Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
de rechtbank) op 10 april 2024, heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz Pro te verlenen voor de duur van zes maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg:
primairop het standpunt stelt dat de stoornis niet vaststaat en daartoe mede verwijst naar een verklaring van de POH GGZ-ondersteuner (hierna:
de praktijkondersteuner). [4] In die namens betrokkene overgelegde verklaring schrijft de praktijkondersteuner onder meer:
subsidiairverzocht daarom het verzoek aan te houden ten behoeve van benoeming van een deskundige voor onderzoek naar de stoornis. [7] Ook heeft de advocaat tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet dat de genoemde nadelen niet aan de orde zijn. [8]
de beschikking) is schriftelijk uitgewerkt op 22 april 2024. [9] De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor een tijdvak van zes maanden, voor de in 2.1 genoemde vormen van zorg.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
met voldoende zekerheid” is vastgesteld. [10] Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek van de officier van justitie ten grondslag liggende stukken. De rechter is niet gebonden aan het oordeel van de onafhankelijk psychiater, [11] maar kan daar uiteraard groot gewicht aan toekennen als dat oordeel is gegeven in overeenstemming met de voorschriften van de Wvggz. De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg zoals vermeld in art. 3:3 en Pro 3:4 Wvggz. Indien betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht. [12]
1.1op de verklaring van de praktijkondersteuner van 15 april 2024. Ter toelichting wordt gesteld dat dit informatie betreft van een deskundige die betrokkene op regelmatige basis spreekt en dus veel beter op de hoogte is van haar situatie dan bijvoorbeeld de regiebehandelaar.
1.3op “
wat verder in het proces-verbaal staat”.
1.4ter toelichting op onderdeel I aan de orde gesteld: “
Waar gaat het hier over?” Ik citeer dit gedeelte van de procesinleiding:
Zelf hecht ik wel geloof aan wat [betrokkene] mij vertelt over wat haar is aangedaan. Haar huidige toestandsbeeld wijt ik dan ook voor een gedeelte aan haar reactie op het niet gehoord/geloofd worden)is hier naar de mening van verzoekster ook cruciaal.
het niets doen door de politie” zou betekenen dat betrokkene een waan heeft en dit ligt ook niet in de gegeven beoordeling besloten. De rechtbank stoelt het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een waanstoornis met name op de bevindingen van de onafhankelijke psychiater en op de nadere toelichting van de regiebehandelaar. Ik constateer dat de onafhankelijke psychiater onder ogen heeft gezien dat betrokkene gerechtigdheid wil na het onrecht dat haar zou zijn aangedaan door haar ex-vriend, de politie en haar behandelaren, [16] en dat hij als symptomen van waan die betrokkene vertoont onder meer beschouwt de achterdocht van betrokkene naar zijn intenties en de veronderstelling van betrokkene dat zorgverleners en politie met elkaar tegen haar samenspannen. [17] Ook de rechtbank heeft acht geslagen op de kwestie met de politie en de voormalige vriend van betrokkene. Dat is namelijk waarop wordt gedoeld met “
wat in het verleden is gebeurd” [18] en met “
haar zoektocht naar gerechtigheid”. [19] De rechtbank heeft hierin – m.i. niet onbegrijpelijk – geen aanleiding gezien voor een verregaande relativering van de bevindingen van de onafhankelijke psychiater.
uit alle stukken” zou blijken (nr. 1.4, tweede alinea), valt in het licht van de gedingstukken wel het een en ander af te dingen (zie de bespreking van onderdeel II hierna). Wat daarvan ook zij, het bestaan van een stoornis sluit niet uit dat iemand wel goed functioneert op bepaalde terreinen. Weliswaar vereist art. 3:3 Wvggz Pro een oorzakelijk verband tussen de psychische stoornis en ernstig nadeel, maar dat betekent niet dat een stoornis het functioneren van de geestvermogens in alle opzichten of op elk ogenblik zou moeten betreffen. [20] Wat betreft “
de mening van de praktijkondersteuner” geldt dat uit de beschikking blijkt dat de rechtbank die mening onder ogen heeft gezien [21] maar die mening tegen de achtergrond van de bevindingen van de onafhankelijke psychiater en de nadere toelichting van de regiebehandelaar anders waardeert dan betrokkene doet. Onbegrijpelijk acht ik dat niet.
2.1wordt bestreden dat sprake zou zijn van levensgevaar omdat dit nergens uit zou blijken. Het gegeven dat betrokkene ooit wel eens gezegd heeft dat ze een eind aan haar leven maakt als ze haar huis kwijtraakt, betekent nog niet dat er sprake is van levensgevaar. Uit het proces-verbaal volgt dat betrokkene zelf duidelijk heeft gemaakt dat ze het alleen maar ‘toen’ zo gezegd heeft. Er zal meer moeten zijn om levensgevaar aan te nemen dan een opmerking die gemaakt wordt omdat niemand kennelijk kijkt wat er feitelijk moet gebeuren voor haar, aldus het middel.
het aanzienlijk risico oplevensgevaar (in de zin van: een aanzienlijke kans dat dit ernstig nadeel zich zal voordoen [26] ). Nu daar niet tegen wordt opgekomen is het de vraag of bij deze klacht belang bestaat.
onder meerrichting de hulpverlening als zij haar woning zou verliezen. Het gaat hier klaarblijkelijk om meerdere suïcidale uitingen van betrokkene. Zo heeft de regiebehandelaar ter zitting verklaard: [27]
2.2wordt geklaagd dat uit niets blijkt dat de financiële problematiek uit een stoornis voortvloeit.
2.3de maatschappelijke teloorgang. Geklaagd wordt dat uit de beschikking niet blijkt waar de rechtbank dit uit heeft gehaald. Verwezen wordt naar de verklaring van de praktijkondersteuner dat betrokkene uitstekend functioneert in haar drie banen en in haar relaties met collega’s en het hechte groepje vrienden en haar tante. Daaruit kan geen maatschappelijke teloorgang worden afgeleid. In dat kader verwijst het middel naar een bijdrage uit 2008 in het Tijdschrift voor Psychiatrie. [31]
2.4richt het onderdeel de pijlen op de overweging van de rechtbank in rov. 2.3, vierde bolletje, (geciteerd in 3.18) dat het risico op ernstig nadeel ook is gelegen in het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag. Ik citeer het middel:
2.5tot slot werpt de procesinleiding op dat geen sprake is van psychiatrische problematiek. De problematiek die hier speelt hoort niet thuis in de psychiatrie, maar bij hulpverleningsinstanties die zich daarop specialiseren. Het feit dat betrokkene erkent dat ze hulp nodig heeft, betekent niet dat ze hulp nodig heeft in verband met een psychische stoornis en daaruit voortvloeiend ernstig nadeel, dat zij hulp nodig heeft met problemen die niets met een stoornis te maken hebben. Er is dan ook geen reden de hulpvraag in de psychiatrie neer te leggen, aldus de steller van het middel.