ECLI:NL:PHR:2024:1304

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
23/02459
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 241 SrArt. 328 SvArt. 331 SvArt. 315 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor mishandeling en feitelijke aanranding ondanks geschil over letselrapportage

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens mishandeling en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met een gevangenisstraf van één dag en een taakstraf van 90 uren. De veroordeling was gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en politieverslagen, waarin sprake was van onder meer wurging en ongewenste seksuele handelingen.

De verdediging verzocht om benoeming van een deskundige voor een aanvullende letselrapportage aan de hand van originele foto’s van het slachtoffer, omdat een eerder rapport van een forensisch arts twijfels uitte over de aard van het letsel. Het hof wees dit verzoek af, stellende dat de ernst van het letsel onvoldoende vaststond om het onderzoek toe te wijzen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast bij de afwijzing van het verzoek tot nader deskundigenonderzoek. Ook wordt geoordeeld dat de strafoplegging voldoende gemotiveerd is, ondanks een kennelijke formulering die onduidelijkheid veroorzaakte. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling en strafoplegging van het hof blijven in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02459

Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 15 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. ‘mishandeling’ en 2. ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ veroordeeld tot 1 dag gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr, alsmede 90 uren taakstraf, subsidiair 45 dagen hechtenis. Het hof heeft voorts beslist op de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof het verzoek van de raadsman tot het benoemen van een deskundige om een letselrapportage te laten opstellen op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Voordat ik dit middel bespreek, geef ik de bewezenverklaringen en de bewijsvoering, waarin de afwijzing van het betreffende verzoek is vervat, weer. Tevens citeer ik uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.

Bewezenverklaring, bewijsvoering en proces-verbaal van de terechtzitting

4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1. hij op 16 september 2018 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld, door haar bij de keel te grijpen;
2. hij op 16 september 2018 te [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid, te weten door schrijlings op [slachtoffer] te gaan zitten en haar op die manier in haar bewegingsvrijheid te beperken en door de armen van die [slachtoffer] opzij te duwen [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft verdachte die [slachtoffer] gezoend en de borsten van die [slachtoffer] betast, terwijl verdachte daarbij meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] .’
5. De bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het als bijlage bij het eindproces-verbaal van 31 mei 2019 gevoegde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 1 maart 2019 (…), voor zover inhoudende als
verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:
Van 15 op 16 september 2018 was ik op de [a-straat] in [plaats] .
Op een gegeven moment gingen [verdachte] en ik naar boven naar het dakterras om daar een sigaretje te roken. Vlak voordat we naar boven liepen zei [verdachte] : 'Ben je er klaar voor om even helemaal verkracht te worden'.
Toen de anderen beneden de deur dicht deden begon hij gelijk. Toen zwaaide hij zijn been over mij heen en duwde mijn armen met zijn armen naar de zijkant. We zaten op de bank en ik werd onderuit geduwd. Hij probeerde mij te zoenen. Hij zette een zuigzoen in mijn nek en daar heb ik foto's van. Ik zei dat ik dat niet wilde, maar hij ging toch door. Uit het niets haalde hij zijn handen van mijn armen en pakte me bij mijn keel een duwde mijn luchtpijp dicht. Op dat moment kon ik niet praten, er kwam alleen een piepgeluid uit. Toen hij mij los liet ging hij met zijn handen naar beneden naar mijn borsten. Daar zat hij aan over mijn trui heen.
Hij ging terug naar mijn hek. Ik was bang dat als ik zou gaan gillen of iets zou doen dat hij dan door zou drukken. Opeens deed hij zijn been weer over mij heen, ik ben naar de gang gelopen en heb mijn jas gepakt en ben naar buiten gerend en naar mijn huis gerend.
Ik werd steeds wakker. De volgende ochtend werd ik rond 9 of 10 uur wakker. Ik merkte dat ik niet kon slikken. Dat deed pijn. Ik zag dat ik 3 blauwe plekken in mijn hals had. Daar heb ik foto’s van gemaakt.
V: Toen hij jou probeerde te zoenen, hoe ging dat?
A: Mijn armen zaten aan de zijkant en hij probeerde mij op mijn mond te zoenen. Ik probeerde mijn hoofd weg te draaien. Maar hij heeft mij wel op mijn mond gezoend, dat was bijtend. Hij probeerde in mijn mond te komen met zijn tong. Maar ik draaide mijn hoofd weg. Dat verklaarde ook die zuigzoen in mijn nek.
2. Het als bijlage bij het eindproces-verbaal van 31 mei 2019 gevoegde, door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van 11 april 2019 (…), voor zover inhoudende als
verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:
We gingen naar [betrokkene 1]. [betrokkene 1] wilde alleen maar naar huis. [verdachte] was nog vol energie. Buiten stond [getuige 2]. Ik vroeg of hij mee ging met ons.
[verdachte] en [slachtoffer] gingen naar het dakterras. (...)
Ik zei tegen [slachtoffer] dat ik naar huis zou gaan en vroeg of ze mee ging. Ik weet niet meer precies wat ze zei. Maar de conclusie was dat ze nog even wilde blijven en Mario Bros wilde spelen.
[getuige 2] ging naar zijn eigen huis. Ik lag in mijn bed en was bijna in slaap aan het vallen. Toen kwam [slachtoffer] aan mijn deur. Ze klopte aan. Ze had helemaal grote ogen en ze was aan het hijgen. Als ik er een emotie aan zou geven zou ik angst zeggen.
Ze begon me te vertellen wat er gebeurd was. Dat ze Super Mario gingen spelen nadat wij weg waren. Toen begon hij haar opeens te tongzoenen. Hij pakte haar daarbij vast. Toen begon hij haar ook te wurgen. Ze begon te vertellen over zijn blik die hij toen kreeg. Ze vertelde dat ze de angst dat ze zou sterven. Dat ze echt dacht: ‘Nu ga ik dood’.
Ze had ook blauwe plekken in haar hals.
V: Kun je de blauwe plekken omschrijven?
A: Ze waren niet zo groot dat ze om haar hele hals heen gingen. Ze waren groter dan de afdruk van je duim. Ze waren op verschillende plekken. Het waren blauw-gelige plekken.
V: [slachtoffer] klopt 's nachts bij jou aan en verteld wat er gebeurd is. Hoe zat het toen met haar emoties?
A: Ze ademde heel snel en trilde.
V: En tijdens het gesprek dat daarop volgde?
A: Toen was ze aan het trillen.
3. Het als bijlage bij het eindproces-verbaal van 31 mei 2019 gevoegde, door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk aspirant en hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2018 (…), voor zover inhoudende als
relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op zondag 16 september 2018, omstreeks 18:00 uur, kregen wij het verzoek van de Operationeel Coördinator om te gaan naar de [b-straat 1] te [plaats] . Daar zou een vrouw wonen die op een seksueel negatieve manier was behandeld. Ze wilde geen aangifte doen, maar ze wilde graag haar verhaal kwijt. Hierop gingen wij ter plaatse.
Wij gingen zitten op de bank en [slachtoffer] vertelde haar verhaal.
Wij hoorden [slachtoffer] vertellen dat op zondag 16 september 2018, omstreeks 03:30 uur, haar vriendin [getuige 1] naar huis wilde gaan. [slachtoffer] vertelde dat ze nog ongeveer vijf minuten wilde blijven en dat ze dan zelf ook zou gaan.
Wij hoorden [slachtoffer] vertellen dat [verdachte] handtastelijk werd. Wij hoorden [slachtoffer] vertellen dat [verdachte] haar begon aan te raken en haar met zijn beide handen bij haar keel greep. Ze vertelde dat ze geen lucht kreeg en dat [verdachte] niet reageerde, terwijl [slachtoffer] stop riep. Wij zagen dat [slachtoffer] twee bloeduitstortingen op haar keel had. Wij hoorden [slachtoffer] vertellen dat [verdachte] haar bij haar borsten greep en in haar lies/schaamstreek voelde. Hij raakte haar aan op de kleding.
Wij hoorden dat de volledige naam van [verdachte], [verdachte] was.
4. Het als bijlage bij het eindproces-verbaal van 31 mei 2019 gevoegde, door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 17 september 2018 (…), voor zover inhoudende als
relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] vertelde dat [getuige 1] op een gegeven moment aan had gegeven dat ze graag wilde gaan. Ze vertelde dat ze zelf nog midden in een potje Mariokart zat en dat ze had gezegd dat ze die graag af wilde maken. Ze vertelde dat [getuige 1] en [getuige 2] vervolgens waren gegaan en dat ze zelf enkele minuten later weg wilde gaan. Ze vertelde dat zij naast [verdachte] op de bank zat en dat zij aan de linkerkant zat. Ze vertelde dat [verdachte] vervolgens schrijlings op haar was komen zitten. Ze vertelde dat [verdachte] haar vervolgens een zuigzoen in haar nek had gegeven. Ik, verbalisant, zag dat er een rode verkleuring zat aan de rechterzijde van haar hals. Ze vertelde dat [verdachte] haar vervolgens was gaan zoenen. Ze vertelde dat hij over haar kleding aan haar borsten had gezeten en dat hij aan haar bovenbeen had gezeten richting haar kruis. Ze vertelde dat ze bedacht wat ze moest doen maar dat ze op één of andere manier niets kon doen. Ze vertelde dat ze probeerde om tegen te stribbelen. Ze vertelde dat [verdachte] haar vervolgens bij haar keel had gepakt. Ik, verbalisant, zag dat zij aan beide weerszijden van haar hals, aan de voorkant onderaan twee flinke blauwe verkleuringen op haar huid had. [slachtoffer] vertelde dat zij toen heel erg bang werd dat hij haar zou wurgen. Ze vertelde dat ze ’stop' had gezegd maar dat hij haar niet los had gelaten.
5. Het als bijlage bij het eindproces-verbaal van 31 mei 2019 gevoegde, door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], beiden brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van 16 mei 2019 (…), voor zover inhoudende als verklaring van
[getuige 2], zakelijk weergegeven:
V: Aan de telefoon heb je al wat verteld over wat er vorig jaar is gebeurd met [slachtoffer] . Zou jij zelf nog een keer willen vertellen hoe je het mij verteld hebt aan de telefoon.
A: Op een zaterdag rond een uur of 3 kwam ik [getuige 1] en [slachtoffer] tegen. Zij waren naar de kroeg geweest en zij hadden daar een paar gasten leren kennen. Ze gingen bij die gasten Mario kart spelen en ze vroegen of ik ook zin had om mee te gaan.
A: Ik vroeg wie er mee wilde naar huis. [getuige 1] wilde mee. [slachtoffer] wilde nog even blijven. Ik heb [slachtoffer] gevraagd of ze mee naar huis ging maar ze zei dat ze nog even wilde blijven.
A: Ik ben toen samen met [getuige 1] naar huis gegaan en [slachtoffer] is daar gebleven.
V: En toen?
A: Ik ben naar de kerk gegaan die ochtend. Rond 13u was ik terug. Ik kreeg een appje van [getuige 1] of ik langs wilde komen omdat er wat met [slachtoffer] was. Ik ben naar [getuige 1] gegaan. Er zou iets met [slachtoffer] gebeurd zijn, ze zou zijn aangerand door die jongen waarmee ze alleen achtergebleven was.’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:

‘Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof stelt vast dat vlak na het gebeurde een informatief gesprek heeft plaatsgevonden met het slachtoffer, [slachtoffer] .
[slachtoffer] heeft toen verklaard dat verdachte op enig moment met beide handen naar haar keel heeft gegrepen en dat verdachte niet reageerde toen [slachtoffer] “stop” riep. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat verdachte over haar kleding aan haar borsten en in haar lies/schaamstreek heeft gevoeld.
Daarnaast is van belang dat de verbalisanten hebben gerelateerd dat zij twee bloeduitstortingen op de keel van [slachtoffer] zagen.
[slachtoffer] heeft later aangifte gedaan. In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij op 16 september 2018 met kennissen na een avond stappen in een ruimte in [plaats] verbleef en dat verdachte en zij samen achterbleven. Verdachte heeft zijn been over haar heen gezwaaid en met zijn armen de armen van [slachtoffer] naar de zijkant geduwd. Aangeefster werd onderuit geduwd op de bank en verdachte probeerde haar te zoenen en zette een zuigzoen in de nek van aangeefster. Aangeefster heeft gezegd dat zij dat niet wilde maar verdachte ging toch door. Verdachte heeft aangeefster bij haar keel gepakt en verdachte ging met zijn handen naar haar borsten.
[getuige 1] die in hetzelfde huis woont als aangeefster heeft verklaard dat aangeefster later in de nacht bij haar aanklopte. Aangeefster had grote ogen en was aan het hijgen. Aangeefster vertelde haar dat verdachte haar had getongzoend en haar had vastgepakt. Aangeefster ademde heel snel en trilde toen zij bij [getuige 1] kwam. [getuige 2] heeft verklaard dat hij een appje kreeg dat er iets gebeurd zou zijn met [slachtoffer] (aangeefster). Zij zou door de jongen met wie zij alleen achtergebleven was (verdachte) zijn aangerand.
Gelet op het vorenstaande is het hof, anders dan de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Daarbij acht het hof ook van belang dat het halsletsel dat aangeefster met haar telefoon heeft gefotografeerd ook is gezien door de verbalisanten. Het hof acht op grond van de inhoud van het dossier voldoende bewijs voorhanden voor de conclusie dat verdachte aangeefster bij haar keel heeft gepakt en ook andere ten laste gelegde handelingen bij haar heeft verricht, zoals het zoenen en het betasten van de borsten. Dat de verschillende verklaringen van aangeefster op enkele punten enigszins van elkaar afwijken maakt dat niet anders.
Het hof is van oordeel dat het door de verbalisanten geconstateerde letsel past bij hetgeen aangeefster heeft verklaard over het ontstaan daarvan. Nu de exacte intensiteit van het bij de keel grijpen en het zoenen niet is komen vast te staan, kent het hof aan de conclusies over het letsel in het door de verdediging overlegde rapport geen doorslaggevend gewicht toe. Het hof ziet ook geen noodzaak om het door de raadsman gedane voorwaardelijke verzoek tot een nadere rapportage met betrekking tot de foto’s van het letsel toe te wijzen.’
7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2023 houdt in dat de raadsman aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig een pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘2.26 Samengevat: het dossier bevat een verklaring van [slachtoffer] (die geen aangifte wil doen en ook niet wil meewerken aan forensisch onderzoek) en die verklaring vindt geen ondersteuning in de verklaring van andere personen die die avond eveneens aanwezig waren. Een onafhankelijke getuige ([getuige 2]) verklaarde zelfs dat hij twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .
2.27
Ook heeft [slachtoffer] aangegeven dus niet mee te willen werken aan forensisch medisch onderzoek, waaronder het maken van foto’s van de plekken in haar hals. De reden waarom zij niet mee heeft willen werken is onbekend gebleven. Er wordt een zeer zware beschuldiging geuit, maar als de politie daar verder onderzoek naar wil doen, wordt vervolgens niet meegewerkt. Dat is des te onbegrijpelijker nu het niet om heel ingrijpend onderzoek gaat, zoals inwendig onderzoek.
2.28
Door het Openbaar Ministerie is ook geen opdracht gegeven een letselrapportage door een deskundige te laten opstellen. Derhalve heeft de verdediging zich gewend tot dr. Schrooyen, welke als forensisch arts in het Landelijk Register voor Gerechtelijk Deskundigen staat ingeschreven, en zij heeft een rapport opgesteld over de toedracht van het bij aangeefster waargenomen letsel. Dit rapport is in eerste aanleg door de verdediging ingebracht en de conclusie van dit rapport was helder:
”’Vraagstelling: Kunnen de letsels, zichtbaar op de foto‘s, zijn ontstaan volgens de toedracht zoals weergegeven in de verklaringen van het slachtoffer?’
Beantwoording door forensisch arts: ‘De verkleuringen in de hals zijn qua aspect, kleur en plaats zeer waarschijnlijk niet het gevolg van het met kracht plaatsen van vingers en handen rond de hals of het met kracht dichtknijpen van de luchtpijp.’
‘De verkleuring in de hals is niet herleidbaar tot de verkleuring die past bij een zuigzoen."
2.29
Voorts merkt de deskundige het volgende op:
‘In citaat d en e geeft mw. aan dat, terwijl ze geen lucht kreeg, ‘stop ‘riep. In citaat f, dat er alleen een piepgeluid kwam. Bij ademnood is er een zeer sterke reflex dat de persoon er alles aan doet om weer lucht te krijgen. In mij bekende casuïstiek en literatuur over letsel bij wurging, worden bij het slachtoffer uitgebreide rode tot blauwe huidverkleuringen gezien en verspreid over de hals krab- en schaafletsels. Deze letsels worden niet gezien op de foto‘s.’
2.3
De forensisch arts concludeert aldus dat het waargenomen letsel zeer waarschijnlijk niet het gevolg is van het met kracht plaatsen van de vingers en handen rond de hals of het met kracht dichtknijpen van de luchtpijp. De conclusie van de forensisch arts is dus in strijd met de verklaring van aangeefster [slachtoffer] . Nog meer reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen.
2.31
De rechtbank oordeelde dat de conclusies van dr. Schrooyen weinig overtuigend zijn, omdat deze zijn gebaseerd op foto’s die van onvoldoende kwaliteit zouden zijn en daarom te weinig details laten zien. De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen reden bestaat te twijfelen aan de deskundigheid van de forensisch arts die heeft gerapporteerd. Bovendien heeft deze haar conclusies op goede wijze onderbouwd.
2.32
Mocht u, edelgrootachtbaar college, desondanks voornemens zijn het oordeel van de rechtbank over te nemen dan verzoekt de verdediging om alsnog opdracht te geven aan het Openbaar Ministerie de originele (digitale) foto’s aan het dossier te laten toevoegen en een deskundige te laten benoemen welke een letselrapportage dient op te stellen aan de hand van deze foto’s. Hierbij verzoekt de verdediging in zulks geval de volgende vraag aan de deskundige voor te leggen: “Kan het letsel, zichtbaar op de foto’s, zijn ontstaan volgens de toedracht zoals weergegeven in de verklaringen van aangeefster?”’

Bespreking van het eerste middel

8. De steller van het middel meent dat het hof, door te overwegen dat het geen noodzaak ziet om het voorwaardelijke verzoek tot een nadere rapportage met betrekking tot de foto’s van het letsel toe te wijzen, de juiste maatstaf heeft toegepast. De afwijzing zou evenwel niet zonder meer begrijpelijk zijn in het licht van het door de verdediging overgelegde rapport van dr. Schrooyen en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen blijkt ‘dat de aangeefster (drie) blauwe plekken in haar hals had en dat zij de volgende ochtend niet kon slikken omdat het pijn deed’, terwijl in het rapport van dr. Schrooyen juist wordt gesteld ‘dat de verkleuringen in de hals qua aspect, kleur en plaats zeer waarschijnlijk niet het gevolg zijn van het met kracht plaatsen van vingers en handen rond de hals of het met kracht dichtknijpen van de luchtpijp en dat de verkleuring in de hals niet herleidbaar is tot de verkleuring die past bij een zuigzoen.’
9. Het verzoek om een deskundige te (laten) benoemen die een letselrapportage dient op te stellen aan de hand van de originele (digitale) foto’s is een verzoek aan het hof als bedoeld in art. 328 Sv Pro jo. art. 331, eerste lid, Sv om gebruik te maken van de bevoegdheid omschreven in art. 315, derde lid, tweede volzin, Sv dan wel art. 316, eerste lid, Sv, in hoger beroep van toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is in beide artikelen of de noodzaak van het laten plaatsvinden van het onderzoek is gebleken. [1]
10. Uw Raad heeft in een arrest van 8 februari 2005 een specifieke regel geformuleerd voor het geval een verzoek om een tegenonderzoek wordt gedaan: [2]
‘3.5. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een dergelijk verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven.
Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van - bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.’
11. Deze rechtsregel kan worden gezien als een specifieke invulling van het noodzaakcriterium in de situatie van een verzoek om een tegenonderzoek. [3] Naar het mij voorkomt kunnen de omstandigheden van de zaak waar volgens de geciteerde overweging aan kan worden gedacht bij de beoordeling van een verzoek om een tegenonderzoek, onder omstandigheden ook worden betrokken bij de beoordeling van de noodzaak van onderzoek door een deskundige in situaties waarin nog geen deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden. Ik merk daarbij op dat (enerzijds) het recht op tegenonderzoek in de rechtspraak van het EHRM een zekere eigen positie inneemt, maar dat (anderzijds) dit recht is ingebed in het bredere recht op een fair hearing. [4]
12. Tot de gronden waarop het verzoek berust (factor a), behoort het rapport van dr. Schrooyen. Deze deskundige heeft verklaard, zo leid ik uit de pleitnota af, dat de verkleuringen in de hals zeer waarschijnlijk niet het gevolg zijn ‘van het met kracht plaatsen van vingers en handen rond de hals’. De verkleuring in de hals is volgens dr. Schrooyen ook ‘niet herleidbaar tot de verkleuring die past bij een zuigzoen’. Zij verklaart voorts dat in de haar bekende ‘casuïstiek en literatuur over letsel bij wurging’ bij het slachtoffer ‘uitgebreide rode tot blauwe huidverkleuringen’ worden gezien die niet te zien zijn op de foto’s. De pleitnota vermeldt dat dr. Schrooyen als forensisch arts staat ingeschreven in het Landelijk Register Gerechtelijk Deskundigen.
13. Wat het belang van het gevraagde onderzoek betreft (factor b) trekt de aandacht dat twee feiten zijn tenlastegelegd. Het eerste houdt in dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld ‘door haar bij de keel te grijpen’. De verklaring van het slachtoffer houdt op dit punt in dat de verdachte haar bij haar keel pakte en haar luchtpijp dicht duwde, dat zij toen niet kon praten en er alleen een piepgeluid uit kwam. En dat zij de volgende ochtend om 9 of 10 uur wakker werd en merkte dat zij niet kon slikken; dat deed pijn. Zij verklaart voorts dat zij zag dat zij drie blauwe plekken in haar hals had en daarvan foto’s heeft gemaakt (bewijsmiddel 1). [getuige 1] verklaart dat (het slachtoffer haar heeft verteld dat) verdachte haar begon ‘te wurgen’. En zij verklaart over blauwe plekken die niet zo groot waren dat ze om haar hele hals heen gingen maar die wel groter waren dan de afdruk van je duim (bewijsmiddel 2). Verbalisanten signaleren dat het slachtoffer ‘twee bloeduitstortingen op haar keel’ had (bewijsmiddel 3), respectievelijk ‘aan beide weerszijden van haar hals, aan de voorkant onderaan twee flinke blauwe verkleuringen op haar huid’ had (bewijsmiddel 4). Het hof stelt in de bewijsoverwegingen vast dat verdachte aangeefster ‘bij haar keel’ heeft gepakt, en acht van belang dat het halsletsel dat aangeefster met haar telefoon heeft gefotografeerd ook is gezien door de verbalisanten. Maar het hof is van oordeel dat ‘de exacte intensiteit van het bij de keel grijpen’ niet is komen vast te staan. Uit een en ander kan, zo begrijp ik, worden afgeleid dat het hof de passages in de bewijsmiddelen waaruit verder strekkende geweldshandelingen kunnen worden afgeleid (‘wurgen’) slechts tot het bewijs heeft gebezigd voor zover daaruit volgt dat de verdachte het slachtoffer bij de keel heeft gegrepen.
14. Het verzoek om onderzoek betreft een onderzoek aan foto’s; dat brengt mee dat het verzochte onderzoek in beginsel nog steeds mogelijk is (factor c). Het verzoek om onderzoek door een andere deskundige is pas in hoger beroep gedaan (factor d). Het rapport van dr. Schrooyen is evenwel al voor de berechting in eerste aanleg ingebracht.
15. Het hof heeft overwogen dat het ‘aan de conclusies over het letsel in het door de verdediging overgelegde rapport’ geen doorslaggevend gewicht toekent nu ‘de exacte intensiteit van het bij de keel grijpen’ niet is komen vast te staan. En dat het ‘ook geen noodzaak (ziet) om het door de raadsman gedane voorwaardelijke verzoek tot een nadere rapportage met betrekking tot de foto’s van het letsel toe te wijzen’. Ik begrijp deze afwijzing aldus dat het hof, nu het uit de bewijsmiddelen slechts afleidt dat de verdachte het slachtoffer bij de keel heeft gegrepen, het belang van het verzochte onderzoek te gering oordeelt (en derhalve geen noodzaak ziet) om het verzoek toe te wijzen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu het verzoek in de kern was gegrond op het oordeel van dr. Schrooyen over onderdelen van de verklaring van het slachtoffer waar het hof slechts aan ontleent dat de verdachte het slachtoffer bij de keel heeft gegrepen.
16. Ik merk ten overvloede nog op dat in de pleitnota een voorwaardelijk verzoek is geformuleerd voor het geval het hof voornemens zou zijn ‘het oordeel van de rechtbank over te nemen’. Dat oordeel hield (in de bewoordingen van de pleitnota) in ‘dat de conclusies van dr. Schrooyen weinig overtuigend zijn, omdat deze zijn gebaseerd op foto’s die van onvoldoende kwaliteit zouden zijn en daarom te weinig details laten zien’. Het hof heeft op heel andere gronden aan het rapport ‘geen doorslaggevend gewicht’ toegekend; in die gronden ligt besloten dat het hof rekening heeft gehouden met hetgeen de verdediging aan dat rapport heeft ontleend. Zo bezien is het maar de vraag of de voorwaarde waaronder de verdediging het verzoek heeft geformuleerd wel is vervuld.
17. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd.
19. Het hof heeft in het kader van de strafoplegging het volgende overwogen:
‘De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag met aftrek en tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.
De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende wettig bewijs of in elk geval onvoldoende overtuigend bewijs.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.
Verdachte heeft zich toen hij alleen was met aangeefster schuldig gemaakt aan mishandeling en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Daarbij heeft hij zich gedragen op een wijze die voor het slachtoffer schokkend is geweest is geweest en nog altijd is.
Het hof heeft bij de strafoplegging tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat het een oud feit betreft en dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de ernst van het feit en de impact daarvan op het slachtoffer komt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest overstijgt in beeld. Omdat de redelijke termijn is overschreden, volstaat het hof evenwel met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een duur die gelijk is aan de duur van het voorarrest in combinatie met een taakstraf.’
20. De steller van het middel voert aan dat de strafoplegging innerlijk tegenstrijdig is doordat enerzijds wordt overwogen dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf is geboden, terwijl anderzijds wordt overwogen dat met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag wordt volstaan.
21. Uit de overwegingen van het hof, bezien in samenhang met het dictum, volgt dat sprake is van een kennelijke misslag waar het hof overweegt dat ‘oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van hierna aan te geven duur, passend en geboden is’. Het hof bedoelt hier een ‘onvoorwaardelijke gevangenisstraf’. De overweging kan verbeterd worden gelezen. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag aan het middel.
22. Het middel faalt.

Afronding

23. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. [5]
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856,
2.HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228,
3.Vgl. R.A. Hoving,
4.Vgl. Hoving,
5.Inmiddels is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven,