van de verdachte in de gegeven situatie niet wederrechtelijk waren en dat verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een noodweersituatie niet (zonder meer) begrijpelijk zijn.
9. Art. 53, eerste lid, Sv houdt in dat een ieder bevoegd is de verdachte aan te houden in geval van ontdekking op heterdaad. [1] Ingevolge art. 27, eerste lid, Sv wordt voordat de vervolging is aangevangen als verdachte aangemerkt ‘degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit’.
10. De bewijsmiddelen houden onder meer in dat [slachtoffer 1] via zijn portofoon hoorde dat een kassamedewerker aan hem vroeg of hij een zogenaamde ‘tassencontrole’ wilde doen bij een klant. [slachtoffer 1] zag dat de betreffende klant ter hoogte van hem was, sprak hem aan en vroeg of hij een tassencontrole bij hem mocht doen en of hij in het bezit was van een kassabon. [slachtoffer 1] zag daarop ‘dat de man meteen doorliep de winkel uit’. Hij liep hem daarop achterna, vroeg hem nogmaals of hij de tassencontrole mocht doen en zei ‘dat hij dat verplicht was’. Ook vroeg hij aan verdachte of hij even met hem mee wilde lopen naar binnen. Inmiddels was hij ‘voor de man gelopen en wilde zijn weg blokkeren’. Daarop zag hij dat de man hem met zijn rechterarm weg probeerde te duwen en hem met een van zijn vuisten in het gezicht probeerde te slaan (bewijsmiddel 1).
11. Het hof ‘stelt vast dat bij de supermarkt huisregels gelden, waarmee men instemt bij het betreden van de winkel, over het verlenen van medewerking aan een tassencontrole, om op die manier winkeldiefstal tegen te gaan’. En overweegt dat blijkens de verklaringen in het dossier door één van de medewerkers van de Jumbo werd gezien ‘dat verdachte snel langs de kassa liep met een dichtgehouden boodschappentas’. Aangever [slachtoffer 1] hoorde dit, aldus het hof, via zijn oortje, en verzocht de verdachte mee te werken aan een tassencontrole. Verdachte reageerde niet en liep de winkel uit, waarop aangevers ‘achter hem aan zijn gelopen. Tijdens de aanhouding heeft verdachte zich verzet’, aldus nog steeds het hof. Volgens het hof is op grond van deze gang van zaken sprake geweest ‘van een aanhouding naar aanleiding van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit’.
12. Met de steller van het middel meen ik dat deze overweging niet zonder meer begrijpelijk is voor zover het hof ervan uitgaat dat [slachtoffer 1] reeds voorafgaand aan de aanhouding van de kassamedewerker hoorde ‘dat verdachte snel langs de kassa liep met een dichtgehouden boodschappentas’. [slachtoffer 1] verklaart dat hij ‘later’ begreep ‘dat deze klant tussen twee kassa’s was doorgelopen met een volle plastic tas van de Albert Heijn en dat de medewerkster van de kassa niet had gezien of hij goederen ter betaling aan had geboden bij een kassa’.
13. Dat doet naar het mij voorkomt evenwel niet af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat ten tijde van de aanhouding sprake was een redelijk vermoeden van schuld aan winkeldiefstal. Anders dan de steller van het middel meen ik dat [slachtoffer 1] dat vermoeden niet enkel heeft gebaseerd op het weigeren van een tassencontrole, maar ook op het daaraan voorafgaande verzoek van de kassamedewerkster. In verband met de redelijkheid van het vermoeden neem ik in aanmerking dat bij een verzoek om tassencontrole naar aanleiding van een vermoeden van winkeldiefstal snel moet worden gehandeld. Een wetsuitleg waarin dat vermoeden bij de beveiliger pas ‘redelijk’ kan worden als de kassamedewerker heeft uitgelegd op welke feiten en omstandigheden het verzoek berust ligt daarom niet voor de hand. Voldoende is dat de burger die de verdachte aanhoudt, naar wat hem toen bekend was, tot de conclusie kon komen dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. [2]
14. Een en ander brengt mee dat ’s hofs oordeel dat sprake was van aanhouding van een verdachte naar aanleiding van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit niet onbegrijpelijk is. Dat geldt ook voor het daarop gebaseerde oordeel dat het optreden van aangevers in de gegeven situatie niet wederrechtelijk was, en dat het beroep op noodweer van de verdachte derhalve faalt. De bewezenverklaringen van mishandeling, waaronder is begrepen het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestond, zijn in het licht van hetgeen is aangevoerd toereikend gemotiveerd. [3]
15. Het middel faalt.

Afronding

16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat uw Raad mogelijk uitspraak zal doen nadat sinds het instellen van het cassatieberoep meer dan twee jaar is verstreken. Gelet op de straf die is opgelegd, zou dat evenwel niet tot strafvermindering behoeven te leiden. [4] Ook voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. over de ‘burgeraanhouding’ HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:304,
2.G.J.M. Corstens,
3.HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690,
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,