Conclusie
1.Inleiding en overzicht
de kostendie in rekening zijn gebracht
bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
gemeenschappelijke bijlage(de Bijlage).
Het Hofheeft verworpen de standpunten van belanghebbende (i) dat dit bedrag onverbindend is omdat het maximumbedrag van € 65,30 voor het jaar 2021
open dus niet vóór 1 september 2020 is bekendgemaakt in de Staatscourant, en (ii) dat de kostenberekening niet strookt met de voorschriften in art. 2 Besluit Pro gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb).
vier cassatiemiddelenvoorgesteld.
eerste middel) De omstandigheid dat het maximumbedrag voor het jaar 2021
open dus niet vóór 1 september 2020 is bekendgemaakt in de Staatscourant brengt niet mee dat dit bedrag niet geldt voor het jaar 2021 (4.1-4.2).
tweede middel) De kosten van de parkeerautomaten zijn voor 50% in aanmerking genomen bij de kostenberekening. De verwerping door het Hof van de klachten daartegen houdt in cassatie stand. Het oordeel van het Hof dat die kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (4.3-4.5). Verder gaat belanghebbende ten onrechte uit van de opvatting dat art. 2(1) Bgpb het afzonderlijke vereiste bevat dat “de kosten moeten zijn gemaakt ter zake het opleggen van de naheffingsaanslag” (4.7). Belanghebbende komt bovendien tevergeefs op tegen de impliciete verwerping door het Hof van de stelling dat de kosten voor een te hoog percentage in aanmerking zijn genomen. Gegeven dat er voldoende samenhang is met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, stond het de gemeente vrij om de kosten geheel of gedeeltelijk in aanmerking te nemen; de woorden ‘voor zover’ in art. 2(1) Bgpb staan daaraan niet in de weg (4.9).
mutatis mutandisdezelfde redenen (4.11).
derde middel) Het middel verwijt het Hof dat het bij zijn oordeel over de overheadkosten is uitgegaan van een onjuiste lezing van de beroepsgrond, maar het middel verzuimt te vermelden uit welke passages in welke gedingstukken de gestelde juiste lezing volgt. Gelet op het proces-verbaal is ‘s Hofs lezing bovendien geenszins onbegrijpelijk (4.12).
vierde middel) Bij de kostenberekening is uitgegaan van het geraamde aantal
inbarenaheffingsaanslagen in de deler. Belanghebbende betoogt terecht dat deze berekeningswijze niet kan worden gesanctioneerd op grond van de opvatting dat voor de geraamde baten kan worden uitgegaan van netto-baten; art. 2 Bgpb Pro geeft immers geen regels over de baten (4.14). Dat neemt niet weg dat de berekeningswijze geoorloofd is, waarbij ik een uitleg van art. 2(2) Bgpb conform doel en strekking voorsta (4.15).
vooropstellinghet juridisch kader uiteen te zetten voor de beoordeling of een in een belastingverordening opgenomen bedrag aan kosten naheffing is vastgesteld conform de regels van art. 2 Bgpb Pro. Naast duidelijkheid over (a) hoe de aanhef van art. 2 Bgpb Pro moet worden uitgelegd (en dan in het bijzonder de passage “de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen”), is naar mijn indruk de rechtspraktijk in het bijzonder gebaat bij duidelijkheid over (b) de bewijslastverdeling en (c) de gevolgen van overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet.
ongegrond.
2.Uitgangspunten in cassatie en oordeel Hof
Uitgangspunten in cassatie
open dus niet vóór 1 september 2020 is bekendgemaakt in de Staatscourant, zoals art. 3(2) Bgpb voorschrijft, en (ii) of de kostenberekening door gemeente Den Haag wel strookt met de voorschriften voor de kostenberekening in art. 2 Bgpb Pro.
3.Het geding in cassatie
eerstecassatiemiddel richt zich tegen het in rov. 5.10 gegeven oordeel. Het Hof heeft art. 3(2) Bgpb onjuist toegepast, omdat tijdige bekendmaking wel degelijk als een eis geldt.
tweedecassatiemiddel komt met diverse klachten op tegen het oordeel van het Hof in rov. 5.11 over de kosten van parkeerautomaten.
derdecassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het Hof in rov 5.12 over de overheadkosten. Belanghebbende stelt dat het oordeel van het Hof is gebaseerd op een onjuiste lezing van de door hem aangevoerde beroepsgrond. Anders dan het Hof suggereert is niet gesteld dat moet worden uitgegaan van het percentage in de Programmabegroting, maar dat het – gelet op het in deze begroting opgenomen (aanzienlijk) lagere percentage (33%) – onwaarschijnlijk is dat de gemeenteraad terecht van een percentage van 50% mocht uitgaan.
vierdecassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het Hof in rov. 5.12 dat bij de berekening mag worden uitgegaan van de netto-baten van de opgelegde naheffingsaanslagen. Met dit oordeel is art. 2(2) Bgpb onjuist toegepast, omdat het gaat om de op te leggen naheffingsaanslagen en niet de baten.
4.Beoordeling van de middelen
Eerste cassatiemiddel
open dus niet vóór 1 september 2020 is bekendgemaakt in de Staatscourant, brengt niet mee dat dit bedrag niet geldt voor het jaar 2021.
mutatis mutandisook voor de kosten van de parkeerapp. Ik merk overigens op dat het Hof in rov. 5.11 niet met zoveel woorden een oordeel heeft geveld over die kosten, maar dat ik ervan uitga dat het oordeel daarop ook ziet. Ik neem daarbij in aanmerking dat belanghebbende voor het Hof ook erover heeft geklaagd dat 70% van de kosten van de parkeerapp in aanmerking zijn genomen bij de berekening van het bedrag aan kostenverhaal. [11]
inbarenaheffingsaanslagen betreft. Dat is, naar mijn indruk, ook het uitgangspunt van belanghebbende bij het vierde cassatiemiddel. Kern daarvan is namelijk de opvatting dat art. 2(2) Bgpb “niet aldus kan worden geïnterpreteerd dat de totale kosten mogen worden gedeeld door slechts het aantal inbare naheffingsaanslagen”. [13]