Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De feiten
Zaak A
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel
3.Het middel
zelfin de weg kan staan aan een vervolging wegens deelneming aan een criminele organisatie als een daarmee samenhangend concreet feit eerder is vervolgd. Dat hoeft dus niet over de band te gaan van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Kennelijk is de uiteenlopende strekking van de delictsomschrijvingen niet van doorslaggevend betekenis. [9]
mede[mijn onderstreping] heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van de verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede […] telastelegging zijn opgenomen.” Uit het op 23 maart 2021 gewezen arrest kan worden opgemaakt dat er alleen sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel als er sprake is van een volledige overlap van de deelneming aan de criminele organisatie en het het concrete delict waarvoor verdachte al eerder is vervolgd. Dat betekent dat vervolging wegens deelneming aan een criminele organisatie mogelijk blijft, indien de tenlastelegging ook ziet op andere deelnemingsgedragingen dan de concrete misdrijven waarvoor de verdachte al is veroordeeld. In dat geval vormt de opgelegde straf bij de concrete misdrijven een voor de straftoemeting relevante omstandigheid die kan worden meegenomen in de strafoplegging.
in casunuancering behoeft.
het tijdsverloop[mijn cursivering] en de straf die in [naam 2] is opgelegd”, in welke eis het hof is meegegaan. Dit tijdsverloop was voor het OM niet te voorzien bij aanvang van de vervolging. Bovendien brengt de omstandigheid dat bestraffing geen redelijk doel meer dient, niet zonder meer mee dat ook de vervolging nutteloos en dus in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde is geweest, zoals de steller van het middel lijkt te suggereren.