Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 344 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 124 lid 4 WVW 1994Art. 132 lid 5 WVW 1994
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Cassatie over wetenschap ongeldigverklaring rijbewijs bij rijden zonder geldig rijbewijs
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 3 mei 2021 te Zeist. Het hof stelde vast dat het rijbewijs van de verdachte op 7 maart 2019 ongeldig was verklaard en dat verdachte hiervan op de hoogte was, onder meer door aangetekende brieven van het CBR en een eerdere staandehouding waarbij hem ondubbelzinnig werd medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was.
De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring. De Hoge Raad overwoog dat de bewijsvoering, waaronder het proces-verbaal van de eerdere staandehouding, voldoende is om dat kennisvereiste aan te nemen. De eerdere brieven alleen zouden onvoldoende zijn, maar de mededeling bij staandehouding gaf doorslag.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de bewezenverklaring en veroordeling van het hof. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot andere maatregelen gezien de opgelegde straf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03123
Zitting3 december 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1.Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 15 augustus 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week, met een proeftijd van drie jaren en tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2.Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, althans dat dit oordeel van het hof – in het licht van hetgeen is aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk is.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard:
“hij, op 3 mei 2021 te Zeist, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A28, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ter zake van artikel 9 vanPro de Wegenverkeerswet met bijlagen, genummerd PL0900-030520212335237282, gesloten en ondertekend op 4 mei 2021 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Datum feit: 03-05-2021
Weg/locatie: Rijksweg A28
Plaats: Zeist
Ik, verbalisant, zag dat op genoemde, dag, datum en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie.
Verdachte
Naam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Geboren op: [geboortedatum] 1981
Motorrijtuig
Personenauto
Rijbewijs
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie: B.
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig is verklaard.
Verklaring
Mijn geldig [het hof begrijpt: rijbewijs]is ingevorderd geweest. Ik heb daarna een cursus gevolgd in Amsterdam. Dat was in verband met alcohol. (...) Mijn rijbewijs heb ik alleen nooit teruggekregen.
2. De uitdraai van het RDW met printdatum 4 mei 2021 00:00:43 uur (als bijlage bij bovengenoemd proces-verbaal ter zake van artikel 9 vanPro de Wegenverkeerswet), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Reden ongeldigverklaring: geschiktheid
Feitelijke inleverdatum ongeldig: 07-03-2019
RIJBEWIJS CATEGORIEËN
Cat.
Eerste afgifte
Geldig tot
Automaat ind.
Medische ind.
Beperking
AM
14-03-2008
14-08-2027
B
08-09-2003
14-08-2027
T
14-08-2017
14-08-2027
CATEGORIEËN
Categorie
Periode
Soort
B
Vanaf 07-03-2019
Ongeldigheid
T
Vanaf 07-03-2019
Ongeldigheid
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ter zake van artikel 9 vanPro de Wegenverkeerswet met bijlagen, genummerd PL1700-200120211400242872, gesloten en ondertekend op 22 februari 2021 door [verbalisant 3] , surveillant van de politie Eenheid Rotterdam, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Datum feit: 20 januari 2021
Plaats: Rotterdam
Ik, verbalisant, zag dat op genoemde dag. datum en plaats als bestuurder reed. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Naam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Geboren op: [geboortedatum] 1981
Motorrijtuig
Personenauto
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig is verklaard. De verdachte is medegedeeld dat het rijbewijs ongeldig is verklaard.
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangetekende brief van het CBR van 8 oktober 2018, gericht aan de verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U bent aangehouden met teveel alcohol op. Daarom hebben we besloten dat u een onderzoek moet laten doen naar uw alcoholgebruik. Ook mag u voorlopig niet meer rijden. We vragen u daarom uw rijbewijs zo snel mogelijk naar ons op te sturen.
5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangetekende brief van het CBR van 17 oktober 2018, gericht aan de verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
We hebben uw rijbewijs met [nummer] ontvangen.
6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangetekende brief van het CBR van 28 februari 2019, gericht aan de verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U heeft een onderzoek naar uw alcoholgebruik gehad. De uitslag van het onderzoek is dat u niet geschikt bent om te rijden. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 7 maart 2019. En mag u niet meer rijden.
U mag niet rijden. Doet u dat toch, dan bent u strafbaar. U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken. U hoeft uw rijbewijs niet meer naar ons op te sturen. We hebben het namelijk al ontvangen.”
2.4
Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:
“De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte tenlastegelegde feit. De raadsman heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten die de Hoge Raad aan de bewijsvoering stelt, omdat volgens hem op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het rijbewijs van verdachte op 3 mei 2021 ongeldig verklaard was en er bovendien geen sprake is van de voor een veroordeling vereiste wetenschap van de ongeldigverklaring.
Het hof stelt voorop dat om tot een bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen moet blijken:
a. dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, dat het desbetreffende besluit aan hem bekend is gemaakt en dat dit besluit van kracht was doordat zes dagen zijn verlopen na die bekendmaking;
b. dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven voor de categorie waartoe het motorrijtuig behoort dat hij bestuurde;
c. dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Dat aan het onder a genoemde vereiste is voldaan, kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Het hof constateert dat aan dit vereiste is voldaan. Uit het RDW-uittreksel van 4 mei 2021 blijkt dat het rijbewijs op 7 maart 2019 ongeldig is verklaard. Aan verdachte is op 8 oktober 2018 een aangetekende brief verzonden met de mededeling dat hij in afwachting van een onderzoek naar zijn alcoholgebruik niet meer mag rijden. Het CBR heeft vervolgens op 17 oktober 2018 een brief aan verdachte verzonden, waarin staat dat zij het rijbewijs van verdachte hebben ontvangen. Ten slotte heeft het CBR verdachte, opnieuw per aangetekende post, op 28 oktober 2019 medegedeeld dat zijn rijbewijs met ingang van 7 maart 2019 ongeldig verklaard is.
Ten aanzien van het vereiste onder sub b merkt het hof op dat uit het RDW-uittreksel van 4 mei 2021 blijkt dat op het moment van het besturen van het motorrijtuig door de verdachte (nog) geen ander rijbewijs aan de verdachte was afgegeven voor de categorie waartoe het motorrijtuig behoort.
Het hof overweegt met betrekking tot het vereiste onder sub c dat de mededeling dat verdachte in afwachting van de uitslag van het onderzoek naar zijn alcoholgebruik per aangetekende brief aan verdachte is verzonden en deze brief niet retour is gekomen. Dat verdachte op de hoogte was van de inhoud van deze brief volgt uit het feit dat het CBR het rijbewijs van verdachte enkele dagen later heeft ontvangen en dat verdachte heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Verdachte heeft vervolgens op 28 februari 2019, opnieuw per aangetekende en niet retour gekomen post, een brief ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs met ingang van 7 maart 2019 ongeldig verklaard is. Voorts geldt als bijkomende omstandigheid dat verdachte op 20 januari 2021, drie maanden voor het tenlastegelegde feit, staande is gehouden wegens overtreding van artikel 9 vanPro de Wegenverkeerswet en dat toen aan hem is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig verklaard is. Verdachte heeft op 3 mei 2021 zelf ook tegenover de politie verklaard dat zijn rijbewijs ingevorderd is geweest, hij een cursus moest volgen en hij zijn rijbewijs niet heeft teruggekregen. Het hof leidt uit de hiervoor genoemde omstandigheden af dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard toen hij op 3 mei 2021 een motorrijtuig bestuurde. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”
2.5
In zijn richtinggevende arrest van 9 juli 2019 over art. 9 lid 2 WVWPro 1994 heeft de Hoge Raad over het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” het volgende overwogen:
“In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVWPro 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVWPro 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat wordt geïllustreerd door het overzicht van de rechtspraak in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.1 tot en met 10.6. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.” [1]
2.6
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt onder meer het volgende. Aan de verdachte is op 8 oktober 2018 een aangetekende (en niet retour gekomen) brief gestuurd met de mededeling dat hij onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik, dat hij voorlopig niet meer mocht rijden en met de vraag om zijn rijbewijs naar het CBR op te sturen (bewijsmiddel 4). Dat de verdachte bekend was met deze brief en de inhoud daarvan, heeft het hof afgeleid uit de omstandigheid dat het CBR enkele dagen later het rijbewijs heeft ontvangen en dat de verdachte heeft meegewerkt aan het aangekondigde onderzoek. Daarna, op 28 februari 2019, is aan de verdachte per aangetekende en niet retour gekomen brief medegedeeld dat zijn rijbewijs met ingang van 7 maart 2019 ongeldig is verklaard (bewijsmiddel 6).
2.7
Deze feiten en omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs op de ten laste gelegde datum van 3 mei 2021 ongeldig was. [2] Hieruit kan immers niet worden afgeleid dat de verdachte bekend is geraakt met de inhoud van de op 28 februari 2019 verstuurde brief waarin de ongeldigverklaring met ingang van 7 maart 2019 werd medegedeeld.
2.8
Ook de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte die hij op 3 mei 2021 tegen de verbalisant heeft afgelegd (zie bewijsmiddel 1), biedt – ook bezien tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden – onvoldoende grond voor dat oordeel. [3] De opmerking van de verdachte dat zijn rijbewijs “is ingevorderd geweest”, kan immers ook een opmerking zijn die ziet op de brief van 8 oktober 2019, waarin slechts het onderzoek naar zijn alcoholgebruik werd aangekondigd en naar aanleiding waarvan de verdachte kennelijk zijn rijbewijs naar het CBR heeft opgestuurd. Ook daarmee is dus nog niet zonder meer gezegd dat de verdachte op de hoogte is geraakt van de inhoud van de brief van 28 februari 2019 waarin werd medegedeeld dat zijn rijbewijs met ingang van 7 maart 2019 ongeldig is verklaard en dus dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs op de ten laste gelegde datum van 3 mei 2021 ongeldig was.
2.9
Wat in de onderhavige zaak naar mijn oordeel echter de doorslag geeft, is het als bewijsmiddel 3 gebruikte proces-verbaal over een eerdere staandehouding van de verdachte op 20 januari 2021. Daaruit blijkt immers dat de verdachte bij die staandehouding door een verbalisant ondubbelzinnig is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. [4] Dat is een cruciaal onderdeel van de bewijsvoering dat in de meeste zaken over deze thematiek ontbreekt en dat – zo merk ik op – ook ontbreekt in de zaak van 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2063 die door de steller van het middel in de toelichting als vergelijkingsmateriaal wordt aangehaald. Anders dan de steller van het middel, meen ik daarom dat het hof in dit geval heeft kunnen oordelen dat de verdachte op 3 mei 2021 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.1
De bewezenverklaring getuigt in zoverre dus niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
3.Slotsom
3.1
Het middel faalt. Nu de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken, het hof in hoger beroep tot een veroordeling is gekomen en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring door het hof, ligt afdoening van de middelen met de aan art. 81 lid 1 ROPro ontleende motivering niet in de rede. [5]
3.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de door het hof opgelegde straf, kan de Hoge Raad volstaan met de constatering van dat verzuim. [6]
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
4.De ondubbelzinnigheid van deze mededeling behelst een belangrijk verschil met de zaak die ten grondslag lag aan de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld, ECLI:NL:PHR:2022:1, onder 3.10 (HR: vernietiging en terugwijzing zonder veel motivering). In die zaak had het hof weliswaar overwogen dat aan de verdachte bij eerdere aanhoudingen was medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, maar bleek dat niet uit de gebruikte bewijsmiddelen en bleek deze vaststelling – na een blik achter de papieren muur – bovendien slechts uit een kruisje dat was gezet bij een voorgedrukt zinnetje op een formulier.