Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak ging het om het oordeel van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch dat het hoger beroep van de verdachte te laat was ingesteld. De verdachte werd verdacht van handelen in strijd met artikel 3.B van de Opiumwet en diefstal volgens artikel 310 Sr Pro.
De kern van het geschil betrof de vraag of uit de akte van uitreiking, waarop het hof zich baseerde, kon worden afgeleid wanneer de verdachte daadwerkelijk bekend was geworden met het vonnis. Het hof had geoordeeld dat de akte van uitreiking van 23 november 2017 betekende dat de verdachte op die datum bekend was met het vonnis en dat het hoger beroep dat op 12 januari 2018 werd ingesteld te laat was.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet duidelijk was welk vonnis de akte van uitreiking betrof en dat niet was gebleken dat het een mededeling van het vonnis betrof. Hierdoor was het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Op grond van de conclusie van de Advocaat-Generaal vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het hoger beroep.
Het arrest werd uitgesproken op 10 december 2019 door de strafkamer van de Hoge Raad, met J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onduidelijkheid over de termijn van hoger beroep.