Conclusie
1.[eiseres 1] B.V. (hierna: [eiseres 1] )
(eisers tot cassatie 1-3 gezamenlijk hierna: [de vennootschappen] )
[eiser 4])
[eiser] , in mannelijk enkelvoud)
[verweerster])
1.Feiten
arrest). [2] Onder 1.1 hierna citeer ik eerst ’s hofs samenvatting van de zaak in rov. 2.1.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). [4] [verweerster] heeft gevorderd, zoals samengevat in rov. 2.11 van het arrest:
tussenvonnis). [6] Daarin heeft zij - samengevat - [verweerster] een bewijsopdracht gegeven.
[betrokkene 2]) zijn als getuigen gehoord.
eindvonnis) [7] heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerster] afgewezen en de reconventionele vordering van € 40.000 toegewezen, een en ander met een kostenveroordeling van [verweerster] en uitvoerbaar bij voorraad.
hof) hoger beroep ingesteld van het tussenvonnis en het eindvonnis.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
sub a.
eersteen aanbod met inhoud X door partij A moet worden gedaan en
vervolgenseen aanvaarding van dát aanbod met inhoud X door partij B moet plaatsvinden. De consequentie zou zijn dat bijvoorbeeld geen overeenkomst tot stand kan komen indien A en B simultaan iets uiten, of indien er een langere reeks uitingen is met een meer diffuse inhoud.
a priorieen bepaalde inhoud (laat staan vorm) moeten hebben. [16] Of een overeenkomst tot stand is gekomen en welke inhoud deze heeft, moet uiteindelijk - afgezien van de toepassing van bijzondere rechtsregels - worden beantwoord aan de hand van de in art. 3:33 BW Pro in verbinding met art. 3:35 BW Pro tot uitdrukking komende wilsvertrouwensleer. [17]
Bunde/ […]- en
Haviltex-maatstaf. [18] Het hof gaat dáárvan onmiskenbaar en terecht ook uit in rov. 3.183.25 van het arrest. Met als slotsom dat de betalingsafspraak waarop [verweerster] zich beroept, en op basis waarvan [eiser] aan [verweerster] nog € 183.510 [19] verschuldigd is (vermeerderd met wettelijke rente), vaststaat.
sub b.
sub c.
sub a.
sub b.
Mr. Hogenkamp[advocaat van [verweerster] , A-G] (…)
(…)
Dan hebben we nog de bandopname in combinatie met productie 13 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Er is niet alleen gepraat, maar ook geschreven over scenario A en B. Scenario A gaat uit van de situatie dat [eiseres 1] de schade op haar verzekeraar kan verhalen. Scenario B gaat uit van de situatie dat de verzekeraar niet betaalt en wat [eiseres 1] in dat geval uitkeert aan [verweerster] . Er worden hele concrete bedragen genoemd.
[verweerster] :[ [verweerster in persoon van betrokkene 1] , A-G] (…)
(…)
tijdens het gesprekvan 6 februari 2017 tussen partijen een overeenkomst, dat wil zeggen de onderhavige betalingsafspraak, tot stand is gekomen. Voor zover het subonderdeel ’s hofs bestreden oordeel wel zo leest, is dat dus onjuist en strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof grondt het bestaan van zo’n afspraak immers mede op de toezending door [eiser 4] van diens gespreksaantekeningen na dat gesprek aan [verweerster in persoon van betrokkene 1] , op verzoek van laatstgenoemde en zonder nader commentaar of voorbehoud van eerstgenoemde (zie met name rov. 3.20 en 3.24-3.25). Zie ook onder 3.11.1-3.11.3 hiervoor.
sub (i)bedoelde conclusie. Zoals sub (i) in wezen ook wordt opgemerkt, toonde [eiser 4] zich - naar het hof onderkent in rov. 3.19 - in het gesprek van 6 februari 2017 immers bereid over een scenario B te overleggen. [35] Bovendien dient rov. 3.19 mede te worden bezien in verbinding met rov. 3.20. Daarin gaat het hof in op de door [eiser 4] tijdens de gesprekken gemaakte gespreksaantekeningen, waaruit het hof opmaakt dat zulk overleg over scenario B ook heeft plaatsgevonden tijdens dat gesprek van 6 februari 2017, mede resulterend in een financiële uitwerking van scenario B van ‘onder de streep’ nog € 183.510. Naar ’s hofs oordeel aldaar (als nader toegelicht in rov. 3.21-3.25) mocht [verweerster] , gezien ook de door het hof bedoelde toezending door [eiser 4] aan [verweerster] van die gespreksaantekeningen, uit dit samenstel van [eiser 4] ’s verklaringen en gedragingen afleiden dat laatstgenoemde voor [eiser] akkoord ging met genoemde betalingsafspraak. Zie ook onder 3.11.1-3.11.3 hiervoor.
sub (ii)maakt ’s hofs bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. Het was aan het hof om deze verklaring te waarderen (zie art. 152 lid 2 Rv Pro). Rov. 3.20 en 3.23-3.25 laten zien dat het hof dit gemotiveerd doet, in het licht ook van rov. 3.19 en 3.21-3.22. En waarom volgens het hof dit door [eiser 4] verklaarde niet in de weg staat aan het onder 3.15.3 hiervoor bedoelde oordeel dat [verweerster] uit dat samenstel van [eiser 4] ’s verklaringen en gedragingen mocht afleiden dat laatstgenoemde voor [eiser] akkoord ging met genoemde betalingsafspraak. Daarbij betrekt het hof dus dat [eiser 4] in zijn verklaring vaag blijft over zijn eigen aantekeningen en “dat hij ten onrechte beweert dat niet is gesproken over wat er zou gebeuren als de verzekering niet zou betalen”, nu “[u]it de gevoerde gesprekken [zie rov. 3.19, A-G] blijkt dat dit wel aan de orde is geweest en dat scenario B juist op die situatie betrekking had” (zie rov. 3.24, alsmede rov. 3.21-3.22 inzake de getuigenverklaringen van [verweerster in persoon van betrokkene 1] en [betrokkene 2] ). [36] Zie ook onder 3.15.5 hierna. Daarbij betrekt het hof dus ook dat [eiser 4] zich in de gesprekken met [verweerster] “wel degelijk bereid heeft getoond in de kosten bij te dragen (scenario B)” (zie rov. 3.25), wat haaks staat op [eiser 4] ’s bestrijding “dat [de vennootschappen] zelf zouden betalen als de verzekering niet zou betalen” (zie rov. 3.23). Zie ook onder 3.11.2 hiervoor.
sub (iii)bedoelde verklaring van [betrokkene 2] geldt eveneens dat het aan het hof was om deze te waarderen (zie art. 152 lid 2 Rv Pro). Het hof ziet in diens verklaring, anders dan sub (iii) lijkt te worden verondersteld, geen direct bewijs van een betalingsafspraak. Zie ook onder 3.15.2 hiervoor. Het hof maakt blijkens rov. 3.22 (ook) uit diens verklaring wel op dat op 6 februari 2017 inderdaad is gesproken over de vraag wat zou moeten gebeuren als de verzekeraars niet zouden betalen, in welk verband [betrokkene 2] spreekt over een tweede optie. Daarbij doelt het hof op de volgende passage in het proces-verbaal inzake [betrokkene 2] getuigenverklaring: [37]
De tweede optiewas wat moet er gebeuren als de verzekeraars niet betalen. Wat is dan de schade van [verweerster] ”, etc. [onderstreping toegevoegd, A-G].
sub (iv)-(v)wordt aangevoerd, snijdt evenmin hout. Wat ter zake volgens het subonderdeel aan opmerkingen zijdens [eiser 4] en [verweerster] zou volgen uit de geluidsopname/het transcript van het gesprek van 6 februari 2017 laat immers zonder méér onverlet dat het hof de uit die verslaglegging van het gesprek blijkende, desverzochte bereidheid van [eiser 4] om te overleggen over een scenario B waarin zijnerzijds zou worden bijgedragen in de betreffende kosten (zie rov. 3.19) mede ten grondslag mocht leggen aan zijn oordeel in rov. 3.20-3.25, erin uitmondend dat vaststaat dat [eiser] op basis van genoemde betalingsafspraak aan [verweerster] nog € 183.510 verschuldigd is (vermeerderd met wettelijke rente). Zie ook onder 3.11.1-3.11.3 en 3.15.3 hiervoor.
sub (vi). Dit miskent wat het hof doet in rov. 3.18-3.25, waarover mede onder 3.11.1-3.11.3, 3.15.3 en 3.15.6 hiervoor. Daaruit volgt reeds dat de sub (vi) bedoelde stellingen van [eiser] het hof niet dwongen tot een nog weer nadere motivering. Dit behoeft geen verdere toelichting.
sub (i). Klaarblijkelijk appelleert de stelling van [eiser] dat aan de transcriptie van de geluidsopname geen bewijswaarde kán toekomen (omdat de transcriptie is opgesteld door een kantoorgenoot van mr. Hogenkamp, die daarom niet als onpartijdig en onafhankelijk kán worden beschouwd) aan een algemene ervaringsregel, waarvan het hof het bestaan begrijpelijkerwijs en terecht niet heeft willen aannemen. Aldus zou op voorhand en categorisch nul bewijswaarde toekomen aan zo’n transcriptie. Dat is te absoluut gesteld en vindt, gelet op het in art. 152 lid 1 Rv Pro besloten liggende uitgangspunt van vrije bewijskracht, [41] geen steun in het recht. Het gaat hier, kortom, niet om een essentiële stelling van [eiser] waarop het hof nog weer nader diende te responderen. Overigens valt evenmin in te zien waarom die stelling van [eiser] de bewijswaarde
van de geluidsopnamereeds fataal zou raken. Dit laatste oordeelt het hof ook niet. En wordt trouwens sub (i) ook niet aangevoerd. Ik laat bij dit een en ander nog daar dat het hof niet alleen uit de onderhavige transcriptie afleidt dat [eiser 4] zich in het gesprek van 6 februari 2017 bereid toonde over een scenario B te overleggen (rov. 3.19), [42] maar bijvoorbeeld ook uit de verklaring van getuige [betrokkene 2] (rov. 3.22).
sub (ii). Daarbij worden twee vindplaatsen in het procesdossier genoemd. Onder 3.17.4-3.17.6 hierna licht ik deze uit. Onder 3.17.7 hierna kom ik terug op sub (ii).
*Er kan dan ook niet worden uitgegaan van het transcript dat door [verweerster] is overgelegd” [asterisk toegevoegd, A-G].
Mr. s’Jacob[advocaat van [eiser] , A-G] (…)
(…)
(…)
Ik heb veel moeite met het transcript, omdat dingen volledig uit de context worden gerukt door de vertaling.
(…)” [43]
sub (iii). Hier is evenmin sprake van enige essentiële stelling van [eiser] waarop het hof nog weer nader diende te responderen. Ik licht dit toe.
de geluidsopname, niet om de transcriptie. In zoverre strandt sub (iii) dus al op een gebrek aan feitelijke grondslag. Overigens verrast het natuurlijk geenszins dat waar een deel van het gesprek niet is opgenomen, dit niet-opgenomen deel de transcriptie van de geluidsopname van dit gesprek evenmin haalt.
sub atot vertrekpunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan sub a veronderstelt, plaatst het hof diens analyse in rov. 3.20 immers niet in de sleutel van een “aanbod” tot of “aanvaarding” van de gestelde betalingsafspraak, aansluitend bij de door [eiser] voorgestane te mechanische opvatting over de totstandkoming van een overeenkomst. Zie ook onder 3.5.1-3.5.3, 3.10.1-3.10.3 en 3.11.1-3.11.3 hiervoor.
sub btot vertrekpunt neemt. Daarbij wreekt zich vooreerst dat het subonderdeel miskent wat het hof in totaliteit overweegt in rov. 3.18-3.25, wat dus niet beperkt is tot “het zonder commentaar en op verzoek van [verweerster] opsturen van die aantekeningen”. Zie mede onder 3.11.1-3.11.3 hiervoor. Daarbij wreekt zich verder dat
sub (i)deelt in het lot van de subonderdelen 1.5-1.6, die falen. Zie onder 3.14-3.17.11 hiervoor. Dat
sub (ii)voorbijziet aan wat het hof overweegt in rov. 3.20, waaruit mede volgt dat het bij die gesprekaantekeningen “gaat om een tussen partijen besproken financiële uitwerking van de eerder [in rov. 3.19, A-G] genoemde scenario’s - op basis van door [verweerster] opgevoerde cijfers -,” waarbij [eiser 4] zelf een boetebedrag heeft doorgestreept en een bedrag van € 40.000 van het saldo heeft afgetrokken. En dat
sub (iii) [49] ten onrechte negeert dat het hof diens onder 3.15.3 hiervoor bedoelde oordeel, erop neerkomend dat [verweerster] uit dat samenstel van [eiser 4] ’s verklaringen en gedragingen mocht afleiden dat laatstgenoemde voor [eiser] akkoord ging met genoemde betalingsafspraak, niet louter baseert op rov. 3.19 althans de daarin bedoelde “verslaglegging”.
sub (i). De daarin bedoelde stelling van [eiser] ziet het hof niet over het hoofd, blijkens rov. 3.23 van het arrest. Het hof hoefde daarop evenwel niet nader in te gaan, nu het gemotiveerd onder meer vaststelt dat in werkelijkheid inderdaad is gesproken over de vraag wat zou moeten gebeuren als de verzekeraars niet zouden betalen (zie rov. 3.22), oftewel scenario B (zie ook rov. 3.19-3.21). Dat [eiser 4] in zijn verklaring vaag blijft over zijn eigen aantekeningen, dat hij ten onrechte beweert dat niet is gesproken over wat er zou gebeuren als de verzekering niet zou betalen en dat hij niet duidelijk heeft kunnen maken waarom hij zijn aantekeningen daarover - met een scherp omkaderd eindbedrag bij scenario B - op verzoek en zonder nader commentaar of voorbehoud aan [verweerster] heeft gestuurd (zie rov. 3.24). Alsmede dat “ [eiser 4] zich (…) in de gesprekken met [verweerster] wel degelijk bereid heeft getoond in de kosten bij te dragen (scenario B)” (zie rov. 3.25). Wat volgens het hof mede relevant is voor de context waarin dat op verzoek en zonder commentaar toesturen van de gespreksaantekeningen moeten worden bezien. Dit een en ander is zo feitelijk als het feitelijk kan zijn en niet onbegrijpelijk.
sub (ii). Vooropgesteld: het hof stelt nergens in het arrest vast dat [eiser 4] met het opsturen van de gespreksaantekeningen “de intentie heeft gehad” daaromtrent een overeenkomst aan te gaan. Het hof oordeelt juist in rov. 3.20 dat “niet doorslaggevend [is]” of [eiser 4] zelf de bedoeling had de onderhavige betalingsafspraak te bevestigen, nu [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [verweerster] de toezending van zijn notities (toch) niet als een bevestiging van de gemaakte afspraken mocht beschouwen. In zoverre strandt het subonderdeel dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Voor het overige loopt sub (ii) vast in het voetspoor van sub (i). Zie onder 3.25.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
geenen dus al helemaal geen
definitieveconclusies zijn verbonden aan de bespreking van de verschillende scenario’s. Uit die verklaring kan dan ook niet worden afgeleid, noch kan die bijdragen aan het oordeel, dat een overeenkomst tot betaling van € 183.510 is gesloten.
sub (i)te berde wordt gebracht, doet niet eraan af dat de door het hof in zijn beoordeling betrokken (getuigen)verklaringen - waaronder die van [verweerster in persoon van betrokkene 1] - konden
bijdragenaan het bewijs van de betalingsafspraak, gelijk het hof dus oordeelt in rov. 3.18-3.25. Voor zover specifiek wordt bedoeld dat de getuigenverklaring van [verweerster in persoon van betrokkene 1] daaraan niet kan bijdragen, wordt niet duidelijk gemaakt waarom. [53] Bovendien is het niet zo, anders dan het subonderdeel hier suggereert, dat er geen overlap is tussen laatstgenoemde getuigenverklaring en andere (getuigen)verklaringen. Zo wordt ook door getuige [betrokkene 2] bevestigd dat inderdaad is gesproken over de vraag wat zou moeten gebeuren als de verzekeraars niet zouden betalen, in welk verband [betrokkene 2] spreekt van de tweede optie (zie rov. 3.21-3.22). Zie ook onder 3.15.5 hiervoor.
sub (iv)wordt aangesneden. Dat het daarin gedane beroep op sub (i)-(iii) (“in het licht van het voorgaande”, etc.) geen hout snijdt, volgt uit 3.27.3-3.27.5 hiervoor. Verder geldt dat (a) [betrokkene 2] verklaring dat in het gesprek aan de som van € 183.510 “geen conclusies” zijn verbonden, die het hof onderkent (rov. 3.22 en 3.25), naar de aard kan samengaan met (b) ’s hofs vaststelling dat [betrokkene 2] in diens getuigenverklaring “niet spreekt over een afwijzende reactie van [eiser 4] op de in dit kader [scenario B, A-G] gemaakte berekeningen”. Dit sub (a)-(b) zit elkaar niet zonder méér in de weg. Daarbij zij nog opgemerkt dat het hof in het arrest dus nergens oordeelt (ook niet impliciet) dat
tijdens het gesprekeen betalingsafspraak tot stand is gekomen. Het hof komt tot het onder 3.15.3 hiervoor bedoelde oordeel dat [verweerster] uit dat samenstel van [eiser 4] ’s verklaringen en gedragingen mocht afleiden dat laatstgenoemde voor [eiser] akkoord ging met genoemde betalingsafspraak. Het is alleszins begrijpelijk dat het hof daarbij onder meer betekenis toekent aan dit sub (b), niettegenstaande dit sub (a).
sub (i). Dit ziet vooreerst voorbij aan wat het hof bedoelt in rov. 3.24 van het arrest, met de overweging dat [eiser 4] in zijn in rov. 3.23 geciteerde verklaring “vaag blijft over zijn eigen aantekeningen”. Uit dit citaat blijkt immers dat [eiser 4] , nadat hij heeft opgemerkt “[i]k heb eigenlijk opgeschreven dat ik het financiële gat waar [verweerster] het over had, niet begreep” [55] en [eiser 4] vervolgens productie 13 bij de inleidende dagvaarding zijdens [verweerster] is voorgehouden, [56] ontwijkend blijft in zijn reactie op wat deze gespreksaantekeningen nu eigenlijk concreet betekenen en benadrukt wat [verweerster in persoon van betrokkene 1] zou hebben geroepen. Al gaat het hier dus om [eiser 4] ’s “eigen aantekeningen”. Dát onderkent het hof met die overweging in rov. 3.24, wat geenszins onbegrijpelijk is. Zo verklaart [eiser 4] “niet heel expliciet” te kunnen vertellen over hetgeen hem specifiek wordt voorgehouden inzake “A”, want hij schreef op “wat [verweerster] in emotie riep”. [57] Hetzelfde geldt voor wat hem specifiek wordt voorgehouden inzake “B”: “Ik herhaal dat ik heb aangetekend wat er werd gezegd, meer niet.” Gevraagd naar het bedrag van € 40.000 merkt [eiser 4] niet meer op dan dat dit volgens hem (“volgens mij”) ziet op de lening die “wij” aan [verweerster] hadden verstrekt. En dat dit bedrag door [eiser 4] is opgenomen in zijn aantekeningen, omdat er “een bedrag van de beweerde schade [werd] genoemd” (kennelijk door [verweerster in persoon van betrokkene 1] ) en [eiser 4] “op zeker moment” heeft gezegd “dat alle bekende bedragen moesten worden meegenomen”. Verder miskent sub (i) dat de daarin bedoelde verklaring van [eiser 4] niet “strookt” met de getuigenverklaring van [betrokkene 2] , naar reeds volgt uit 3.27.4-3.27.5 hiervoor.
sub (ii). De daarin bedoelde onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet zich in werkelijkheid evenmin voor. Want het hof bedoelt met de betreffende overweging in rov. 3.24 (dat [eiser 4] “ten onrechte beweert dat niet is gesproken over wat er zou gebeuren als de verzekering niet zou betalen”, dus over scenario B) dat [eiser 4] aldus beweert dat scenario B in het geheel geen onderwerp van gesprek is geweest, dus op generlei wijze. Wat meeromvattend is dan dat enkel niet is besproken welke afspraken partijen in dat geval hadden, dus wat voor wiens rekening kwam ingeval de verzekering niet zou betalen. Deze uitleg laat zich rijmen met [eiser 4] ’s in rov. 3.23 geciteerde verklaring. Daarin staat immers, kort gezegd, dat [eiser 4] heeft genoteerd wat er door [verweerster in persoon van betrokkene 1] in emotie werd geroepen (aan bedragen, en wat er dan zou moeten worden afgerekend en al was afgerekend, ook in een ander project). Dat [eiser 4] eigenlijk heeft opgeschreven dat hij het financiële gat waarover [verweerster in persoon van betrokkene 1] het had, niet begreep. Dat “[w]e [niet] hebben gesproken over wat er zou gebeuren als de verzekering niet zou betalen.” Dat [eiser 4] niet expliciet kan vertellen over hetgeen hem specifiek wordt voorgehouden inzake “A” en “B”. [58] En iets over het bedrag van € 40.000, waarover onder 3.29.1 hiervoor. Aan deze uitleg staat niet in de weg wat het hof overweegt in rov. 3.19. Dit ziet immers op de verslaglegging van de gesprekken, die laat zien dat wel is gesproken over scenario B (en onderstreept dat [eiser 4] in genoemde verklaring ten onrechte dus het tegendeel verklaart). Aan deze uitleg staat evenmin in de weg wat het hof overweegt in rov. 3.22. Dit ziet immers op de getuigenverklaring van [betrokkene 2] , die met zoveel woorden heeft bevestigd dat is gesproken over de “tweede optie” (dus scenario B), oftewel “wat moet er gebeuren als de verzekeraars niet betalen”? Zie onder 3.15.5 hiervoor.
sub (iii). Dit miskent dat uit hetgeen het subonderdeel hier aanvoert nog niet volgt
waarom[eiser 4] de gespreksaantekeningen op verzoek en zonder nader commentaar of voorbehoud aan [verweerster in persoon van betrokkene 1] heeft gestuurd. Het hof heeft klaarblijkelijk een antwoord willen krijgen op die waaromvraag, daarbij betrekkend dat de gespreksaantekeningen “een scherp omkaderd eindbedrag bij scenario B” bevatten. Met andere woorden:
waaromhechtte [verweerster] aan het ontvangen van die gespreksaantekeningen, en
waaromzond [eiser 4] ze vervolgens zonder nader commentaar of voorbehoud toe? Het hof heeft blijkens rov. 3.24 geen naar zijn oordeel overtuigend antwoord kunnen vinden in [eiser 4] ’s verklaringen, ook niet ter zitting bij het hof waarop sub (iii) doelt. [59] Dat is verre van onbegrijpelijk.
sub a.
sub b.
sub c.
Inleidende opmerkingen
In conventie
Grief VI: De transscriptie is door [verweerster] te laat in het geding gebracht. De rechtbank overweegt dat zij dit laat meewegen bij de bewijswaardering. Uit het vonnis volgt dat dit uitgangspunt geen gevolgen heeft gehad voor [verweerster] . Uit de transscriptie volgt namelijk überhaupt niet dat er afspraken zijn gemaakt tussen [eiseres 1] en [verweerster] over betalingen die [eiseres 1] aan [verweerster] zou doen. De inhoud van de transcriptie is dus niet relevant voor de vraag of [eiseres 1] verwachtingen heeft gewekt over het doen van betalingen.
Mr. s’Jacob[advocaat van [eiser] , A-G] (…)
(…)
De transcriptie is geen letterlijke vertaling van het bandje. Er zijn hele zinnen weggelaten. De transcriptie is uit de context gehaald. Een toezegging volgt niet uit de transcriptie of uit de aantekeningen. Partijen waren met elkaar bevriend. Het enige dat [eiseres 1] deed, was met [verweerster] meedenken en vragen stellen. Ze doen niet de toezegging de kosten voor hun rekening te nemen. [eiser 4] zegt dit ook in de transcriptie.”
"Wat echter onvoldoende aannemelijk is, is dat daarbij (voor dat tweede scenario) ook afspraken zijn gemaakt die de overeenkomsten inhouden die zijn bedoeld in de bewijsopdracht. (...) Daarmee rijst minstens de vraag of die fout en de vertraging wel zijn verwerkt in scenario B zoals dat is opgenomen in productie 13 bij dagvaarding.”” [69]
Terug naar het subonderdeel
sub (i). Dit bouwt in wezen voort op subonderdeel 2.2, dat faalt. Zie onder 3.42-3.42.2 hiervoor. Sub (i) ziet eraan voorbij dat het hof (met name in rov. 3.18-3.25 van het arrest) wel degelijk op voldoende kenbare wijze oordeelt dat, en op basis waarvan, per saldo [verweerster] uit de onderhavige verklaringen en gedragingen van [eiser 4] in redelijkheid mocht afleiden, gelijk zij deed en gesteld heeft in de onderhavige procedure (zie reeds rov. 3.9-3.17), dat [eiser 4] zichzelf en [de vennootschappen] (dus: [eiser] ) tot genoemde betalingsafspraak verbond. Zie mede onder 3.10.1-3.10.3, 3.11.1-3.11.3 en 3.42.2 hiervoor.
sub (ii). Dat het hof in rov. 3.21 ervan uitgaat dat [verweerster in persoon van betrokkene 1] in diens getuigenverklaring met “ [eiseres 1] ” doelde op [eiser] , zette ik al uiteen onder 3.11.2 hiervoor. Dat deze uitleg door het hof geenszins onbegrijpelijk is, volgt niet alleen uit die duiding van rov. 3.21 onder 3.11.2 hiervoor. Want dit strookt bijvoorbeeld ook met hetgeen [verweerster in persoon van betrokkene 1] heeft opgemerkt ter mondelinge behandeling in hoger beroep als bedoeld onder 3.13.3 en 3.41.2 hiervoor. En met het verdere processuele debat als bedoeld onder 3.41.1-3.41.4 hiervoor. Waaraan bijvoorbeeld valt toe te volgen het volgende uit de akte na enquête zijdens [verweerster] , waarin (p. 1) [eiser] wordt aangeduid als: “hierna: ‘ [eiseres 1] ’”:
Verklaring van [verweerster]
“Maar als die verzekeringsmaatschappij niet betaalt dan moeten we een b-scenario maken”. En even later:
“Wat ben ik dan aan je kwijt?”. Nog iets later zegt [eiser 4] tegen [verweerster] :
“Maar ik heb het niet in één keer contant liggen. En dan vind ik niet dat ik 100% verantwoordelijk ben voor b en we hebben het nu over a. Je moet een b-scenario maken”. [81]
sub (iii). Dit loopt reeds erop vast dat het subonderdeel hier niet wijst op een stelling van [eiser] in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats, als bedoeld in sub (iii). Welke stelling ik overigens evenmin ben tegengekomen in het procesdossier. Ten overvloede wijs ik verder erop dat het hof in rov. 2.10 van het arrest slechts vaststelt dat op 29 september 2016 en op 8 of 9 december 2016 “ [eiseres 1] betalingen van elk € 20.000 aan [verweerster] [heeft] gedaan”. En dat het hof, gezien ook het processuele debat als bedoeld onder 3.41.1-3.41.4 en 3.44.2 hiervoor, daaruit niet afleidt noch behoefde af te leiden in rov. 3.18-3.25 of elders in het arrest wat sub (iii) ervan maakt.
sub (iv). [82] Dit stuit reeds af op hetgeen ik uiteenzette onder 3.42.2 hiervoor, wat geen verdere toelichting behoeft. Opmerking daarbij verdient overigens nog wel dat het subonderdeel hier niet wijst op een stelling van [eiser] in hoger beroep, laat staan met vindplaats, dat de passages in de memorie van grieven zijdens [verweerster] waarop sub (iv) doelt “niet verduidelijken welke (rechts)persoon dan partij zou zijn bij de betalingsafspraak”.
sub (i). Wat op de daarin genoemde vindplaatsen [83] te lezen valt, houdt geen kenbaar verband met hetgeen [verweerster] heeft gevorderd met de onderhavige, meer subsidiaire vordering inzake de betalingsafspraak - dus op een contractuele basis - waarop het hof doelt in rov. 3.9-3.25 van het arrest. Wel met de te onderscheiden problematiek rond de “technische omschrijvingen” en beweerd onrechtmatig handelen van [eiser] , waarop het hof ingaat in rov. 3.3-3.8 in het kader van de primaire en subsidiaire vorderingen van [verweerster] op grond van onrechtmatig handelen van [eiser] Bovendien volgt uit wat op die vindplaatsen te lezen valt, voor zover dit al gaat om stellingen van [eiser] , [84] niet zonder méér dat een of meer van [de vennootschappen] “evenmin bij de betalingsafspraak betrokken kunnen zijn”. Daarbij valt het volgende te bedenken.
sub (ii). Dit doet louter een beroep op een passage in de conclusie van antwoord zijdens [eiser] (nr. 105), waarin ter zake niet meer te lezen valt dan het volgende:
In reconventie
fair hearing” als uitgangspunt gevolg moet geven. Daaraan doet niet af of dit deel van het procesdossier al dan niet van invloed is geweest op de gegeven eindbeslissing, dan wel of het hof zijn oordeel al dan niet op dit deel stuk heeft gebaseerd.
Inleidende opmerkingen
volledig beschikkenover (afschriften van) het procesdossier. [102] Alle procesdeelnemers moeten dat te gepasten tijde kunnen, met schaarse uitzonderingen. [103] Dit staat om te beginnen in het teken van hoor en wederhoor (art. 19 Rv Pro, art. 6 lid 1 EVRM Pro). [104] De mogelijkheid om kennis te nemen van het procesdossier en op stukken te reageren dient het vertrouwen dat rechtzoekenden moeten kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak. [105] Met de deugdelijkheid van de rechtspraak is m.i. ook gemoeid dat de rechter volledig beschikt over het procesdossier, zodat deze zich daartoe ook moeite moet getroosten. [106]
tegelijkertijdhet in Bijlage VII vermelde aantal kopieën van het volledige procesdossier, inclusief de stukken van de eerste aanleg, met inachtneming van de vereisten van artikel 2.8.
binnen de termijn die daarbij door het hof is bepaaldhet in Bijlage VII vermelde aantal kopieën van het volledige procesdossier, inclusief de stukken van de eerste aanleg, met inachtneming van de vereisten van artikel 2.8” [109] [onderstreping toegevoegd, A-G].
voor zover het verzoekschriftprocedures betreftertoe strekt zeker te stellen dat de rechter zich adequaat op de mondelinge behandeling kan voorbereiden. Het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven ademt, zo bleek, dezelfde geest, ook al dwingt de wet daar dus niet toe waar het gaat om dagvaardingsprocedures. [115] Het is nuttig als behandelend raadsheren partijen over alle relevante stukken kunnen bevragen, waaronder de stukken uit eerste aanleg. Het is ook nuttig als partijen in staat zijn om (mede naar aanleiding van vragen) hun standpunten aan de hand van die stukken naar voren te brengen, stellingen te concretiseren en te onderbouwen, enzovoort. De meerwaarde van een
mondelingeinteractie ten overstaan van de raadsheren die zullen beslissen, waarop [eiser] terecht wijst, [116] behoeft hier geen toelichting. [117]
oral hearing). [119] Ik heb in de Straatsburgse rechtspraak niet kunnen ontdekken dat indien de rechter tijdens de mondelinge behandeling nog niet beschikt over alle stukken, dus het volledige procesdossier, (zonder méér) recht zou bestaan op een
aanvullendemondelinge behandeling zodra de rechter wel beschikt over alle stukken. [120] Wel wordt in de Nederlandse rechtspraak tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM Pro aangenomen dat indien na de mondelinge behandeling nog bewijsverrichtingen hebben plaatsgevonden, partijen recht hebben op het geven van een aanvullende mondelinge toelichting. [121] Maar het alsnog volledig overleggen van het procesdossier is per definitie geen bewijsverrichting. Het procesdossier bestaat immers uit gegevens die al zijn overgelegd. Zie ook onder 3.54.1 hiervoor.
equality of arms), [122] sprake zijn van schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro indien een procespartij haar standpunt op een bepaald punt niet (zinvol) ter mondelinge behandeling heeft kunnen toelichten aan de hand van stukken uit het procesdossier die pas later voor de rechter beschikbaar komen. Maar dat hangt toch af van, vooral, de aard van de stelling en van het stuk waarop zij zich beroept, alsmede de relevantie van dat punt en de beoordeling door de rechter van dat standpunt, naast de overige omstandigheden van het geval. Zo is evident ontoereikend voor het aannemen van zo’n schending dat die mondelinge behandeling mede is gelast met het oog op het inwinnen van inlichtingen. Wat niet anders wordt indien een bepaling als art. 4.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (dertiende versie van februari 2022) van toepassing is, waarover onder 3.54.2-3.54.5 hiervoor.
altijdten koste van nóg meer informatiegaring, toelichting, concretisering, uitwerking, onderbouwing, tegenspraak, enzovoort. Er zal tegen deze achtergrond van schaarste van zowel informatie als tijd een optimaal moment voor afronding van de procedure moeten worden bepaald. [124] Het EHRM laat volgens bestendige rechtspraak dan ook met zo veel woorden toe dat de staat (en de rechter) rekening houdt met “
d’impératifs d’efficacité et d’économie”. [125]
moetworden gelast, ook niet in beginsel. Ik wijs daarbij nogmaals op art. 20 lid 1 Rv Pro, dat de rechter opdraagt ambtshalve te waken tegen een onredelijke vertraging van de procedure. Ik wijs er ook op dat rechtspraak uit publieke middelen wordt gefinancierd en dat onder andere dit gegeven verklaart waarom de rechter de regie heeft over welke stappen (nog) worden gezet in de procedure, waarbij de wensen van partijen niet bepalend zijn. Zie verder onder 3.54.7 hiervoor. Iets anders is dat de rechter aan zo’n (naar mijn appreciatie tamelijk zeldzame) consensus tussen partijen over een aanvullende mondelinge behandeling niet al te gemakkelijk stilzwijgend voorbij zal kunnen gaan.
Terug naar de subonderdelen
subonderdeel 3.3.
subonderdeel 3.4.
subonderdeel 3.5.
Dit laatste mede omdat met de geldvordering van [eiser] in de vordering van [verweerster] al rekening is gehouden” [onderstreping toegevoegd, A-G].