Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van de middelen voor het overige
6.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van omzetbelastingaangiften door een rechtspersoon in de periode van december 2005 tot oktober 2006.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van verdachte uit oktober 2007, afgelegd zonder verhoorbijstand, niet als bewijs mochten worden gebruikt omdat dit het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) zou schenden. De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat het recht op verhoorbijstand sinds 22 december 2015 geldt, maar dat voor eerdere verhoren de vraag moet worden beantwoord of het ontbreken van bijstand het eerlijke proces schond. In dit geval oordeelde het hof terecht dat het gebruik van de verklaringen geen schending van art. 6 EVRM Pro opleverde.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte als feitelijk leidinggever bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat onjuiste aangiften werden ingediend. De bewijsvoering toonde aan dat verdachte op de hoogte was van onregelmatigheden in facturen en ondanks dat doorging met de handel, wat het opzet bevestigt.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor feitelijke leiding bij onjuiste omzetbelastingaangiften.