Conclusie
advocaat: mr. J. van Weerden,
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
langetermijn is volgens de wetsgeschiedenis gerechtvaardigd omdat ‘door de uitspraak de verplichting tot nakoming van de verbintenis dwingend is vastgesteld en de schuldeiser heeft doen blijken nakoming te wensen’. [5]
Kratos/Gulf Oiluit 2012 [6] aan het woord. Maar het zal de lezer al wel duidelijk zijn dat er een zeer belangrijk verschil is tussen een gewone veroordeling bij rechterlijke uitspraak en de dwangsomveroordeling. Dat, en zo ja tot welk bedrag, een dwangsomvordering bestaat, is bij de uitspraak waarbij een dwangsom is opgelegd nog helemaal niet vastgesteld (laat staan ‘dwingend’; vergelijk hiervoor 3.3 slot).
bijzondereverjaringstermijn voor dwangsommen van art. 611g Rv, zo oordeelde uw Raad in het al genoemde arrest
Kratos/Gulf Oil.
veronderstelt.Onjuist is de stap die het hof vervolgens meent te mogen zetten, namelijk dat
daarmeehet verjaringsregime van art. 3:324 BW Pro van twintig jaar van toepassing is geworden. Art. 3:324 lid 1 BW Pro betreft de verjaring van ‘de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak’. Welnu, als [verweerders] hun dwangsomvordering innen door het door hen gelegde executoriaal beslag te vervolgen, ontlenen zij de bevoegdheid daartoe aan het vonnis van 9 september 2021 en niet aan het vonnis van de voorzieningenrechter in eerste aanleg. Alleen het vonnis van 9 september 2021 bevat ten behoeve van [verweerders] de veroordeling van [eiser] tot het betalen van dwangsommen. Het vonnis van de voorzieningenrechter in eerste aanleg bevat een zodanige veroordeling niet en verschaft aan [verweerders] dus niet een executoriale titel. In plaats daarvan bevat dat vonnis ten behoeve van [eiser] een verbod voor [verweerders] , namelijk om ‘het vonnis van 9 september 2021 ten uitvoer te leggen voor zover het ten aanzien van de dwangsommen berekend tot 18 januari 2022 een bedrag van € 37.500,00 te boven gaat’. Het hof geeft het vonnis van de voorzieningenrechter ook zelf in die zin weer in de op vier na laatste zin van rechtsoverweging 6.1.2.