ECLI:NL:PHR:2024:113

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
30 januari 2024
Zaaknummer
22/00990
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 408 SvArt. 257e SvArt. 36g Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onduidelijkheid betekening vonnis

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat het hoger beroep na de wettelijke termijn van veertien dagen was ingesteld. De Hoge Raad onderzoekt of het vonnis de verdachte daadwerkelijk bekend was gemaakt, wat bepalend is voor de termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld.

Uit het dossier blijkt dat de dagvaarding niet persoonlijk aan de verdachte is betekend en dat hij niet op de terechtzitting in eerste aanleg is verschenen. Het hof baseerde zijn oordeel op een akte van uitreiking van 15 maart 2021, waarin staat dat het vonnis aan de verdachte in persoon zou zijn betekend. De Hoge Raad oordeelt dat deze akte onvoldoende bewijs levert dat de verdachte bekend was met de inhoud van het vonnis, omdat de essentialia van het vonnis niet blijken uit de akte en er geen mededeling van het vonnis aan de akte is gehecht.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het vonnis op 15 maart 2021 aan de verdachte bekend is geworden en dat het hoger beroep daarom te laat is ingesteld. De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt en dat het arrest van het hof moet worden vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00990

Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 8 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 oktober 2020 in de zaak met parketnummer 16-103403-20, waarbij de verdachte wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
3.2
Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het vonnis waarvan beroep is op 15 maart 2021 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld, te weten op 7 april 2021. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2022 houdt, voor zover relevant het volgende in:
“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
wonende te [plaats] , [a-straat 1]
Als raadsman van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam.
Alle mededelingen en verklaringen in dit proces-verbaal betreffen een zakelijke weergave.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De voorzitter stelt ambtshalve de ontvankelijkheid van het namens verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde en deelt het volgende mee:
Op 13 juni 2020 is de dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 oktober 2020 te verschijnen uitgereikt aan een huisgenoot van verdachte op het adres waar verdachte destijds stond ingeschreven. De politierechter heeft vervolgens de zaak ter zitting van 7 oktober 2020 bij verstek behandeld en diezelfde dag vonnis gewezen. Op 15 maart 2020
(AEH: bedoeld zal zijn: 2021)is blijkens de daarvan opgemaakte akte de uitspraak door de politie in persoon aan verdachte medegedeeld. Op bedoelde akte staat het parketnummer van onderhavige zaak vermeld alsmede dat verdachte niet wilde tekenen. Nu aan verdachte wel op 15 maart 2020
(AEH: bedoeld zal zijn: 2021)de uitspraak van politierechter van 7 oktober 2020 bekend was, kon hij uiterlijk op 29 maart 2020
(AEH: bedoeld zal zijn: 2021)hoger beroep tegen het vonnis instellen. Het hoger beroep is echter eerst ingesteld op 7 april 2020
(AEH: bedoeld zal zijn: 2021). De vraag is nu of verdachte in het hoger beroep kan worden ontvangen.
De advocaat-generaal voert het volgende aan:
Gebleken is dat het hoger beroep te laat is ingesteld. Verdachte dient daarin dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, tenzij de verdediging redenen heeft waardoor het tardief door verdachte ingestelde hoger beroep verschoonbaar kan worden geacht.
De verdachte verklaart desgevraagd als volgt:
De politie heeft niet gezegd waar ik voor moest tekenen en dat stond ook niet op het stuk waarop ik heb getekend.
De raadsman voert het woord:
Op de akte staat niet om welk document het gaat waar mijn cliënt voor moest tekenen.
De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad.
Na gehouden beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de
beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. Vervolgens
spreekt de voorzitter het arrest uit.”
3.4
Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding behoren onder meer:
(i) een dagvaarding van de verdachte om op 7 oktober 2020 om 14:10 uur voor de politierechter te Utrecht te verschijnen;
(ii) een akte van uitreiking met als geadresseerde de verdachte, waarop als briefsoort ‘dagvaarding’ is vermeld, met parketnummer 16-103403-20. Bij zitting is ‘7 oktober 2020’ vermeld, bij tijdstip ‘14:10’ en bij forum ‘politierechter’. Er staat een kruisje bij het vakje ‘Ja’ achter de tekst (Bezorger, u kunt de brief uitreiken) ‘Aan een ander op het vermelde adres, die belooft die brief onmiddellijk aan de geadresseerde te geven’. Achter ‘Voorletters en naam ontvanger’ is ingevuld: ‘ [betrokkene] ’. De invuldatum is 13 juni 2020;
(iii) de aantekening mondeling vonnis van 7 oktober 2020 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, inhoudende dat de verdachte bij verstek is veroordeeld;
(iv) een mededeling uitspraak met als datum 6 november 2020, afkomstig van het arrondissementsparket Midden-Nederland gericht aan de verdachte. De mededeling noemt als parketnummer ’16-103403-20’ en vermeldt bij ‘Beslissing’ de straf die de politierechter in het vonnis van 7 oktober 2020 heeft opgelegd;
(v) een akte van uitreiking met als geadresseerde de verdachte, waarop als briefsoort ‘Mededeling Uitspraak’ is vermeld, met parketnummer 16-103403-20. Bij zitting is ‘7 oktober 2020’ vermeld, bij tijdstip ‘14:10’ en bij forum ‘politierechter’. Aangekruist zijn het vakje ‘Ja’ bij ‘Geadresseerde woont niet (meer) op het vermelde adres’ en het vakje bij ‘Ik heb de brief niet uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld’. De invuldatum is 19 november 2020. Aan deze akte is geen mededeling uitspraak gehecht;
(vi) een mededeling uitspraak met als datum 11 december 2020, afkomstig van het arrondissementsparket Midden-Nederland gericht aan de verdachte. De inhoud van deze mededeling is voor het overige identiek aan de inhoud van de mededeling uitspraak van 6 november 2020, genoemd onder (iv);
(vii) een mededeling uitspraak met als datum 14 december 2020, afkomstig van het arrondissementsparket Midden-Nederland gericht aan de verdachte. De inhoud van deze mededeling is voor het overige identiek aan de inhoud van de mededeling uitspraak van 6 november 2020, genoemd onder (iv);
(viii) een met de hand ingevulde ‘akte van uitreiking’ waarop achter ‘Datum’ is vermeld ‘15/03/2021’ en achter ‘Omstreeks’ de tijdsvermelding ‘02.00 uur’. Deze akte vermeldt de naam van de uitreikende verbalisant/inrichtingsmedewerker. Aan de akte is een ID-staat (op basis van identificatie met biometrie) betreffende verdachte van 15 maart 2021 gehecht. De akte vermeldt voorts:
‘Uitgereikt aan
naam: [verdachte]
voornaam: [verdachte]
geboortedatum: [geboortedatum] 1974
geboorteplaats: [geboorteplaats]
adres: [b-straat 1]
woonplaats: [plaats]
parketnummer: 16-103403-20
Aldus op ambtsbelofte opgemaakt
De verbalisant/inrichtingsmedewerker De betrokkene
[handtekening] wilde niet tekenen
(handtekening) (handtekening)
Opmerkingen verbalisant/inrichtingsmedewerker:
- Betrokkene kon zich niet legitimeren
- Betrokkene legitimeerde zich met……………
nummer legitimatie
Adres voor terugzending
Arrondis[s]ementsparket te Utrecht
Postbus 505
3500 AM Utrecht’
(ix) een ID-staat (op basis van identificatie met biometrie) betreffende verdachte van 15 maart 2021. Hieruit blijkt dat de verdachte geen vast woon- of verblijfplaats heeft. Deze ID-staat (op basis van identificatie met biometrie) is aan de akte van uitreiking genoemd onder (viii) gehecht;
(x) een brief afkomstig van het arrondissementsparket Midden-Nederland aan de verdachte d.d. 7 april 2021, met als onderwerp ‘Mededeling Voorwaardelijke Veroordeling’, parketnummer 16-103403-20, waarin de gegevens vermeld staan van het door de politierechter op 07 oktober 2020 uitgesproken vonnis;
(xi) een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 7 april 2021 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 oktober 2020.
3.5
Het middel keert zich tegen het in de uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is geworden. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onbegrijpelijk. Blijkens de toelichting is aan het middel ten grondslag gelegd dat uit de akte van uitreiking van 15 maart 2021 (hierboven opgesomd onder (viii)) niet, althans niet zonder meer, blijkt dat op die datum aan de verdachte een mededeling van het vonnis in persoon is uitgereikt en dat aan voornoemde akte slechts de ID-staat van de verdachte is gehecht. Aan het oordeel van het hof doet niet af dat op de akte van uitreiking het parketnummer in de onderhavige zaak is vermeld, aldus de steller van het middel.
3.6
Artikel 408 Sv Pro luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.’
3.7
Uit de stukken van het geding komt naar voren dat de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg niet in persoon is betekend en dat de verdachte in eerste aanleg niet op de terechtzitting is verschenen. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Ook ik heb een dergelijke omstandigheid niet uit de stukken van het geding kunnen afleiden. Bepalend voor de vraag of het hoger beroep tijdig is ingesteld, is derhalve of het hoger beroep is ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is (art. 408 lid 2 Sv Pro). Met de steller van het middel meen ik dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat zich laatstgenoemde omstandigheid heeft voorgedaan. Uit het arrest volgt immers dat het hof heeft geoordeeld dat het vonnis op 15 maart 2021 in persoon aan de verdachte is betekend. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kan worden afgeleid dat het hof dit oordeel heeft gebaseerd op de met de hand ingevulde ‘akte van uitreiking’ van 15 maart 2021. De voorzitter van het hof wijst er daarbij op dat op de akte van uitreiking het parketnummer staat vermeld van de onderhavige zaak en dat de verdachte niet wilde tekenen.
3.8
Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep (vgl. HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578). [1] Uit de enkele vermelding van het parketnummer op de mededeling uitspraak volgt niet zonder meer dat de verdachte bekend was met de essentialia van dat vonnis. [2]
3.9
Het hof gaat er, zo begrijp ik, vanuit dat uit de akte van uitreiking van 15 maart 2021 volgt dat een mededeling van het vonnis van de politierechter van 7 oktober 2020 in persoon aan de verdachte is betekend [3] . Aanwijzingen dat op 15 maart 2021 een mededeling van het vonnis aan de verdachte is uitgereikt, kunnen worden afgeleid uit de datum waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden en het parketnummer. Die aanwijzingen alleen zijn evenwel niet toereikend om aan te nemen dat op die dag aan de verdachte een mededeling van het vonnis is uitgereikt. [4] Dat wordt mijns inziens niet anders door de omstandigheid dat zich niet goed laat denken welk ander soort mededeling die dag aan de verdachte kan zijn uitgereikt. Daarbij neem ik in aanmerking dat aan de akte van uitreiking geen mededeling uitspraak is gehecht. Dat het hof op basis van de akte van uitreiking (in samenhang met, zo begrijp ik, het daarop vermelde parketnummer) heeft aangenomen dat de verdachte op 15 maart 2021 bekend is geworden met het vonnis, en heeft geoordeeld dat het hoger beroep zodoende op 7 april 2021 te laat is ingesteld, is dan ook niet begrijpelijk.
4. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Herhaald in HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, rov. 2.4 en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, rov. 2.3.
2.Vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746,
3.Overigens zou gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 maart 2022 ook kunnen worden betoogd dat het hof ervan uitgaat dat blijkens de akte van uitreiking de uitspraak door de politie aan de verdachte is medegedeeld (AEH: dat zou dan zijn mondeling medegedeeld). Niet blijkt uit de onder 3.4 onder (viii) genoemde “akte van uitreiking” dat het vonnis aan de verdachte mondeling is medegedeeld. Voor de uitkomst maakt dit alles geen verschil.
4.Vgl. de conclusie van A-G Aben (onder 5 tot en met 10 ) voor HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1933. Uit rov. 2.2 van het arrest van de Hoge Raad volgt dat de Hoge Raad de zienswijze van de A-G deelt.