Conclusie
[eisers](in meervoud) respectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
Eerste aanleg
De feitelijke grondslag van de vordering
“Nog los van het voorgaande geldt dat gedaagden hun onrechtmatige keuze voor een graf op [begraafplaats 1] voor [verweerder] in ieder geval hadden kunnen en moeten mitigeren door hem op zijn verzoek het grafrecht over te dragen. Gegeven het feit dat een herbegrafenis niet mogelijk is gebleken, zou [verweerder] daarmee in ieder geval enigszins in de positie worden gebracht die hij bij rechtmatig handelen van gedaagden zou hebben gehad als rechthebbende op het graf van zijn vrouw en dochter. Gedaagden hebben door hun weigering het grafrecht over te dragen echter volhard in hun onrechtmatig handelen jegens [verweerder] ”.
“ [verweerder] ervaart het dan ook zo dat [eiser 1] het gezinsverband, de eenheid van het gezin, ernstig heeft verstoord door de toe-eigening van het grafrecht van zijn vrouw en dochteren vervolgens te weigeren dat aan hem over te dragen.”Onder 1.11 schrijft [verweerder] : “
Want (....) gaat het (....) om het belang van [verweerder] zelf en van zijn zoon bij het recht op het graf van hun echtgenote, moeder, dochter en zusje. Een recht [hof: bedoeld is het grafrecht] waarop [verweerder] als eerst aangewezene om daarover te beschikken, niet beschikt uitsluitend als gevolg van het handelen van [eiser 1] dat regelrecht inging tegen [verweerder] uitdrukkelijke, aan [eiser 1] te kennen gegeven [het hof begrijpt: wens] en bovendien in strijd was met het door [verweerder] uitdrukkelijk aan [eiser 1] opgelegde verbod.” en onder 1.14: “
De schade die [verweerder] door de gang van zaken rond de begrafenis heeft opgelopen en daarvan, juist door het ontbreken van iedere zeggenschap over het graf van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , nog steeds ondervindt, zijn het uitsluitende gevolg van de handelwijze van geïntimeerden. Als zij oog hadden gehad voor de positie van [verweerder] en aan die positie recht hadden gedaan, dan zou [verweerder] zich niet genoodzaakt hebben gezien om hen voor de tweede keer in een gerechtelijke procedure te betrekken.” Vervolgens wordt onder het kopje
“UITLEIDING De grondslagen van de eis”onder het vijfde gedachtestreepje het volgende benoemd:
“en heeft [eiser 1] onrechtmatig gehandeld door te weigeren mee te werken aan een (zoveel mogelijk) herstel van de toestand hoewel daartoe alle mogelijkheden bestonden en bij een afweging van belangen de belangen van [verweerder] vele malen groter waren dan die van [eiser 1] en zijn belangen daardoor onevenredig werden geschaad.”Dit alles in samenhang gelezen draagt de conclusie dat [verweerder] in hoger beroep ook de tweede feitelijke grondslag aan zijn eis ten grondslag heeft gelegd. Hij heeft dat tijdig, in de memorie van grieven, gedaan. [eisers] hebben kunnen en moeten begrijpen dat op dit punt werd gegriefd en zijn daarom niet in hun verdedigingsbelang geschaad.” [cursiveringen door A-G]
Tweemaal procederen over dezelfde rechtsverhouding?
[begraafplaats 1] is mogelijk niet de plek waar je haar had willen begraven. Wij hebben moeten handelen in de periode dat jij in ‘alle beperkingen verbleef’ en hebben gedaan waarvan wij dachten dat het goed was. Daarom vind ik ook dat je uit liefde voor [betrokkene 1] het moet los laten, dat we haar hebben begraven op [begraafplaats 1] .”
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
Jeffrey-arrest’.
Jeffrey-arrest had het hof geoordeeld dat het belang van ouders bij een verklaring voor recht dat hun kind was overleden door een fout van een ziekenhuis, erin bestaande dat zij een begin konden maken met emotionele verwerking, een zuiver emotioneel belang was, dat niet kan worden aangemerkt als voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW Pro. Over de daartegen gerichte klacht overwoog Uw Raad:
an sich. Dat zo zijnde heeft het hof ten onrechte in de r.o. 4.16 e.v. op deze (nieuwe) stelling gerespondeerd.
Het hof komt vervolgens toe aan (…)”).. Het onderdeel klaagt niet over r.o. 4.6 en 4.7, waarin het hof, samengevat weergegeven, heeft overwogen dat “
de tweede feitelijke grondslag” (= de weigering van [eisers] om de grafrechten alsnog aan [verweerder] over te dragen) reeds in de procedure bij de rechtbank onderdeel vormde van het geschil (r.o. 4.6) en dat uit de memorie van grieven van [verweerder] kan worden afgeleid dat hij wel degelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het niet bespreken door de rechtbank van de tweede feitelijke grondslag, [23] zodat [eisers] niet in hun verdedigingsbelang zijn geschaad (r.o. 4.7). Het onderdeel bestrijdt de overwegingen van het hof in r.o. 4.6 en 4.7 niet.
uitzonderlijkeomstandigheden kan van de rechthebbende worden geëist dat hij zijn recht opgeeft ten behoeve van een ander. Aldus staat immers de rechtmatig verkregen beschikking over het betreffende vermogensrecht voorop, zoals art. 5:2 lid 2 BW Pro – dat ziet op de eigendom van een zaak – vooropstelt dat het de eigenaar vrijstaat om met uitsluiting van een ieder van de zaak gebruik te maken, [24] terwijl er voor uitzonderlijke gevallen een uitzondering mogelijk is. [25]
uitzonderlijkegevallen staat het een rechthebbende van grafrechten niet vrij om overdracht van die grafrechten te weigeren. Een andere maatstaf is niet nodig. Daarbij komt nog dat art. 3:13 BW Pro ziet op de wijze waarop van een bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. [27] In deze zaak is iets anders aan de orde: de vraag of de grafrechten overgedragen moeten worden.