Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
welvoldoende bewijs aanwezig voor de door [eiser] gevorderde overnamesom van € 25.000,- (grief III). Het hof stelt [verweerder] in de gelegenheid (nader) tegenbewijs te leveren tegen de voorshands als juist aangenomen stelling van [eiser] op dit punt (rov. 6.13.4). De beslissing op grief IV met betrekking tot de afwijzing door de kantonrechter van de subsidiaire vordering van [eiser] , houdt het hof aan tot na bewijslevering. [13]
“vermeerdering vordering ter zake proceskosten”. [15]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
[de echtgenote van [verweerder] , invoeging AG], dat ze niet akkoord ging met de borgstelling, in de eerste plaats niet aan de orde en in de tweede plaats ook tegenstrijdig aan haar getuigenverklaring omtrent de wetenschap aan de borgstelling, toen die beweerdelijk is aangegaan.”
[ [verweerder] , invoeging AG]en mij zei dat [verweerder] nooit borg had gestaan, maar alleen een huurovereenkomst met u had afgesloten.
“Omdat er geen sprake is geweest van persoonlijke borgstelling is ook de nadien opgestelde verklaring van [de echtgenote] , dat ze niet akkoord ging met de borgstelling, in de eerste plaats niet aan de orde (…).”De gekozen formulering wijst erop dat wordt betwist dat sprake is van een persoonlijke borgstelling, en dat
om die redenniet ter zake deed of de echtgenote van [verweerder] hier al dan niet toestemming voor had verleend (
“Omdat er geen sprake is geweest van persoonlijke borgstelling (…) niet aan de orde”). De passage bevat echter geen voldoende duidelijke betwisting van de stelling dat de echtgenote van [verweerder] geen toestemming voor de borgstelling heeft gegeven.
“in de tweede plaats ook tegenstrijdig[is]
aan haar getuigenverklaring omtrent de wetenschap aan de borgstelling, toen die beweerdelijk is aangegaan.”Ook hiermee is onvoldoende duidelijk betwist dat de echtgenote van [verweerder] geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst.
magleggen (de feitelijke grondslag). Ten tweede bepaalt het welke feiten de rechter als vaststaand moet aannemen, en welke feiten eventueel moeten worden bewezen. [24]
bevoegdheidvan de rechter om feiten die in het geding aan de rechter ter kennis zijn gekomen of door partijen zijn gesteld (en vast komen te staan) aan haar beslissing ten grondslag te leggen, niet zo ver dat daarmee sprake zou zijn van een
verplichtingvan de rechter om zelfstandig te onderzoeken of in het dossier aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor een mogelijk aanvangsmoment van een gestelde verjaring.
Ooit zei mijn man tegen mij dat hij naar [eiser] moest om te tekenen en ik meende dat ze hadden getekend voor de borg, maar nu in deze rechtszaak weet ik dat alleen is getekend voor inventaris. Ik zat met mijn eigen dingen, en mijn interesse ging hier niet zo naar uit.” Nu in deze procedure tussen partijen vaststaat dat sprake was van een
mondelingeborgtochtovereenkomst (zie onder 3.27), zodat van enige ondertekening in het kader van de borgstelling geen sprake is geweest, is twijfelachtig of de verklaring van de echtgenote überhaupt betrekking kon hebben op de borgtochtovereenkomst, die immers mondeling is gesloten.
dezestelling weliswaar niet betwist, maar hij heeft wél betwist dat zij van de borgtochtovereenkomst op de hoogte was (zie onder 4.28). Het hof overweegt in de bestreden rechtsoverweging onder meer dat het enkele feit dat de echtgenote van [verweerder] bekend was met de procedure in eerste aanleg, niet zonder meer meebrengt dat zij ook op de hoogte was van de borgtochtovereenkomst. Dit oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk. De echtgenote van [verweerder] is immers geen partij in deze procedure, zodat er niet zonder meer van uit mag worden gegaan dat zij van alle daarin ingenomen stellingen op de hoogte was.
“meende dat ze hadden getekend voor de borg”.Vervolgens verklaart zij echter ook:
“maar nu in deze rechtszaak weet ik dat alleen is getekend voor inventaris. Ik zat met mijn eigen dingen, en mijn interesse ging hier niet zo naar uit.”Uit deze verklaring heeft het hof kennelijk niet ondubbelzinnig kunnen afleiden dat de echtgenote van [eiser] vóór 22 mei 2016 daadwerkelijk bekend was met de borgstelling. Dit oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk (zie ook onder 4.21). Bovendien geldt dat de rechter vrij is in zijn waardering van het getuigenbewijs. [34]
subonderdeel fkomt op tegen rov. 9.11.7. Het subonderdeel richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen ’s hofs oordeel dat [eiser] zijn beroep op verjaring onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij niet gesteld heeft uit welke feiten en omstandigheden hij meent te kunnen afleiden dat de echtgenote van [verweerder] op die datum bekend was met de borgstelling.
“van [eiser] niet kon worden gevergd dat hij zijn beroep op verjaring meer zou onderbouwen dan hij heeft gedaan, enerzijds gelet op het feit dat de voor die onderbouwing benodigde gegevens zich bevinden in het domein van [verweerder] en anderzijds gelet op het processuele debat en het door [verweerder] gestelde naar aanleiding van het beroep op verjaring van [eiser] [35] (…).”Het subonderdeel klaagt dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [eiser] en aldus is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. [36]
daadwerkelijkbekend was met het feit dat de overeenkomst was gesloten. [37] De
subjectievebekendheid bij de echtgenoot is hier dus leidend.
Dexia-arrest uit 2011 – waarin de vernietiging van een effectenleaseovereenkomst met de naam ‘WinstVerDriedubbelaar’ centraal stond – als volgt: [39]
konin de gegeven omstandigheden niet meer of anders stellen dan zij reeds had gedaan.
Dexiabeoogt te trekken, mank gaat. Anders dan in de
Dexia-zaak, geldt in de onderhavige zaak dat [eiser] wel degelijk informatie tot zijn beschikking had waarmee hij zijn stellingen nader had kunnen onderbouwen. [eiser] wijst in cassatie immers op stukken uit de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, waaruit volgens hem blijkt dat de echtgenote van [verweerder] reeds eerder (dan 22 mei 2016; de vernietiging is ingeroepen bij brief van 22 mei 2019) op de hoogte was van de overeenkomst van borgtocht, namelijk (zo destilleer ik uit de klachten):
“van [eiser] niet kon worden gevergd dat hij zijn beroep op verjaring meer zou onderbouwen dan hij heeft gedaan”,treft dan ook reeds om die reden geen doel.
kunnenworden gesteld wanneer de gegevens die nodig zijn voor de onderbouwing van bepaalde stellingen zich geheel in het domein van de wederpartij bevinden, maar dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Uit de door [eiser] in de procesinleiding aangehaalde rechtspraak volgt niet
in zijn algemeenheiddat het hof in de onderhavige zaak van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan aangaande de stelplicht die voor [eiser] gold.
dusook bekend was met de door haar echtgenoot gesloten borgtochtovereenkomst. Daarbij komt, en ook dit heeft het hof overwogen in rov. 9.11.6, dat [eiser] pas bij conclusie na enquête van 7 december 2016, dus ná 22 mei 2016 en binnen drie jaar voor het inroepen van de vernietiging van de borgstelling, de borgtochtovereenkomst als subsidiaire grondslag voor zijn vorderingen naar voren heeft gebracht. Ook tegen die achtergrond kan niet zonder meer worden aangenomen dat bekendheid met de procedure in eerste aanleg zonder meer leidt tot (juridisch relevante) bekendheid met het bestaan van de borgtochtovereenkomst.
Ten aanzien van de subsidiaire grondslag: de borgstelling:
bestaanvan de borgtochtovereenkomst, en niet zozeer op het verjaringsverweer (en in dat kader het moment waarop de echtgenote van [verweerder] met de borgtochtovereenkomst bekend is geraakt). Daarbij wijs ik er verder op dat de geciteerde passage weliswaar vermeldt dat
“voor zoveel nodig”bewijs wordt aangeboden, maar dat direct aansluitend wordt aangetekend dat moet worden
“betwijfeld of zulks nog noodzakelijk is”omdat verschillende partijen al hebben verklaard
“omtrent de borgstelling”.Van een gespecificeerd bewijsaanbod ten aanzien van het moment waarop de echtgenote van [verweerder] bekend raakte met de borgstelling, is dan ook geen sprake.
waaromde overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 9.11.6 en 9.11.7 onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn, en licht evenmin toe hoe het (gestelde) voorbijgaan aan het bewijsaanbod meebrengt dat die overwegingen onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn.