Conclusie
1.[eiseres 1] B.V. (hierna: [eiseres 1] )
[eiser 2])
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)
1.[verweerster 1] B.V. (hierna: [verweerster 1] )
[verweerder 2])
[verweerster], in vrouwelijk enkelvoud)
OK). Terecht wordt door [eiseres] én [verweerster 1] erover geklaagd dat in hoger beroep, na de mondelinge behandeling en twee tussenarresten, in de OK een combinatiewisseling heeft plaatsgevonden (twee van de drie raadsheren en beide raden) zonder dat deze wisseling door de OK vóór het wijzen en uitspreken van het eindarrest aan partijen is medegedeeld.
1.Feiten
bv) werden gehouden door [eiseres 1] en [verweerster 1] , ieder voor 50%.
2.Procesverloop
tussenarresten). [7]
eindarrest). [8]
3.Bespreking van het principale cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep
informeel kapitaal’van [verweerster 1] [dus: [verweerster 1] , A-G]”,
van [verweerster 1], zoals het onderdeel hier doet, maar vanuit de vraag of sprake is van eigen vermogen (informeel kapitaal)
van de bv. Zie onder 3.32 hiervoor. Zou het onderdeel hier wel de bv bedoelen, niet [verweerster 1] , dan doet wat ik hiervoor vooropstelde nog steeds opgeld. Kort en goed: een dergelijke harde, scherpe regel is niet rechtens. [45] Het onderdeel noemt trouwens - het verbaast niet - ook geen rechtsbron waaruit zo’n regel voortvloeit. [46]
de bv(“(…) van [bloembollenbedrijf] aan te merken”), evident niet op louter die “(enkele) omstandigheid” waarop het onderdeel hier steunt. Zie onder 3.32 hiervoor.
informeel kapitaal’ moet worden aangemerkt c.q. niet opeisbaar is”, nu in die rov. 4.53 “uitsluitend het betoog werd gepasseerd ten aanzien van de rekening-courantvordering van” [eiseres 1] (“
[eiseres 1]”) “en niet ten aanzien van de rekening-courantvordering van” [verweerster 1] .
‘informeel kapitaal’”.
konkomen met de zorgvuldigheid die zij in acht had te nemen op grond van art. 2:8 lid 1 BW Pro jegens de bv en degenen die (krachtens de wet en de statuten) bij de organisatie van de bv zijn betrokken. De OK vervolgt daarin met op [eiseres 1] toegespitste overwegingen uitgaande van de voorliggende situatie waarin [eiseres 1] géén aandeelhouder van de bv meer is. Waarbij de OK uiteenzet wat in de gegeven omstandigheden niet van [eiseres 1] kan worden gevergd/verwacht, en verder dat ook de positie van Rabobank geen obstakel vormt voor toewijzing van [eiseres 1] ’s vordering tot betaling van het saldo in rekening-courant. Het is mij een raadsel hoe de hier door het onderdeel voorgestane lezing van die rov. 4.53 (zelfs maar bij benadering) valt te rijmen met wat daadwerkelijk stáát in die rov. 4.53 als hiervoor samengevat, waarin bovendien [verweerster 1] niet eens figureert.