Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
Op 21 en 22 januari 2013 zijn vader en zoon overleden aan koolmonoxidevergiftiging in een recreatiewoning te Zeewolde. De installatie van een hoog rendement gaswandketel en de rookgasafvoer, uitgevoerd door verdachte en zijn medeverdachte, werd onderzocht als mogelijke oorzaak. De rechtbank veroordeelde verdachte voor dood door schuld, maar het hof sprak beide vrij omdat het causaal verband ontbrak.
De Hoge Raad herhaalt dat de feitenrechter binnen zijn beoordelingsvrijheid het bewijs en de toerekening van het overlijden mag beoordelen. Het hof heeft geoordeeld dat het overlijden niet redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de gedragingen van verdachte, mede omdat onvoldoende bewijs bestaat dat de installatiefouten daadwerkelijk het losraken van de rookgasafvoer en daarmee de koolmonoxidevergiftiging hebben veroorzaakt.
Hoewel verdachte fouten heeft gemaakt zoals het niet lezen van de handleiding, het gebruik van een ongeschikte gasanalysemeter, en het onjuist installeren van de rookgasafvoer, is niet bewezen dat deze gedragingen het overlijden hebben veroorzaakt of het risico daarop in relevante mate hebben verhoogd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vrijspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken van causaal verband tussen zijn gedragingen en het overlijden door koolmonoxidevergiftiging.