ECLI:NL:PHR:2024:1127

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
24/02770
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 WvggzArt. 8:9 WvggzArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling zorgmachtiging bij psychische stoornis en ernstig nadeel onder Wvggz

De rechtbank Gelderland heeft op 17 april 2024 een zorgmachtiging verleend aan betrokkene voor zes maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De machtiging omvat verplichte medicatie, bewegingsbeperkingen, beperkingen in het eigen leven inrichten en opname in een accommodatie. De rechtbank baseerde haar oordeel op een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater die een psychische stoornis in de vorm van een waanstoornis vaststelde, mogelijk veroorzaakt door niet-aangeboren hersenletsel. Het gedrag van betrokkene leidt tot ernstig nadeel of een aanzienlijk risico daarop, waaronder suïcidaliteit, financiële problemen en maatschappelijke teloorgang.

Betrokkene stelde in cassatie dat de psychische stoornis niet voldoende was vastgesteld en dat een deskundige benoemd had moeten worden. Ook werd betwist dat het ernstig nadeel bestond. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank terecht gewicht heeft toegekend aan de medische verklaring en de toelichting van de regiebehandelaar, en dat het bestaan van de stoornis en het ernstig nadeel voldoende gemotiveerd zijn. De klachten over het ontbreken van een deskundigenonderzoek en de motivering van het ernstig nadeel faalden. De Hoge Raad bevestigt dat de zorgmachtiging proportioneel en noodzakelijk is, en dat de rechter niet gebonden is aan het oordeel van de praktijkondersteuner.

De Hoge Raad concludeert dat de zorgmachtiging rechtmatig is verleend en dat de klachten van betrokkene niet slagen. De beschikking blijft in stand en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging voor zes maanden blijft van kracht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02770
Zitting25 oktober 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Gelderland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding

In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. Betrokkene richt cassatieklachten tegen zowel het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis (meer specifiek: een waanstoornis) als tegen het oordeel dat het gedrag dat uit die stoornis voortvloeit leidt tot het bestaan van ernstig nadeel of het aanzienlijk risico daarop. Ik meen dat die klachten geen doel treffen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift ingekomen bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna:
de rechtbank) op 10 april 2024, heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz Pro te verlenen voor de duur van zes maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten; en
- het opnemen in een accommodatie.
2.2
Bij het verzoekschrift zijn onder meer overgelegd:
- een medische verklaring van 3 april 2024, opgesteld door een niet bij de behandeling betrokken psychiater;
- het zorgplan van 3 april 2024, opgesteld door de zorgverantwoordelijke; en
- de bevindingen van 5 april 2024 van de geneesheer-directeur.
2.3
In de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater [1] staat in rubriek 4 dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis, met als (vermoedelijke) diagnose een waanstoornis, mogelijk geluxeerd door een niet-aangeboren hersenletsel problematiek. De onafhankelijke psychiater vermeldt onder de symptomen die betrokkene vertoont:
“Betrokkene toont zich achterdochtig naar de intenties van onderzoeker. Ze vertrouwt er niet op dat onderzoeker onafhankelijk is, ze veronderstelt dat iedereen (zorgverleners en politie) met elkaar samenspannen tegen haar. Om die reden wil ze ons niet binnen laten, ze wil ons alleen aan de deur spreken. Ze ervaart veel onrecht wat haar aangedaan wordt. Ze wil niet in gesprek over de zorgmachtiging of haar zorgwensen, ook het mogelijk verlies van haar woning wil ze niet bespreken. In plaats daarvan komt zij herhaaldelijk terug op haar paranoïde overtuigingen en daar vanuit haar aanklachten tegen politie en haar behandelaren. Het blijkt niet mogelijk om tot een wederzijds gesprek te komen. Zij lijkt enkel in staat om te zenden over de gedachten waarmee zij gepreoccupeerd lijkt te zijn.”
Naar het oordeel van de onafhankelijke psychiater (rubriek 6) vloeit uit het gedrag van betrokkene als gevolg van haar psychische stoornis (een aanzienlijk risico op) ernstig nadeel voort, bestaande uit:
“1. Betrokkene dreigt ernstig sociaal maatschappelijk te verwaarlozen waarbij zij financieel schulden heeft en er nu ook een uithuiszetting dreigt wanneer zij zich niet aan voorwaarden houdt.
2. Suïcidaliteit als gevolg van de problemen zoals bij punt 1 omschreven.
3. Vanuit haar waanovertuigingen beschuldig[t] zij mensen en instanties. Hierbij loopt zij het risico op agressie van een ander of nadelige consequenties.”
De onafhankelijk psychiater is op grond van de volgende symptomen, gedragingen en feiten tot zijn oordeel betreffende het ernstig nadeel gekomen:
“1. Betrokkene heeft schulden gemaakt waardoor zij haar huur niet meer kan betalen en er een uithuiszetting dreigt. Dit is te voorkomen door zich te conformeren aan gestelde voorwaarden. Zij gaat echter niet adequaat om met de gestelde voorwaarden waarmee er dus een uithuiszetting dreigt. Zij lijkt niet in staat om na te denken over haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan doordat haar denken volledig in beslag wordt genomen door de paranoïde waan.
2. Betrokkene uit zich regelmatig suïcidaal wanneer de realiteit zich toch aandient, zoals het verlies van haar woning. Zij heeft aangegeven weinig meer te hebben om voor te leven. Echter, in haar huidige toestand lukt het ook niet om iets op te bouwen om weer voor te gaan leven.
3. Betrokkene is veroordeeld voor stalking en er zijn meerdere contacten met politie geweest in verband met grensoverschrijdend gedrag en frequente meldingen/aangiften bij politie voortkomend uit haar paranoïde overtuigingen.”
Het is nodig om zorg te verlenen en er zijn geen mogelijkheden om de noodzakelijke zorg op vrijwillige basis te verlenen, nu reeds uitgebreid geprobeerd is om een behandelrelatie op te bouwen met betrokkene door zowel medewerkers van [A] als politiemedewerkers. Dat is niet gelukt. Betrokkene blijft zorg weigeren en daarmee persisteert het ernstig dreigend nadeel, aldus de onafhankelijk psychiater in rubriek 7 van zijn medische verklaring.
2.4
De geneesheer-directeur schrijft in zijn bevindingen [2] dat duidelijk sprake is van een vastgelopen situatie voor betrokkene met ernstig nadeel in het verschiet als ze zich daarmee niet laat helpen. De weerstand komt voort uit een waanstoornis die niet behandeld wordt. Het is onduidelijk in welke doelmatigheid een behandeling zal uitmonden, maar het dient geprobeerd te worden.
2.5
De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie mondeling behandeld op 16 april 2024. Gehoord zijn: betrokkene en haar advocaat, haar tante, een regiebehandelaar, en een andere verpleegkundige. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. [3]
2.6
Uit het proces-verbaal volgt dat de advocaat van betrokkene zich
primairop het standpunt stelt dat de stoornis niet vaststaat en daartoe mede verwijst naar een verklaring van de POH GGZ-ondersteuner (hierna:
de praktijkondersteuner). [4] In die namens betrokkene overgelegde verklaring schrijft de praktijkondersteuner onder meer:
“[Betrokkene] heeft een hecht groepje vrienden, die er voor haar zijn, om zich heen. Ook heeft ze veel steun aan haar tante [de tante van betrokkene].
Met andere woorden ik heb gesprekken in de breedte van het mens zijn. In mijn beleving is daarvoor wellicht te weinig oog geweest de afgelopen periode.
Van haar schulden en het mogelijk verlies van haar huis is ze zich terdege bewust. Ook deze onderwerpen komen regelmatig ter sprake.
Zelf hecht ik wel geloof aan wat [betrokkene] mij vertelt over wat haar is aangedaan. Haar huidige toestandsbeeld wijt ik dan ook voor een gedeelte aan haar reactie op het niet gehoord/ geloofd worden.”
2.7
De advocaat werpt ook de vraag op wat de waan is, nu sprake zou zijn van een waanstoornis. [5] Betrokkene is wellicht obsessief, maar dat is nog geen waan. [6] De advocaat heeft
subsidiairverzocht daarom het verzoek aan te houden ten behoeve van benoeming van een deskundige voor onderzoek naar de stoornis. [7] Ook heeft de advocaat tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet dat de genoemde nadelen niet aan de orde zijn. [8]
2.8
De dag na de zitting, op 17 april 2024, heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. De beschikking (hierna:
de beschikking) is schriftelijk uitgewerkt op 22 april 2024. [9] De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor een tijdvak van zes maanden, voor de in 2.1 genoemde vormen van zorg.
2.9
De rechtbank oordeelt dat voldoende is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een waanstoornis, mogelijk voortkomend uit niet aangeboden hersenletsel (rov. 2.1). Omdat voldoende vaststaat dat er een stoornis is, wordt afgewezen het subsidiaire verzoek om aanhouding ten behoeve van de benoeming van een deskundige voor onderzoek naar de stoornis (rov. 2.2). Het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel, gelegen in: levensgevaar, ernstige financiële schade, maatschappelijke teloorgang en het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag (rov. 2.3). Betrokkene heeft zorg nodig om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen (rov. 2.4). Voor passende zorg op vrijwillige basis zijn er geen mogelijkheden en verplichte zorg is nodig, waarbij de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg en de daarbij aangegeven duur noodzakelijk zijn (rov. 2.5) en er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben. Wel benadrukt de rechtbank dat het uitgangspunt van de machtiging ambulante behandeling is en voor zover dat nodig zou zijn, enkel een zo kort mogelijke opname (rov. 2.6). De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief (rov. 2.7). Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz en verleent de rechtbank de zorgmachtiging voor de verzochte duur van zes maanden (rov. 2.8).
2.1
Namens betrokkene is op 17 juli 2024 – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen, die zijn gericht tegen de - feitelijke - oordelen van de rechtbank (1) dat sprake is van een psychische stoornis en (2) dat een (aanzienlijk risico op) ernstig nadeel bestaat.
Onderdeel I
3.2
Onderdeel I richt zich tegen rov. 2.1, waarin de rechtbank als volgt overweegt:
“2.1 Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is voldoende gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een waanstoornis mogelijk voortkomend uit niet aangeboren hersenletsel. De advocaat heeft primair naar voren gebracht dat de waanstoornis niet vaststaat en dat daarom het verzoek moet worden afgewezen. De advocaat erkent dat betrokkene wellicht obsessief bezig is met wat in het verleden is gebeurd, maar dat is nog geen waan. Dit vindt volgens de advocaat steun in de overgelegde verklaring van de praktijkondersteuner. De rechtbank stelt vast dat de waanstoornis is vastgesteld door de onafhankelijke psychiater en de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze diagnose, gelet ook op de nadere toelichting van de regiebehandelaar. De regiebehandelaar heeft toegelicht dat het (obsessieve) gedrag van betrokkene voortvloeit uit een waan die mogelijk te maken heeft met de op zich vaststaande stoornis van het niet aangeboren hersenletsel. De rechtbank is van oordeel dat daarnaast voldoende is toegelicht dat er sprake is van een waan. Betrokkene is dermate vasthoudend in haar zoektocht naar gerechtigheid dat haar leven daar geheel op is gericht, terwijl zij onder meer nijpende financiële problemen heeft waar zij niet aan toekomt.”
3.3
Het onderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn, daar waar het betreft (1) de vraag of er sprake is van een psychische stoornis en (2) het verzoek om een deskundige te benoemen om die vraag te beantwoorden. De klachten worden in vieren toegelicht.
3.4
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop. De rechter kan een zorgmachtiging enkel afgeven indien de psychische stoornis “
met voldoende zekerheid” is vastgesteld. [10] Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek van de officier van justitie ten grondslag liggende stukken. De rechter is niet gebonden aan het oordeel van de onafhankelijk psychiater, [11] maar kan daar uiteraard groot gewicht aan toekennen als dat oordeel is gegeven in overeenstemming met de voorschriften van de Wvggz. De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg zoals vermeld in art. 3:3 en Pro 3:4 Wvggz. Indien betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht. [12]
3.5
Mede tegen deze achtergrond kan het eerste onderdeel niet slagen. Ik licht dat toe.
3.6
Het middel wijst in nr.
1.1op de verklaring van de praktijkondersteuner van 15 april 2024. Ter toelichting wordt gesteld dat dit informatie betreft van een deskundige die betrokkene op regelmatige basis spreekt en dus veel beter op de hoogte is van haar situatie dan bijvoorbeeld de regiebehandelaar.
3.7
Ik constateer dat de rechtbank de verklaring van de praktijkondersteuner onder ogen heeft gezien [13] en in de beschikking tot uitdrukking brengt dat deze verklaring onvoldoende gewicht in de schaal legt tegenover de vaststellingen door de onafhankelijke psychiater en de toelichting van de regiebehandelaar. Dat de rechtbank aan de verklaring van de praktijkondersteuner een andere waarde toekent dan het cassatiemiddel, maakt nog niet dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is.
3.8
In nr.
1.2wordt gewezen op de uitlatingen ter zitting van de tante van de betrokkene: [14]
“Ja, ik wil wel wat zeggen. Ik ben het niet eens met opname. Het gaat goed op haar werk, en ze heeft er plezier in. Wat betreft haar financiën daar moeten we meer inzicht in krijgen en dan kunnen we haar ondersteunen. Er ligt loonbeslag. Opname werkt contraproductief.”
3.9
Ik zie niet goed in waarom deze uitlatingen zouden leiden tot onbegrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis, ook niet indien daarbij wordt betrokken dat uit de verklaring van de praktijkondersteuner blijkt dat betrokkene veel steun heeft aan deze tante en deze betrokkene kennelijk goed kent.
3.1
Ter toelichting op onderdeel I wijst het middel in nr.
1.3op “
wat verder in het proces-verbaal staat”.
3.11
Dit punt kan niet tot cassatie leiden, nu de toelichting in het middel is beperkt tot de enkele weergave van zeventien uitlatingen van betrokkene, de regiebehandelaar, de rechter en de advocaat van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling. Het middel laat na duidelijk te maken waarom precies het aangevallen oordeel in het licht van deze uitlatingen tekortschiet.
3.12
Tot slot wordt in nr.
1.4ter toelichting op onderdeel I aan de orde gesteld: “
Waar gaat het hier over?” Ik citeer dit gedeelte van de procesinleiding:
“Soms is het uitermate moeilijk om een aangifte te doen bij de politie.
Hebben de personen die haar bedreigen gelijk? Zoals zij waarschijnlijk uitgebreid aan de politie hebben doen geloven of hebben zij dat niet en kan verzoekster gewoon niet op tegen wat er met haar gebeurd is de afgelopen jaren.
De reklassering schrijft in het rapport van 14 februari 2022 dat verzoekster zich aan het contactverbod houdt en dat als de wederpartij in de buurt van haar is ze een berichtje stuurt naar de reklassering en de politie.
Met andere woorden: verzoekster doet precies wat er van haar verwacht wordt en kennelijk wordt er met de benadering door de wederpartij ondanks signalering niets gedaan.
Betekent het niets doen door de politie dat zij een waan heeft?
De psychiatrie doet niet aan waarheidsvinding zegt de regiebehandelaar, maar dat betekent niet dat er sprake is van een waan.
Waarom de rechtbank dat wel aanneemt en weigert een deskundige te benoemen voor onderzoek naar die stoornis, is naar de mening van verzoekster onbegrijpelijk.
Zij functioneert uitstekend, dat blijkt uit alle stukken, in haar werk, met haar collega’s en haar vrienden. Haar tante is belangrijk. Uit het proces-verbaal blijkt dat die zich met haar financiële problematiek gaat bemoeien. [15]
De mening van de praktijkondersteuner over de achterliggende problematiek (
Zelf hecht ik wel geloof aan wat [betrokkene] mij vertelt over wat haar is aangedaan. Haar huidige toestandsbeeld wijt ik dan ook voor een gedeelte aan haar reactie op het niet gehoord/geloofd worden)is hier naar de mening van verzoekster ook cruciaal.
Als de politie geen onderzoek wil doen, is een zorgmachtiging voor het slachtoffer geen oplossing.
Gelet op die gegevens was het minste wat de rechtbank had kunnen doen een deskundige benoemen om te kijken of er sprake is van een stoornis. Het gaat hier wel om een beslissing waar artikel 5 lid 1 aanhef Pro en onder e EVRM van toepassing is en daarbij een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro moet worden gegarandeerd. De keuze van de rechtbank om een psychische stoornis aan te nemen in de vorm van een waanstoornis is naar de mening van verzoekster in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
Het minste wat van de rechtbank verwacht had kunnen worden is dat er een deskundige benoemd zou zijn om zich uit te laten over de vraag of er sprake van een psychisch[e] stoornis is. Reden voor vernietiging van de bestreden beschikking.”
3.13
Voor zover de eerste alinea met afsluitende retorische vraag als klacht zou moeten worden opgevat, ontbreekt daarvoor de feitelijke grondslag in de bestreden beschikking. De rechtbank heeft niet overwogen dat “
het niets doen door de politie” zou betekenen dat betrokkene een waan heeft en dit ligt ook niet in de gegeven beoordeling besloten. De rechtbank stoelt het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een waanstoornis met name op de bevindingen van de onafhankelijke psychiater en op de nadere toelichting van de regiebehandelaar. Ik constateer dat de onafhankelijke psychiater onder ogen heeft gezien dat betrokkene gerechtigdheid wil na het onrecht dat haar zou zijn aangedaan door haar ex-vriend, de politie en haar behandelaren, [16] en dat hij als symptomen van waan die betrokkene vertoont onder meer beschouwt de achterdocht van betrokkene naar zijn intenties en de veronderstelling van betrokkene dat zorgverleners en politie met elkaar tegen haar samenspannen. [17] Ook de rechtbank heeft acht geslagen op de kwestie met de politie en de voormalige vriend van betrokkene. Dat is namelijk waarop wordt gedoeld met “
wat in het verleden is gebeurd [18] en met “
haar zoektocht naar gerechtigheid”. [19] De rechtbank heeft hierin – m.i. niet onbegrijpelijk – geen aanleiding gezien voor een verregaande relativering van de bevindingen van de onafhankelijke psychiater.
3.14
Op de stelling in cassatie dat betrokkene uitstekend zou functioneren, zoals “
uit alle stukken” zou blijken (nr. 1.4, tweede alinea), valt in het licht van de gedingstukken wel het een en ander af te dingen (zie de bespreking van onderdeel II hierna). Wat daarvan ook zij, het bestaan van een stoornis sluit niet uit dat iemand wel goed functioneert op bepaalde terreinen. Weliswaar vereist art. 3:3 Wvggz Pro een oorzakelijk verband tussen de psychische stoornis en ernstig nadeel, maar dat betekent niet dat een stoornis het functioneren van de geestvermogens in alle opzichten of op elk ogenblik zou moeten betreffen. [20] Wat betreft “
de mening van de praktijkondersteuner” geldt dat uit de beschikking blijkt dat de rechtbank die mening onder ogen heeft gezien [21] maar die mening tegen de achtergrond van de bevindingen van de onafhankelijke psychiater en de nadere toelichting van de regiebehandelaar anders waardeert dan betrokkene doet. Onbegrijpelijk acht ik dat niet.
3.15
Evenmin komt het mij onbegrijpelijk voor dat de rechtbank heeft beslist om geen deskundige te benoemen, anders dan namens betrokkene subsidiair is verzocht. [22] De rechtbank is immers van oordeel dat voldoende vaststaat dat sprake is van een psychische stoornis. Mijns inziens blijft dat oordeel in stand, zoals uit het voorgaande volgt. Daarmee is gegeven dat geen aanleiding bestond om een deskundige te benoemen. Dat is ook wat de rechtbank overweegt. [23]
3.16
Volledigheidshalve wijs ik erop dat de rechtbank hieraan nog toevoegt dat nader onderzoek naar de oorzaak en aard van de stoornis kan plaatsvinden binnen het kader van de zorgmachtiging. [24] Dat lijkt mij juist: onduidelijkheid over de psychiatrische kwalificatie, over de oorzaken van de psychische stoornis en over de behandeling hoeft niet aan verlening van een zorgmachtiging niet in de weg te staan. [25] Verder herinner ik eraan dat de verlening van een zorgmachtiging als zodanig niet impliceert dat de daarin genoemde vormen van verplichte zorg automatisch, direct en tot het einde van de duur van de zorgmachtiging worden toegepast (zie ook de bestreden beschikking, rov. 2.6). Ter uitvoering van een verleende zorgmachtiging dient de zorgverantwoordelijke over het (gaan) verlenen van een vorm van verplichte zorg apart een beslissing te nemen (art. 8:9 Wvggz Pro).
3.17
De klachten uit onderdeel I slagen niet.
Onderdeel II
3.18
Onderdeel II richt zich op rov. 2.3, waarin de rechtbank oordeelt dat het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot het bestaan van ernstig nadeel (of het aanzienlijk risico daarop). De rechtbank overweegt als volgt:
“2.3 Het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel, gelegen in:
o levensgevaar;
o ernstige financiële schade;
o maatschappelijke teloorgang;
o het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
Het bestaan of aanzienlijk risico op deze nadelen acht de rechtbank voldoende aangetoond. Betrokkene heeft zich suïcidaal geuit onder meer richting de hulpverlening als zij haar woning zou verliezen. Dat risico bestaat omdat betrokkene forse schulden heeft waardoor zij haar huur niet kan betalen en er een reële kans bestaat dat zij haar woning uit moet.
De woningbouwvereniging heeft haar een laatste kans gegeven. Verder is betrokkene obsessief bezig met gerechtigheid van het fietsongeluk dat haar in 2019 is overkomen zonder dat zij daarin valt bij te sturen. Gelet op hetgeen de advocaat naar voren heeft gebracht is geen sprake van zelfverwaarlozing en verstoorde ontwikkeling.”
3.19
Het middel klaagt dat deze overwegingen met betrekking tot verondersteld ernstig nadeel niet juist zijn, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. De klachten worden toegelicht onder vijf tussenkopjes, te weten de vier door de rechtbank aangenomen verschijningsvormen van ernstig nadeel (nrs. 2.1-2.4) en het kopje ‘Geen psychiatrische problematiek’ (nr. 2.5).
3.2
In nr.
2.1wordt bestreden dat sprake zou zijn van levensgevaar omdat dit nergens uit zou blijken. Het gegeven dat betrokkene ooit wel eens gezegd heeft dat ze een eind aan haar leven maakt als ze haar huis kwijtraakt, betekent nog niet dat er sprake is van levensgevaar. Uit het proces-verbaal volgt dat betrokkene zelf duidelijk heeft gemaakt dat ze het alleen maar ‘toen’ zo gezegd heeft. Er zal meer moeten zijn om levensgevaar aan te nemen dan een opmerking die gemaakt wordt omdat niemand kennelijk kijkt wat er feitelijk moet gebeuren voor haar, aldus het middel.
3.21
Deze klacht slaagt niet. De rechtbank heeft haar beslissing, ook wat betreft het mogelijke levensgevaar, niet beperkt tot het daadwerkelijk bestaan daarvan. Het gaat namelijk ook om
het aanzienlijk risico oplevensgevaar (in de zin van: een aanzienlijke kans dat dit ernstig nadeel zich zal voordoen [26] ). Nu daar niet tegen wordt opgekomen is het de vraag of bij deze klacht belang bestaat.
3.22
Ook los hiervan faalt de klacht, nu het middel ten onrechte veronderstelt dat de rechtbank dit element enkel baseert op een eenmalige uitlating van betrokkene. Dat is echter niet het geval: de rechtbank overweegt dat betrokkene zich suïcidaal heeft geuit
onder meerrichting de hulpverlening als zij haar woning zou verliezen. Het gaat hier klaarblijkelijk om meerdere suïcidale uitingen van betrokkene. Zo heeft de regiebehandelaar ter zitting verklaard: [27]
“Wat betreft de nadelen: ik zie levensgevaar vanwege die suïcide-uiting. Die uitspraak heeft ze niet alleen naar ons gedaan, maar naar meerdere mensen op verschillende momenten.”
Ook valt te wijzen op het zorgplan/behandelplan waarin de zorgverantwoordelijke vermeldt dat betrokkene meerdere malen heeft aangegeven dat ze zichzelf van het leven berooft op het moment dat zij haar huis kwijtraakt. [28] In het kader van de overweging wel/geen zorgmachtiging valt aldaar te lezen dat indachtig het suïcidegevaar toch gekozen is om een zorgmachtiging aan te vragen. [29]
3.23
In nr.
2.2wordt geklaagd dat uit niets blijkt dat de financiële problematiek uit een stoornis voortvloeit.
3.24
Deze klacht faalt. Dat de financiële problemen van betrokkene (waarvan het bestaan in cassatie niet wordt bestreden) in causaal verband staan met haar psychische stoornis, komt aan de orde in de medische verklaring. De onafhankelijke psychiater beschrijft daar – in het kader van de schuldensituatie en de dreigende uithuiszetting – dat betrokkene niet in staat lijkt om na te denken over haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan, doordat het denken van betrokkene volledig in beslag wordt genomen door de paranoïde waan. [30]
3.25
Het onderdeel betreft in nr.
2.3de maatschappelijke teloorgang. Geklaagd wordt dat uit de beschikking niet blijkt waar de rechtbank dit uit heeft gehaald. Verwezen wordt naar de verklaring van de praktijkondersteuner dat betrokkene uitstekend functioneert in haar drie banen en in haar relaties met collega’s en het hechte groepje vrienden en haar tante. Daaruit kan geen maatschappelijke teloorgang worden afgeleid. In dat kader verwijst het middel naar een bijdrage uit 2008 in het Tijdschrift voor Psychiatrie. [31]
3.26
Hoewel de rechtbank inderdaad niet expliciteert waaruit precies blijkt dat sprake is van het aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor zover dat is gelegen in maatschappelijke teloorgang, is ook zonder nadere motivering voldoende duidelijk – bezien in samenhang met het procesdossier – dat de rechtbank doelt op de dreigende uithuiszetting van betrokkene.
3.27
Zo volgt uit de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater, die maatschappelijke teloorgang in dit geval beschouwt als de belangrijkste categorie van ernstig nadeel, [32] onder meer (zie 2.3 hiervoor) dat betrokkene ernstig sociaal maatschappelijk dreigt te verwaarlozen en schulden heeft gemaakt waardoor een uithuiszetting dreigt.
3.28
Zie ook de slotopmerkingen van de onafhankelijk psychiater: [33]
“Betrokkene geeft nauwelijks blijk van inzicht in de gevolgen van haar eigen handelen op het behoud van haar woning, haar financiële situatie en sociale relaties. (…)”
3.29
Daarnaast verwijs ik naar het zorgplan: [34]
Rubriek 3.a, Probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke
“(…) Door achterstallige betalingen van onder andere de huur is er een uithuiszettingsprocedure gestart, waarbij in een laatste gesprek afspraken zijn gemaakt als allerlaatste kans. Hierin was het van zeer groot belang dat mevrouw de stap zou zetten naar bewindvoering of schuldsanering, echter lukt haar dit ook met hulp niet.
(...)”
Rubriek 5.a, Welk gedrag dat voortvloeit uit de psychische stoornis leidt tot (dreigend) ernstig nadeel?
“[Betrokkene] heeft geen eigen inzicht in haar gedrag en verliest zichzelf in de strijd met de instanties om haar ex uiteindelijk veroordeeld te krijgen. Dit zorgt ervoor dat ze minder goed voor zichzelf zorgt en haar woning kwijt raakt. Ondanks dat ze een mogelijkheid aangeboden heeft gekregen om deze woning te behouden, lukt het haar niet om deze mogelijkheid aan te pakken. (…)”
Rubriek 5.b, Wat is het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene of diens omgeving?
“Het lukt [betrokkene] niet om de stappen te nemen om te voorkomen dat ze op straat wordt gezet en haar huis kwijt raakt.
(…)
Dit heeft als gevolg dat er sprake is van:
- Gevaar voor verdere financiële schulden met uiteindelijk uithuiszetting tot gevolg.
- Gevaar voor uitputting van het netwerk door het waanachtige beeld dat [betrokkene] laat zien en wat ze deelt met anderen.”
Rubriek 6.a, Wat is (zijn) de doelstelling(en) van de verplichte zorg?
“De doelstelling van de verplichte zorg is om met behulp van medicatie en correcte zorg het inzicht en ziekte besef bij [betrokkene] te vergroten en er zo voor te zorgen dat ze haar huis hopelijk kan behouden en verdere maatschappelijke teloorgang kan worden voorkomen en het risico op mogelijke suïcide kan worden verkleind.”
3.3
Kortom, ook zonder nadere motivering is begrijpelijk waarop de rechtbank doelt met het aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor zover dat gelegen is in maatschappelijke teloorgang. De rechtbank heeft daarmee het oog op de dreigende uithuiszetting van betrokkene, waarbij ik volledigheidshalve opmerk dat het verlies van een woning zeer wel kan worden geschaard onder ‘maatschappelijke teloorgang’. [35]
3.31
In nr.
2.4richt het onderdeel de pijlen op de overweging van de rechtbank in rov. 2.3, vierde bolletje, (geciteerd in 3.18) dat het risico op ernstig nadeel ook is gelegen in het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag. Ik citeer het middel:
“Waar het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag door de rechtbank uitgehaald wordt, is evenmin duidelijk. Natuurlijk is het vervelend voor de ex dat verzoekster aangeeft als er weer een probleem is geweest maar dat moet dan onderzocht worden en kan niet leiden tot de benoeming als het vertonen van hinderlijk gedrag dat agressie van de ander oproept.
Uit de informatie van de reklassering blijkt juist dat ze zich aan het contactverbod houdt en dat ze als de wederpartij in de buurt van haar is een berichtje stuurt naar de reklassering en de politie.”
3.32
Het is juist dat dat de beschikking op dit punt van het oproepen van andermans agressie geen nadere motivering bevat. Aannemelijk is dat de rechtbank zich heeft gebaseerd op de bevindingen van de onafhankelijk psychiater. Deze schrijft dat betrokkene vanuit haar waanovertuigingen mensen en instanties beschuldigt en dat zij hierbij het risico loopt op agressie van een ander of nadelige consequenties (zie hiervoor, 2.3). Ook uit die medische verklaring wordt echter niet duidelijk op welke agressie van wie wordt gedoeld.
3.33
Toch meen ik dat dit betrokkene niet kan baten. Nu de overige door de rechtbank aangegeven vormen van ernstig nadeel, die zijn genoemd in rov. 2.3, het eerste t/m het derde bolletje, de bestreden beslissing van de rechtbank reeds kunnen dragen, heeft de vermelding van het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag hier het karakter van een overweging ten overvloede; eventuele gegrondbevinding van deze klacht leidt niet tot een andere uitkomst. Anders gezegd, betrokkene heeft geen belang bij de klacht onder 2.4.
3.34
In nr.
2.5tot slot werpt de procesinleiding op dat geen sprake is van psychiatrische problematiek. De problematiek die hier speelt hoort niet thuis in de psychiatrie, maar bij hulpverleningsinstanties die zich daarop specialiseren. Het feit dat betrokkene erkent dat ze hulp nodig heeft, betekent niet dat ze hulp nodig heeft in verband met een psychische stoornis en daaruit voortvloeiend ernstig nadeel, dat zij hulp nodig heeft met problemen die niets met een stoornis te maken hebben. Er is dan ook geen reden de hulpvraag in de psychiatrie neer te leggen, aldus de steller van het middel.
3.35
Het betoog slaagt niet. Het bestaan van een psychische stoornis bij betrokkene is in cassatie tevergeefs bestreden (onderdeel I). Ook blijft in stand dat die stoornis leidt tot bepaalde verschijningsvormen van het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel (onderdeel II). Aan deze oordelen is niet ten grondslag gelegd dat betrokkene erkent dat zij hulp nodig heeft. Voor het overige laat het zich in cassatie niet beoordelen of de hulpvraag van betrokkene thuishoort in de psychiatrie.
3.36
De slotsom is dat ook de klachten uit onderdeel II niet slagen. Dat betekent dat het middel vergeefs is voorgesteld en de bestreden beschikking in stand dient te blijven.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Als productie 5 bij het dossier gevoegd.
2.Als productie 4 bij het dossier gevoegd.
3.Als productie 17 bij het dossier gevoegd.
4.Proces-verbaal, p. 3. Zie ook de beschikking, rov. 2.1.
5.Proces-verbaal, p. 2.
6.Beschikking, rov. 2.1; proces-verbaal, p. 3.
7.Beschikking, rov. 2.2; proces-verbaal, p. 3.
8.Proces-verbaal, p. 3-4.
10.Zie de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Wvggz,
11.Dit komt ook tot uitdrukking in art. 6:4 lid 1 Wvggz Pro, waarin is bepaald dat de rechter een zorgmachtiging verleent indien “
12.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, rov. 3.2; HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475,
13.Beschikking, rov. 2.1, vierde zin.
14.Proces-verbaal, p. 2.
16.Medische verklaring van 3 april 2024, p. 2 (rubriek 4.c).
17.Medische verklaring van 3 april 2024, p. 1 (rubriek 4.b).
18.Beschikking, rov. 2.1, derde zin.
19.Beschikking, rov. 2.1, laatste zin.
20.Vgl. de nadere memorie van antwoord bij de Wet Bopz (
21.Beschikking, rov. 2.1, vierde zin.
22.Volledigheidshalve: ik lees in de in het middel niet een rechtsklacht die met voldoende bepaaldheid en precisie aanvoert waarom dat de afwijzing van het subsidiaire verzoek strijdig zou zijn met het recht. Dat valt ook niet direct in te zien, nu betrokkene daartoe duidelijk zal moeten maken waarom de conclusies van de medische verklaring in twijfel worden getrokken en waarop het verzochte onderzoek zich zou moeten richten (zie ook nr. 2.24 van de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2021:399) voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1149,
23.Beschikking, rov. 2.2, tweede zin.
24.Beschikking, rov. 2.2, derde zin.
25.Zie nader nr. 2.8 van de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:728) voor HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1333,
26.Zie
27.Proces-verbaal, p. 4.
28.Zorgplan/behandelplan van 3 april 2024, p. 2.
29.Zie verder nog de medische verklaring van 3 april 2024, p. 3 (onder 4.c en 4.d), waaruit blijkt dat de behandelaar van betrokkene aan de onafhankelijke psychiater heeft meegedeeld dat betrokkene zich regelmatig suïcidaal uit wanneer de realiteit zich toch aandient. Tot slot komt ook in het Wvggz-informatierapport van de politie, p. 5, terug dat sprake is van suïcidale uitspraken van betrokkene.
30.Medische verklaring van 3 april 2024, p. 2-3 (rubriek 6.c).
31.Procesinleiding, nr. 2.3, verwijst naar de laatste bijlage bij de e-mail van 16 april 2024 aan de rechtbank. Dat betreft de eerste pagina van C.L. Mulder & J.A.E. Tielens, ‘Opvattingen over maatschappelijke teloorgang en zelfverwaarlozing beïnvloeden dwangopname’,
32.Medische verklaring van 3 april 2024, p. 3 (rubriek 6.f).
33.Medische verklaring van 3 april 2024, p. 3 (rubriek 9).
34.Zorgplan/behandelplan van 3 april 2024, p. 2-4, als productie 6 bij het dossier gevoegd.
35.Vgl. bijv. in het kader van ‘maatschappelijk te gronde gaan’ onder de Wet Bopz nr. 2.6 van de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2008:BC9347) voor HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9347,