AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late indiening en procedurele fouten
De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld door de politierechter voor mishandeling. De dagvaarding was niet persoonlijk betekend en de mededeling van het vonnis werd niet tijdig aan de verdachte uitgereikt. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het pas na de wettelijke termijn van veertien dagen was ingesteld, gerekend vanaf de datum waarop de mededeling uitspraak aan de verdachte bekend werd geacht.
De advocaat-generaal stelde dat het onderzoek ter terechtzitting nietig was omdat de verdachte niet werd ondervraagd en niet het recht kreeg als laatste het woord te voeren, zoals voorgeschreven in de wet. Ook betwistte hij de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Beide klachten werden gegrond bevonden.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof ten onrechte aannam dat de akte van uitreiking voldoende duidelijkheid gaf over de datum en inhoud van de mededeling uitspraak. Hierdoor kon de termijn voor het instellen van hoger beroep niet correct worden vastgesteld. Tevens werden de procesvoorschriften betreffende de ondervraging en het laatste woord van de verdachte niet nageleefd, wat leidt tot nietigheid van het onderzoek.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij de procedurele rechten van de verdachte in acht moeten worden genomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04273
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 1 november 2023 door het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Namens de verdachte heeft S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat in Arnhem , één middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, omdat het hof tijdens het onderzoek ter terechtzitting de verdachte niet heeft ondervraagd en ook niet het recht heeft gelaten om als laatste het woord te voeren. De tweede klacht komt op tegen s’hofs beslissing om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
Het bestreden arrest en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
4. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft het hof in het arrest het volgende overwogen:
“ Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, omdat dit niet is ingesteld binnen veertien dagen nadat de mededeling uitspraak aan hem was betekend.
De raadsman had de mededeling uitspraak noch de akte van uitreiking gezien en heeft verzocht om verdachte ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep indien daaruit niet mocht blijken dat in de uitgereikte stukken duidelijk is vermeld op welke datum verdachte voor welk feit tot welke straf is veroordeeld en tevens dat verdachte veertien dagen de tijd had om in hoger beroep te gaan.
De dagvaarding in eerste aanleg is niet in persoon betekend en de politierechter heeft een verstekvonnis gewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 408 vanPro het Wetboek van Strafvordering kon verdachte daarom hoger beroep instellen tot veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordeed waaruit voortvloeit dat de uitspraak verdachte bekend was.
In het dossier bevindt zich een mededeling uitspraak van 22 juni 2021 en een op 28 juli 2021 bij het parket ingekomen akte van uitreiking waaruit blijkt dat die mededeling uitspraak niet is uitgereikt. Het dossier bevat verder een mededeling uitspraak van 3 augustus 2021 en een akte van uitreiking waarin is opgenomen dat op 8 september 2021 een uitreiking aan verdachte heeft plaatsgevonden in de zaak met parketnummer 05-120929-20, te weten de onderhavige zaak. In deze akte van uitreiking is niet vermeld wat is uitgereikt.
Gelet op het bovenstaande en de overzichtelijkheid van het dossier, kan er naar het oordeel van het hof geen twijfel over bestaan dat het de mededeling uitspraak van 3 augustus 2021 is geweest die op 8 september 2021 aan verdachte is uitgereikt. In deze mededeling uitspraak is opgenomen dat verdachte op 15 juni 2021 door de politierechter te Arnhem tot een taakstraf van 24 uren subsidiair 12 dagen hechtenis is veroordeeld voor mishandeling gepleegd op 14 januari 2020. Ook is in deze mededeling uitspraak aangegeven dat verdachte, indien hij niet ter terechtzitting aanwezig was en niet van tevoren op de hoogte was van de zittingsdatum, binnen veertien dagen nadat de mededeling uitspraak aan hem is betekend hoger beroep kan instellen.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de termijn van veertien dagen waarbinnen verdachte hoger beroep kon instellen op 8 september 2021 is gaan lopen. Mr. H. Hadzic heeft op 23 mei 2023 namens verdachte hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is daarmee pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen ingesteld. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.”
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 november 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
[…]
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
De voorzitter deelt mede dat om te beginnen de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde zal komen.
De advocaat-generaal verzoekt verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, omdat dit te laat is ingesteld.
De raadsman deelt mee dat hij de mededeling uitspraak noch de akte van uitreiking heeft
gezien en verzoekt om verdachte ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, indien daaruit niet mocht blijken dat in de uitgereikte stukken duidelijk is vermeld op welke datum verdachte voor welk feit tot welke straf is veroordeeld en tevens dat verdachte veertien dagen de tijd had om in hoger beroep te gaan.
De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad.
Na hervatting van de zitting sluit de voorzitter het onderzoek en deelt mee dat direct uitspraak, wordt gedaan.
De voorzitter spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.”
De stukken van het geding
6. Uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden en hier van belang, blijkt het volgende:
- in eerste aanleg is een aantal keer op verschillende adressen ( [a-straat 1] te [plaats] en [b-straat 1] te [plaats] ) vergeefs getracht de dagvaarding met parketnummer 05-120929-20 aan de verdachte in persoon te betekenen om op 15 juni 2021 om 10:00 uur bij de politierechter te Arnhem te verschijnen;
- er zijn in dat verband vier aktes van uitreiking die betrekking hebben op dat parketnummer en de persoon van de verdachte. Deze aktes bevatten een wisselende inhoud. Zo staat (a) op de akte van uitreiking d.d. 9 april 2021 vermeld dat de geadresseerde “niet (meer) woont op het vermelde adres”, dat wil zeggen [a-straat 1] te [plaats] , en dat er twee pogingen tot uitreiking waren gedaan, te weten op 25 maart 2021 en op 1 april 2021. Op (b) de akte van uitreiking d.d. 11 mei 2021 is aangekruist dat de geadresseerde bij de GBA op het bovengenoemde adres (te weten [a-straat 1] te [plaats] ) stond ingeschreven “op de dag van de eerste aanbieding en 5 dagen daarna”. De (c) akte van uitreiking d.d. 11 mei 2021 vermeldt dat de geadresseerde bij de GBA stond ingeschreven op het bovengenoemde adres ( [b-straat 1] te [plaats] ) “op de dag van de eerste aanbieding en 5 dagen daarna”. En (d) de akte van uitreiking d.d. 19 juli 2021 bevat als inhoud dat op 2 juli 2021 op het adres [a-straat 1] te [plaats] niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen;
- de aantekening mondeling vonnis van 15 juni 2021 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem , houdt onder meer in dat de verdachte toen in de onderhavige zaak bij verstek is veroordeeld;
- er is een aan de verdachte, wonende op het adres [a-straat 1] te [plaats] , gerichte ‘Mededeling Uitspraak’ d.d. 22 juni 2021, waarin het parketnummer 05-120929-20 en de bij vonnis van 15 juni 2021 door de politierechter opgelegde straf worden vermeld, alsook de mededeling dat binnen veertien dagen nadat de mededeling uitspraak aan de verdachte is betekend hoger beroep kan worden ingesteld. Uit de op 28 juli 2021 bij het parket ingekomen akte van uitreiking blijkt dat deze ‘Mededeling Uitspraak’ niet aan de verdachte is uitgereikt;
- daarnaast is er een aan de verdachte op [a-straat 1] te [plaats] geadresseerde ‘Mededeling Uitspraak’ d.d. 3 augustus 2021, waarvan de inhoud verder identiek is aan de vorengenoemde ’Mededeling Uitspraak’ van 22 juni 2021;
- voorts vermeldt een handmatig ingevulde ‘Akte van uitreiking’: de datum ”08/09/21”; de naam van de uitreikende verbalisant/inrichtingsmedewerker; de personalia van de verdachte; het adres [a-straat 1] [plaats] ; het parketnummer 05-120929-20; de mededeling dat “de betrokkene” niet wil tekenen, maar dat “de betrokkene” zich wel heeft gelegitimeerd met een identiteitskaart (waarbij handgeschreven het nummer wordt vermeld);
- een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 23 mei 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 15 juni 2021, met vermelding van het meergenoemde parketnummer.
De bespreking van het middel
7. Ik begin met het bespreken van de tweede klacht. Uit de voorhanden stukken van het geding blijkt allereerst dat de inleidende dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg niet aan de verdachte in persoon is betekend en dat de verdachte door de politierechter bij verstek is veroordeeld. Het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 15 juni 2021. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld op 23 mei 2023. De ‘Mededeling Uitspraak’ van 22 juni 2021 is, zo blijkt uit een akte van uitreiking, niet aan de verdachte uitgereikt. Een akte van uitreiking die duidelijk hoort bij de ‘Mededeling Uitspraak’ van 3 augustus 2021 ontbreekt in het onderhavige dossier.
8. Volgens het hof kan er echter geen twijfel over bestaan dat het de ‘Mededeling Uitspraak’ van 3 augustus 2021 is waarop de akte van uitreiking d.d. “08/09/21” betrekking heeft. Ik zie dat anders. In deze akte is weliswaar het parketnummer opgenomen, maar niet wordt daarin tot uitdrukking gebracht wát is uitgereikt. Het hof baseert zich evenwel voor zijn aanname op “het bovenstaande” (in de overwegingen van het hof onder het hoofdje “Ontvankelijkheid van het hoger beroep”) en “de overzichtelijkheid van het dossier”. Wat met dit een en ander precies wordt bedoeld, wordt door het hof niet geëxpliciteerd. In de overwegingen van het hof ligt vervolgens als zijn oordeel besloten dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in art. 408 lid 2 SvPro, in die zin dat de verdachte reeds op 8 september 2021 met het onderhavige, op 15 juni 2021 uitgesproken, vonnis van de politierechter bekend is geworden.
9. Ik meen dat de gevolgtrekking die het hof in dit verband heeft gemaakt, niet strookt met de hier toepasselijke rechtspraak van de Hoge Raad, nog daargelaten de vraag of het dossier inderdaad zo overzichtelijk is als het hof meent. Volgens de Hoge Raad is van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’ immers sprake indien de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). [1] De enkele vermelding van het parketnummer en de persoonsgegevens van de verdachte op de akte van uitreiking, terwijl niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt en er evenmin een ‘mededeling uitspraak’ aan die akte is gehecht, is onvoldoende. [2]
10. In het licht van deze rechtspraak is de tweede klacht, die berust op de vaststelling dat uit de akte van uitreiking waarnaar het hof verwijst niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt, terecht voorgesteld. Of de akte van uitreiking een mededeling vonnis betreft, blijkt niet uit deze akte van uitreiking. Dat het dossier naar het oordeel van het hof overzichtelijk is, doet daaraan niet af. Het met de tweede klacht bestreden oordeel van het hof, is mijns inziens dan ook niet zonder meer begrijpelijk.
11. Ook de eerste klacht slaagt, voor zover daarmee in het licht van de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de voorschriften van art. 311 ledenPro 1 en 4 Sv en art. 422 lid 1 SvPro (alle in verbinding met art. 415 lid 1 SvPro) niet zijn nageleefd, nu de verdachte niet is ondervraagd en niet het recht is gelaten het laatst te spreken. Het recht op het laatste woord is de verdachte op straffe van nietigheid gegeven in art. 311 lid 4 SvPro in verbinding met art. 415 lid 1 SvPro en waarborgt dat de verdachte als laatste de gelegenheid krijgt nog aan te voeren wat dienstig kan zijn voor de beoordeling van de zaak. [3] Dit brengt mee dat de klacht voor het overige geen bespreking meer behoeft.
Slotsom
12. Het cassatiemiddel slaagt in beide onderdelen.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.