Conclusie
Nummer22/01532
Inleiding
mishandeling" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.
De bewijsconstructie van het hof en de verwerping van het verweer
Het middel
om aannemelijk te maken dat de verdachtenietter verdediging van zichzelf heeft gehandeld”.
in dubio pro reo.
bestendige jurisprudentie” met betrekking tot artikel 300 Sr Pro. De steller van het middel verwijst daartoe naar enkele voorbeelden uit de feitenrechtspraak waaruit zou volgen dat als niet kan worden uitgesloten dat de lezing van de verdachte met betrekking tot de toedracht van het handelen c.q. de zelfverdediging juist is, de wederrechtelijkheid niet kan worden bewezen.
Het beoordelingskader
geoorloofdtoebrengen van pijn of letsel niet onder de noemer ‘mishandeling’ kan worden gebracht. [3] Dit zou tot gevolg hebben dat de aanwezigheid van wederrechtelijkheid c.q. de afwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (zoals noodweer) als zodanig – op de voet van de artikelen 338 tot en met 344a Sv – moet worden bewezen. [4] Wederrechtelijkheid is immers niet langer een ‘element’ van het strafbare feit, maar een delictsbestanddeel. [5] Ingeval wederrechtelijkheid niet kan worden bewezen, leidt dit in de systematiek van artikel 352 Sv Pro tot vrijspraak.
tenzijde
afwezigheid ervan voldoende is komen vast te staan. Afwezigheid van ‘wederrechtelijkheid’ of van ‘verwijtbaarheid’ heeft het ontbreken van strafbaarheid van het feit, respectievelijk het ontbreken van strafbaarheid van de verdachte tot gevolg. Dit leidt in de systematiek van artikel 352 Sv Pro tot ontslag van alle rechtsvervolging.
contextvan het ten laste gelegde, om niet altijd helder afgebakende omstandigheden die aan het ten laste gelegde vooraf zijn gegaan of om omstandigheden waaronder het ten laste gelegde is begaan. Deze omstandigheden kunnen (deels) zijn gelegen in de persoon van de dader.
Feiten die een contra-indicatie voor dit bewijsvermoeden vormen, moeten toch op zijn minst genomen waarschijnlijk zijn, willen zij tegenwicht bieden aan dit bewijsvermoeden.” [8]
voorafgaat. De indicaties die als de feitelijke grondslag van een exceptie worden gepresenteerd, moeten na de vaststelling van het gewicht ervan namelijk nog worden vergeleken met de sterkte van het (te weerleggen) bewijsvermoeden. Afhankelijk van de sterkte van dat bewijsvermoeden zijn de feiten en omstandigheden waarmee de exceptie wordt onderbouwd al dan niet ‘voldoende waarschijnlijk’ om tegenwicht te bieden aan het bewijsvermoeden. Wat in dit geval ‘voldoende’ is, hangt dus af van de kracht van het bewijsvermoeden. Daar waar aan het begrip ‘buiten redelijke twijfel’ – in theorie – een bepaalde vaste mate van waarschijnlijkheid kan worden gehangen, is dat voor de waarschijnlijkheid waarmee de feitelijke grondslag van de gestelde uitzondering moet vaststaan niet goed mogelijk, omdat die maat per geval afhangt van de kracht van het in aanmerking genomen bewijsvermoeden. Dat pleit onvermijdelijk voor een meer ‘fluïde’ maatstaf, een maatstaf die – vanwege haar afwijkend karakter – niet goed valt te vergelijken met maatstaven als ‘overtuiging’ of ‘buiten redelijke twijfel’.
Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting,voldoende aannemelijkis geworden.”
in dubio pro reo); uitsluitend wanneer de feitelijke grondslag voor de ingeroepen exceptie zeer onwaarschijnlijk is of nagenoeg zeker ontbreekt, mag het beroep worden verworpen. Daarmee keert deze ‘meerderheidsopvatting’ zich tegen de toepasselijkheid van de aannemelijkheidsmaatstaf voor de beoordeling van de feitelijke grondslag van excepties. Daarvoor worden in de literatuur grofweg twee argumenten aangedragen.
Het is ongerijmd dat voor hetzelfde beroep op noodweer andere maatstaven gelden al naargelang aanvaarding uitmondt in een ontslag van rechtsvervolging dan wel vrijspraak”, aldus omschrijft Machielse dit argument in zijn lezenswaardige noot onder het hierna te bespreken arrest van 29 maart 2022. [12]
beyond reasonable doubt’ moet zijn. De hier bedoelde schuldvraag omvat echter niet alleen de vraag naar het begaan van het wettelijk omschreven delict, maar ook kwesties aangaande de wederrechtelijkheid van de gedraging en de verwijtbaarheid van de verdachte. Bemelmans betoogt dat de onschuldpresumptie niet alleen betrekking heeft op positieve strafbaarheidsvoorwaarden (te weten: de delictsbestanddelen), maar ook op negatieve strafbaarheidsvoorwaarden (te weten: de elementen van het delict; de afwezigheid van strafuitsluitingsgronden). [15] Harteveld noteerde over dit argument “
dat het indubio pro reo
-beginsel ziet op de schuld van een verdachte aan een strafwaardige gedraging als geheel en [dat] het daarvoor niet relevant is of eventuele twijfel gelegen is in de gedraging zelf of in de al dan niet disculperende context waarin hij deze zou hebben verricht.” [16]
NJ2022/178 m.nt. Machielse, overwoog de Hoge Raad het volgende:
nietoverweegt. De Hoge Raad wijdt géén woorden aan de vraag of voor de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer andere maatstaven moeten worden aangelegd op de grond dat ‘wederrechtelijkheid’ bij mishandeling een (ingelezen) delictsbestanddeel betreft. De Hoge Raad geeft alleen beschouwingen over de generieke maatstaf voor de vaststelling van feiten en omstandigheden die aan een beroep op noodweer ten grondslag worden gelegd. Het arrest gaat dus niet over de motivering van het bewijs van wederrechtelijkheid voor het geval mishandeling ten laste is gelegd. Dat zou kunnen samenhangen met de insteek van het voorgestelde middel van cassatie, dat – met verwijzingen naar rechtspraak en literatuur – opkwam tegen de door het hof toegepaste aannemelijkheidsmaatstaf.
Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep[op noodweer, D.A.]
steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan.”
ontbreekt, te weten dat de gestelde feiten en omstandigheden ‘
nietaannemelijk’ zijn geworden, moest worden vereenzelvigd met de constatering dat de gestelde feiten en omstandigheden zich ‘(zeer) waarschijnlijk
niet’ hebben voorgedaan, oftewel dat zij ‘(zeer)
onwaarschijnlijk’ zijn.
aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, (…) enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg [staat].”
indringendheid” van zijn stellingen, en draagt zwijgen niet bij aan het aannemelijk worden van de door hem gepresenteerde gang van zaken, aldus oordeelde de Hoge Raad. [20]
voorafgaat aan de weging van alle argumenten voor en tegen de beslissing waarvoor de rechter zich gesteld ziet. Ter beantwoording daarvan wordt van de verdachte méér gevergd dan het enkele suggereren van mogelijkheden of presenteren van onwaarschijnlijkheden, juist omdat hij als geen ander van eventuele exceptionele omstandigheden op de hoogte zou moeten (kunnen) zijn. Toepasselijkheid van de aannemelijkheidsmaatstaf is m.i. dan ook – ondanks zijn fluïde karakter – verenigbaar met de onschuldpresumptie.
De bespreking van het middel
de feitelijke toedracht zoals door verdachte geschetst niet aannemelijk is geworden en van een rechtens verdedigingswaardige aanranding niet is gebleken”wat er volgens het hof toe leidt dat
“het verweer strekkende tot het niet bewezen kunnen verklaren van het in het delictsbestanddeel ‘mishandeling’ besloten liggende wederrechtelijkheidsaspect [faalt]”. Ten grondslag daaraan ligt de overweging van het hof “
dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
NJ2022/178 m.nt. Machielse, heeft het hof gemotiveerd op welke gronden de verwerping van het verweer berust. In het bijzonder heeft het hof daarbij betekenis toegekend aan hetgeen uit de bewijsmiddelen volgt met betrekking tot de feitelijke toedracht. Noch uit het arrest, noch uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep, noch uit de overige stukken van het procesdossier volgt dat het hof in dat kader (uitsluitend) van de verdachte heeft verlangd de feitelijke toedracht van de noodweersituatie aannemelijk te maken. Evenmin heeft de steller van het middel expliciet toegelicht waaruit dat zou blijken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.