Conclusie
1.Het cassatieberoep
doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over vorderingen van elf benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. De duur van de gijzeling die is verbonden aan één van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen is bepaald op ten hoogste 365 dagen.
2.Het eerste middel
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 november 2019.
voldoende aannemelijkis geworden. De last tot dat aannemelijk maken mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Ook als de precieze feitelijke toedracht van het tenlastegelegde feit onzeker is gebleven, kan de gestelde feitelijke grondslag van het beroep op noodweer(exces) voldoende aannemelijk zijn geworden. Dat betekent echter niet dat het gestelde feitelijke scenario van de verdachte voldoende aannemelijk wordt als dat enkel op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting
niet kan worden uitgesloten.
optillen. De verdachte is hierover pas in eerste aanleg zo expliciet gaan verklaren. Bij de politie verklaarde hij er alleen over dat het slachtoffer hem bleef
vasthoudentoen hij over hem heen lag. Gevraagd naar hoe het steken in de rug door de verdachte te maken kan hebben met een aanval van het slachtoffer, komt de verdachte met het ‘optillen' door het slachtoffer. Het hof kan dergelijke, voor de verdachte kennelijk dreigende, handelingen van het slachtoffer (het optillen) ook moeilijk rijmen met de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer al bovenaan de trap en op de trap – zo niet al in de rug – in elk geval meermalen in de buik en de borst heeft gestoken, terwijl ook onwaarschijnlijk is dat de verdachte het snijletsel in de hals pas heeft toegebracht toen het slachtoffer beneden aan de trap op zijn buik over zijn benen heen hing. Het is aldus moeilijk voor te stellen dat het slachtoffer, eenmaal van de trap op de grond gevallen, nog een reële dreiging voor de verdachte vormde.
meer aannemelijk” wordt geacht, onvoldoende reden is om het beroep te verwerpen. In de tweede plaats wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat de door de verdachte geschetste feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is geworden, onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende met redenen is omkleed vanwege 1) het op onbegrijpelijke gronden betrekken van de proceshouding van de verdachte bij dat oordeel; 2) onbegrijpelijke feitelijke vaststellingen met betrekking tot fysieke (al dan niet) waarneembare verschillen tussen de verdachte en het slachtoffer; 3) onbegrijpelijke interpretatie van (afwezigheid van) verklaringen van de verdachte en 4) het onjuist dan wel onbegrijpelijk interpreteren en het als ongeloofwaardig beschouwen van verklaringen van de verdachte en de manier waarop het hof ongerijmdheden constateert in die verklaringen, een en ander in strijd met gebezigde bewijsmiddelen.
NJ2022/178 m.nt. A.J. Machielse, kan worden gedestilleerd dat – binnen het bestek van het onderzoek naar de aannemelijkheid van de door de verdachte gepresenteerde feiten en omstandigheden, niet alleen van de rechter en het Openbaar Ministerie, maar ook van de zijde van de verdachte wel enige activiteit mag worden verwacht. In zijn conclusie van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:876, concludeert A-G Aben dat de last tot het aannemelijk laten worden van die feitelijke grondslag “
niet uitsluitend – maar, zo begrijp ik, toch wel in zekere mate – op de verdachte [mag] worden gelegd” en dat het zwijgen van de verdachte niet bijdraagt aan het aannemelijk worden van de door hem gepresenteerde gang van zaken. [1] Naast de proceshouding van de verdachte kan ook betekenis worden toegekend aan de inhoud en “indringendheid” van diens stellingen. [2]
meer aannemelijk” acht dan de door de verdachte geschetste gang van zaken (het door het slachtoffer gedwongen zijn tot seksuele handelingen), moeten worden begrepen in het licht van de voorwaarde dat de feitelijke grondslag van een beroep op noodweerexces, gelet op hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk moet worden (zie randnr. 2.11). Het hof heeft met de gekozen formulering en met aandacht voor de proceshouding van de verdachte tot uitdrukking gebracht dat dat niet het geval is. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.
meer aannemelijke” feitelijke toedracht, volgens de stellers van het middel, een alternatief “
niet uitsluiten” of “
niet zonder meer met zich brengen dat” een en ander precies op de in overwegingen van het hof geschetste wijze heeft plaatsgehad, leidt niet
linea rectatot de conclusie dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. In dit kader zij opnieuw benadrukt dat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel in hoeverre de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden. Mede gelet op het feit dat het oordeel van het hof in hoge mate is verweven met waarderingen van feitelijke aard, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Normaal is het zo dat als een verdachte niet verschijnt het hof niet uitgebreid de feiten gaat voorhouden. Ik moet nu veel schakelenen ik weet niet of ik
alle details die u noemtkan weerleggen, nuanceren of duiden.” [A-G: cursivering door mij].
3.Het tweede middel
[benadeelde]
geenonevenredige belasting van het strafgeding op. Namens de benadeelde partij is voor het bepalen van de omvang van het gederfde levensonderhoud aansluiting gezocht bij het verschil tussen de maandelijkse uitkeringsbedragen op grond van een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet tussen samenwonenden en alleenstaanden gedurende de tijd dat het jongste kind minderjarig is. Volgens het hof is het evident dat er sprake is van gederfde inkomsten. Het hof acht de omvang van de schade voldoende onderbouwd en redelijk en deze post is dan ook volledig toewijsbaar.
€ 120.534,63 (honderdtwintigduizend vijfhonderdvierendertig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 90.534,63 (negentigduizend vijfhonderdvierendertig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.