Conclusie
Nummer23/04369
Inleiding
Bewezenverklaring en bewijsvoering
1Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 juli 2020, proces-verbaalnummer: AH-014-001, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Fryslan, onderzoek Riley, proces-verbaalnummer: 2020034029, d.d. 13 juli 2020, inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verbalisant 1] , inspecteur werkzaam bij Eenheid Noord-Nederland:
Oordeel hof
tijdensde door verdachte gegeven zwemles onder water is geraakt en is verdronken. Het alternatieve scenario, zoals geschetst door de verdediging, acht het hof niet aannemelijk geworden.
gedachtdat [slachtoffer] misschien terug zou zijn gegaan naar het bad.
De schending van de zorgplicht door verdachte
‘Tijdens de les waren er een stuk of vijf kinderen die steeds in het water bij mij in de buurt waren. Die kinderen hou je dan in de peiling’. Verdachte heeft tijdens de les dus niet onderkend dat ze verantwoordelijk was voor alle kinderen van groep rood die zich op dat moment in het instructiebad bevonden en niet enkel voor de kinderen die naar haar toe kwamen. Aldus heeft het kunnen gebeuren dat [slachtoffer] uit het zicht is geraakt.
‘Het klopt dat je tijdens een les ook wel een kind individueel helpt: dan ben je inderdaad op dat moment heel gericht bezig met één kind. Het is waar dat je dan op zo'n moment geen totaaloverzicht hebt (..)’.
De causaliteitsvraag
De mate van schuld
De cassatiemiddelen en de bespreking daarvan
gedeelde zorgplichtbestond ten aanzien van de kinderen van ‘groep rood’ (de groep waartoe [slachtoffer] behoorde); de zorgplicht zou niet alleen op de verdachte hebben gerust, maar ook op haar collega, de medeverdachte [badmeester 1] . Bovendien zou het hof hebben miskend dat deze gezamenlijke zorgplicht zich verzet tegen het bewezen achten van aanmerkelijke schuld bij (uitsluitend) de verdachte. In dat verband wordt voorts aangevoerd dat het hof heeft verzuimd in zijn overwegingen over de mate van schuld te betrekken dat deze groep ‘rood’ werd opgesplitst tijdens de les waarbij een deel van de kinderen naar de verdachte ging, en een ander deel naar de medeverdachte [badmeester 1] . Het buiten beschouwing laten van die gezamenlijke zorgplicht door het hof laat, aldus de steller van het middel, “de mogelijkheid open dat verzoekster het onder water geraken van [slachtoffer] niet heeft geregistreerd als een mogelijk fataal onder water geraken, omdat zij wist en ervan uit mocht gaan dat hij zich onder de hoede van collega [badmeester 1] bevond”.
voortdurendtoezicht,
gedurendede zwemles in het water in een zeer risicovolle situatie terecht zou kunnen komen (mijn cursiveringen, A-G). Uit de bewijsmiddelen volgt voldoende duidelijk dat de verdachte zich gedurende een bepaalde tijdsduur (de zwemles) bewust was van deze factoren en ook van het gevaar waartoe dat zou kunnen leiden, dan wel zich daarvan bewust behoorde te zijn.
Slotsom