Conclusie
1.[eiser 1] (hierna: [eiser 1] ),
[de b.v.], en samen met [eiser 1] :
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud),
1.Mundilfari B.V. (hierna: Mundilfari),
Notezakelijk),
[verweerder 2]),
,en samen met Mundilfari, Notezakelijk en [verweerder 2] :
Mundilfari c.s., in vrouwelijk enkelvoud),
Tinker Investments, en samen met Mundilfari c.s.:
Tinker c.s., in vrouwelijk enkelvoud).
start-uponderneming’ die in 2019 is gefailleerd. In feitelijke instanties van de onderhavige procedure vorderde [eiseres] van Tinker c.s. onder meer schadevergoeding op contractuele en wettelijke grondslag, ook in hoger beroep vergeefs. [eiseres] komt hiertegen op in cassatie, m.i. zonder succes.
1.Feiten
tussenarrestof
TA). [1]
start-uponderneming’ die beoogt het voor reizigers mogelijk te maken tickets voor vervoer van deur tot deur te boeken over de gehele wereld. Tinker Investments is begonnen met het aanbieden van taxiritten aansluitend op vluchten. Daartoe is speciale software ontwikkeld.
corporate finance-adviseur, die de onderneming waardeerde op € 8 miljoen, heeft [eiser 1] een tegenvoorstel gedaan om € 500.000,- te investeren en later nog eens € 500.000,- als de verwachtingen zouden worden waargemaakt. Dat voorstel is verworpen.
Actual’ cijfers) en de eerste vijf maanden van 2017 (‘
Plan’ cijfers) (hierna: het
financiële overzicht).
akte levering en uitgifte van aandelen) gepasseerd. [de b.v.] heeft op die datum 436.070 nieuw uitgegeven aandelen in Tinker Investments (10%) ontvangen en 218.035 bestaande aandelen (5%) gekocht van Mundilfari, Notezakelijk en [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), de
general counselvan Tinker Investments. Voor de nieuw uitgegeven aandelen heeft [de b.v.] € 997.819,70 betaald, voor de bestaande aandelen € 2.180,35 (zijnde de nominale waarde).
Mededelingsplicht
investeringsovereenkomst).
(…)
(…)
bank) van ongeveer € 450.000,- boven het toegestane krediet van € 600.000,-. Direct nadat [de b.v.] het bedrag van haar investering (€ 1 miljoen) op de bankrekening van Tinker Investments had gestort, heeft de bank de overstand ingetrokken en geen verdere overstand toegestaan. Tinker Investments kwam hierdoor in liquiditeitsproblemen. Daarover heeft onder meer op 16 maart 2017 overleg plaatsgevonden tussen [eiser 1] , bureau BoVen, [verweerder 2] en [verweerder 3] .
[betrokkene 2]) opdracht gegeven om te onderzoeken of de onderneming rendabel kon worden gemaakt door verdere investeringen. [betrokkene 2] heeft geconcludeerd dat daarvoor € 1,3 miljoen nodig was. Aan [betrokkene 2] is voor zijn onderzoek met datum 5 april 2017 een overzicht verstrekt van de cijfers van Tinker Investments over de laatste drie maanden van 2016 (‘
Actual’ cijfers) en de eerste vijf maanden van 2017 (‘
Plan’ cijfers) (hierna: het
nieuwe financiële overzicht).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank).
tussenvonnis) en daaropvolgende aktewisseling tussen partijen, bij vonnis van 3 oktober 2018 (hierna: het
eindvonnis) de vorderingen van [eiseres] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg, uitvoerbaar bij voorraad.
hof).
eindarrestof
EA) heeft het hof, kort gezegd: het eindvonnis bekrachtigd; [eiseres] veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad; en het anders of meer dan in eerste aanleg gevorderde, afgewezen. In het eindarrest overweegt het hof, bij wege van verdere beoordeling en volgend op rov. 2.1-2.4:
Dit geldt ook voor de kosten van partij-deskundigen ad in totaal € 65.105,18 die [eiseres] vorderen. Dat deze kosten redelijk zijn en in voldoende causaal verband staan tot de aan Mundilfari c.s. te verwijten schending van financiële garanties is door [eiseres] onvoldoende aangetoond.
Dit brengt mee dat het hof met de rechtbank tot de conclusie komt dat de vordering van [de b.v.] niet kan worden toegewezen. Dit geldt ook voor de vermeerderde eis die in hoger beroep voorligt.
Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. [eiseres] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Dat in de gegeven omstandigheden ook de kosten van de door Mundilfari c.s. ingeschakelde deskundige (…) voor vergoeding door [eiseres] in aanmerking komen is door Mundilfari c.s. onvoldoende toegelicht. (Noch het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW Pro noch het bepaalde in artikel 239 Rv Pro biedt daarvoor voldoende basis.) Deze vordering zal derhalve niet worden gehonoreerd”.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
IBV) reeds daarom betrekkelijke waarde heeft. Want dit is tegenstrijdig met rov. 3.8.3-3.8.4 TA. In elk geval is zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, onbegrijpelijk dat volgens het hof de cijfers van het nieuwe financiële overzicht slechts "betrekkelijke waarde" hebben. Want het hof heeft wel op basis van die cijfers geoordeeld dat de cijfers uit het financiële overzicht niet klopten. Dit is
klacht a.
klacht b.
klacht a.
klacht b.
subonderdeel 1.1.
Actual’ zijn opgenomen. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de door Mundilfari c.s. op dit punt in de investeringsovereenkomst verstrekte garantie [5] is geschonden, aldus rov. 3.8.3, tweede zin TA. Hierin staat niet (evenmin impliciet) dat volgens het hof van de juistheid van de cijfers van het nieuwe financiële overzicht moet worden uitgegaan.
Actual’ met betrekking tot december 2016 een bedrag van € 63.637,- wordt genoemd, terwijl in het nieuwe financiële overzicht hier € 606.960,- negatief wordt vermeld. Dat het [eiseres] vrij stond de in het tussenvonnis en het eindvonnis “niet genoemde verschillen als deze” in hoger beroep aan de orde te stellen. Dat niet valt in te zien dat het tussenvonnis een eindbeslissing inhield “op het punt van de in aanmerking te nemen onjuiste cijfers/verschillen”. En: “Het ‘verschil’ in de cijfers zal hierna in rov. 3.8 aan de orde komen”. Ook hierin staat niet (evenmin impliciet) dat volgens het hof van de juistheid van de cijfers van het nieuwe financiële overzicht moet worden uitgegaan.
actuals’ in het financiële overzicht. Ook hierin staat niet (evenmin impliciet) dat volgens het hof van de juistheid van de cijfers van het nieuwe financiële overzicht moet worden uitgegaan.
Plan’ zijn opgenomen (cijfers die een beeld geven over de toekomst) met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen, voor zover het de cijfers over januari 2017 betreft. De conclusie in rov. 3.8.4, laatste zin TA luidt: [7] “Gelet op de verschillen tussen het Financiële Overzicht en het Nieuwe Financiële Overzicht” moet worden aangenomen dat met betrekking tot deze cijfers de door Mundilfari c.s. gegeven garantie is geschonden. Ook hierin staat niet (evenmin impliciet) dat volgens het hof van de juistheid van de cijfers van het nieuwe financiële overzicht moet worden uitgegaan.
klacht a.
het rapport van IBV, die betrekkelijke waarde heeft (omdat in dit rapport ten onrechte tot uitgangspunt wordt genomen dat volgens het hof in het tussenarrest de cijfers van het nieuwe financiële overzicht juist zijn). Zie onder 3.7.1 hiervoor.
klacht b.
subonderdeel 1.2.
klacht a.
klacht b.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht a.
Het hof zal de zaak daartoe verwijzen naar de rolzitting van 1 november 2022 voor het nemen van een akte, eerst [de b.v.] en daarna Mundilfari c.s.”.
actuals’ in het Financiële Overzicht”. [12] Dit strookt ook met het feit dat het hof eerst in rov. 3.9 TA (“zulks mede in het licht van”, etc.), bij de instructie van partijen inzake de aktewisseling, verwijst naar art. 7.4 van de investeringsovereenkomst. Overigens lees ik in de akte na tussenarrest evenmin dat volgens [eiseres] het hof in rov. 3.8.3-3.9 TA (ook) al aannemelijk zou hebben geacht dát zij schade heeft geleden die Mundilfari c.s. dan wel Tinker c.s. moet vergoeden. [13]
klacht b.
klacht c.
klacht a.
‘s Hofs oordeel dat niet van de door partijen overeengekomen koopprijs/waardering van € 1 miljoen kan worden uitgegaan is onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft vastgesteld dát de waarde op basis van de cijfers van het financiële overzicht geen € 1 miljoen bedroeg. Het hof heeft slechts als redenen genoemd waarom niet zonder meer van de koopprijs kan worden uitgegaan (i) dat niet is gebleken dat daaraan een concrete waardering van de onderneming ten grondslag lag (bijvoorbeeld met behulp van een adequaat
due diligenceonderzoek) en (ii) dat in een geval van een
start-upals de onderhavige ook verwachtingen omtrent de toekomstperspectieven een rol zullen spelen, maar die redenen kunnen diens oordeel niet dragen. Niet valt immers in te zien dat de omstandigheid dat geen (adequaat)
due diligenceonderzoek heeft plaatsgevonden, kan afdoen aan “het voorgaande”. [18] Daar komt bij dat [eiseres] heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de investering wel degelijk (adequaat) onderzoek heeft plaatsgevonden door BoVen, die Tinker c.s. ook uitvoerig heeft bevraagd over de verstrekte cijfers, die later echter onjuist zijn gebleken. Evenmin valt in te zien dat voor de waarde van de onderneming niet kan worden aangesloten bij de koopprijs, omdat in de koopprijs ook toekomstverwachtingen plegen te worden verdisconteerd. [19] Dit is
klacht b.
In het bijzonder is ’s hofs oordeel dat niet kan worden uitgegaan van een waarde van € 1 miljoen onvoldoende gemotiveerd, omdat het niet vaststelt dat de waarde van de aandelen, uitgaande van de gegarandeerde cijfers van het financiële overzicht, zodanig was dat [de b.v.] géén schade heeft geleden, waarmee het hof de mogelijkheid in het midden heeft gelaten dat [de b.v.] wel degelijk schade heeft geleden. Dit is
klacht c.
Verder is ’s hofs verwerping van het standpunt dat de waarde van de aandelen, uitgaande van het voorafgaand aan de transactie verschafte financiële overzicht, op € 1 miljoen te stellen viel, ook onbegrijpelijk in het licht van het rapport van IBV (waarin de waarde van de aandelen per 17 februari 2017 uitkwam op € 1.557.000). [20] Dit geldt te meer nu het hof is voorbijgegaan aan een essentiële stelling van [eiseres] (dat Tinker c.s. zich, kort voor de verstrekking van het financiële overzicht, op het standpunt heeft gesteld dat de aandelen € 1,5 miljoen waard waren; namelijk 15% van € 10 miljoen). [21] Dit is
klacht d.
Hoe dan ook had het hof (“(vergelijk in deze zin ook het vorige onderdeel)”), nu het van oordeel was dat niet met [eiseres] kon worden uitgegaan van een waarde van € 1 miljoen, zelf moeten vaststellen wat de waarde dan geweest zou zijn, uitgaande van de aan [de b.v.] gegarandeerde cijfers. Dit is
klacht e.
klacht a.
medio februari 2017een faillissement onafwendbaar was. Want het hof noemt hierin andere factoren die in februari 2017 nog in de toekomst lagen, zoals het ook onderkent met “uiteindelijk”. Voor zover andere ontwikkelingen later in 2017 uiteindelijk al de aanleiding zijn geweest voor de faillissementsaanvraag, doet dat immers niet af aan de waarde van het aandelenpakket van [de b.v.] per 17 februari 2017, wat de peildatum is voor de schadebepaling. Dit is
klacht b.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
subonderdeel 3.1.
SOLL”) en (ii) die waarin de garanties wel zijn geschonden (“
IST”). Volgens [eiseres] is die waarde in situatie (i) € 1 miljoen, in situatie (ii) nihil. [24]
In die tweede alinea voegt het hof daaraan toe dat in dit verband onvoldoende zegt dat partijen in het kader van de aandelentransactie een koopsom van € 1 miljoen zijn overeengekomen, nu niet is gebleken dat aan die koopsom een concrete waardering van de onderneming ten grondslag lag. [27] Met dit laatste brengt het hof m.i. tot uitdrukking dat bij die overeengekomen koopsom qua financiële cijfers van de onderneming door partijen is uitgegaan van de financiële cijfers in het financiële overzicht (waaruit het hof dus niet kan opmaken dat de waarde van 15% van de onderneming per 17 februari 2017 te stellen viel op € 1 miljoen), niet van zo’n concrete waardering (oftewel van financiële cijfers van de onderneming waaruit blijkt dat die 15%-waarde per medio februari 2017 te stellen viel op € 1 miljoen). [28] Reeds daarom maakt die overeengekomen koopsom van € 1 miljoen de uitkomst ter zake niet anders.
Daaraan voegt het hof nog toe - als extra argument inzake die overeengekomen koopsom van € 1 miljoen, nog steeds in die tweede alinea - dat aangenomen moet worden dat zeker in geval van een
start-upals de onderhavige bij de onderhandelingen over/bepaling van de voor de aandelen daarin te betalen vergoeding, dus de koopsom, (ook) verwachtingen omtrent de toekomstperspectieven/potentie van de bedrijfsmatige activiteiten van de onderneming [29] een (belangrijke) rol zullen spelen, wat die koopsom dus kleurt. En dat onvoldoende is toegelicht (ik begrijp: door [eiseres] ) dat dit laatste hier, dus bij die overeengekomen koopsom van € 1 miljoen, anders lag. Ook daarom maakt die overeengekomen koopsom van € 1 miljoen de uitkomst ter zake niet anders.
In rov. 2.4, derde alinea EA voegt het hof daaraan toe dat al in het tussenarrest is overwogen dat medio februari 2017 kenbaar was dat er bij de onderneming een liquiditeitsbehoefte bestond. Daarop laat het hof in die derde alinea volgen dat uit hetgeen [eiseres] ter zake heeft aangevoerd, onder verwijzing naar het rapport van IBV, niet kan worden geconcludeerd dat medio februari 2017 “reeds op basis van” die werkelijke cijfers moest worden aangenomen dat die liquiditeitsbehoefte niet zou kunnen worden vervuld [30] en dat de onderneming als gevolg hiervan in een situatie verkeerde dat een faillissement onafwendbaar was. Want ook daar zullen verwachtingen omtrent de potentie van een onderneming een rol spelen, aldus nog steeds het hof (voortbouwend op het slot van rov. 2.4, tweede alinea EA). Dat dit laatste hier anders lag, is door [eiseres] onvoldoende toegelicht, zo versta ik het hof.
klacht a.
klacht b.
due diligenceonderzoek te laten uitvoeren. Iets anders is dat het hof bij diens oordeel dat voornoemde omstandigheid hier onvoldoende gewicht in de schaal legt, nu niet is gebleken dat aan die overeengekomen koopsom een concrete waardering van de onderneming ten grondslag lag, als illustratie betrekt dat niet gebleken is dat [eiseres] zo’n onderzoek heeft laten uitvoeren. Wat er verder zij van de opmerking in de klacht dat een garantiebepaling als de onderhavige ertoe strekt zo’n onderzoek overbodig te maken, deze laat het voorgaande hoe dan ook onverlet. Want dit ziet voorbij aan die toets en ’s hofs toepassing daarvan (met inachtneming van het partijdebat), die dus goed te volgen is. De uitkomst wordt evenmin anders door de opmerking in de klacht [38] dat [eiseres] heeft aangevoerd dat vóór de investering wel degelijk (adequaat) onderzoek heeft plaatsgevonden door BoVen, die Tinker c.s. ook uitvoerig heeft bevraagd over “de verstrekte cijfers, die later echter onjuist zijn gebleken”. Daarin hoefde het hof niet te lezen, wat het dus ook niet doet, dat [eiseres] wel een adequaat
due diligenceonderzoek heeft laten uitvoeren (strekkend tot een concrete waardering van de onderneming) als het hof voor ogen heeft in rov. 2.4, tweede alinea, derde zin EA. Zie ook onder 3.32.9 hiervoor.
klacht c.
klacht d.
SOLL-scenario”, beroept op een waarde van 15% van de aandelen in Tinker Investments van € 1 miljoen, zijnde de door partijen overeengekomen waardering van de aandelen. [44] En niet (mede) op een (minimum)waarde van de aandelen in relatie tot de in de klacht bedoelde e-mail van 3 februari 2017 van [betrokkene 1] . Dit strookt bijvoorbeeld met de akte na tussenarrest. [45] En met de vindplaats waarop de klacht zich beroept, maar selectief. [46] Daar wijst [eiseres] op die e-mail van 3 februari 2017, maar vervolgt zij aldus:
klacht e.
subonderdeel 3.2.
klacht a.
klacht b.
afwezigheid van zulke verwachtingen medio februari 2017 in dit rapport, en aldus ook door [eiseres] , onvoldoende feitelijk is onderbouwd. Dit is niet onbegrijpelijk, want dit rapport bevat ook geen noemenswaardige, betekenisvolle observaties in dit verband. Voor zover de klacht hier rept van “verwachtingen van een eventuele nadere investeerder” die in dit rapport “zijn beredeneerd en verdisconteerd” op p. 32: daar lees ik zulke observaties evenmin. [49]
subonderdeel 3.3.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
klacht a.
klacht b.
subonderdeel 4.1.
Ter versterking van deze garantie hebben [verweerder 2] en [verweerder 3] aan het slot van de Investeringsovereenkomst verklaard als middellijk bestuurders van Tinker Investments voor de door deze afgegeven garanties in te staan. Niet in geschil is dat zij daarmee een persoonlijke aansprakelijkheid voor de nakoming van de financiële garanties hebben aanvaard.
subonderdeel 4.2.
klacht a.
klacht b.
subonderdeel 4.3.
subonderdeel 4.4.
klacht a.
klacht b.
was. Dit is
klacht c.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
start-upeen liquiditeitsbehoefte een gangbaar fenomeen is, nog niet meebrengt dat in afwachting van nadere investeringen een overstand zal ontstaan. In elk geval ontslaat die liquiditeitsbehoefte de vertegenwoordigers van de vennootschap die onderhandelen met een potentiële investeerder niet ervan een dergelijke overstand te melden, om de in subonderdeel 5.3 uiteengezette redenen. Dit is
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
subonderdeel 5.1.
Wat de overstand betreft hebben Mundilfari c.s. er terecht op gewezen dat het bestaan van liquiditeitsbehoefte bij een start-up als Tinker Investments een gangbaar fenomeen is en in zoverre viel te verwachten dat in afwachting van nadere investeringen in de vennootschap een overstand bij de Bank zou ontstaan. In het licht hiervan is er evenmin grond om het niet mededelen van de overstand te kwalificeren als bedrog.
corporate finance-adviseur), waarop zijdens Mundilfari c.s. ook is gewezen (zie rov. 2.2, tweede alinea TA). Bij deze stand van zaken, zo versta ik het hof, hoefde zijdens Tinker c.s. die begeleiding niet ook nog eens met zoveel woorden aan [eiseres] te worden gemeld ter gelegenheid van de door [de b.v.] in februari 2017 gedane investering in Tinker Investments. Met andere woorden: ter zake is [eiseres] zijdens Tinker c.s. naar behoren ingelicht ten tijde van die investering.
subonderdeel 5.2.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
nietkan worden gevolgd in haar stelling dat het financiële overzicht onjuiste cijfers bevat op het punt van “de cashflow”. Ik lees in het tussenarrest en het eindarrest geen daarvan afwijkend oordeel van het hof. [80]
subonderdeel 5.3.
klacht a.
klacht b.
start-upals Tinker Investments een gangbaar fenomeen is en in zoverre viel te verwachten dat in afwachting van nadere investeringen in de vennootschap een overstand bij de bank zou ontstaan. [84] Maar ook tegen de achtergrond van rov. 3.6.3, eerste alinea TA inzake de onderbrenging van Tinker Investments bij Bijzonder Beheer, in welk kader haar blijkens het partijdebat - en daarvan gaat kennelijk ook het hof uit - die overstand door de bank is toegestaan. [85] In die eerste alinea wijst het hof al onder meer erop dat het inzake Tinker Investments kenbaar was voor [eiseres] “dat (in afwachting van nadere investeringen) er een duidelijke behoefte was aan meer krediet”, etc. [86] Ook in dit verband betrekt het hof trouwens de in art. 7.3 investeringsovereenkomst/op p. 6 van de akte uitgifte en levering van aandelen bedoelde mededelingsplicht. [87] En ook het voorgaande valt niet los te zien van het vastgestelde feit dat [eiseres] is bijgestaan door adviseurs (zie rov. 2.2 onder (v) TA), waarop zijdens Mundilfari c.s. dus ook is gewezen (zie rov. 2.2, tweede alinea TA).
klacht c.
subonderdeel 5.4.
klacht a.
start-upals Tinker Investments een gangbaar fenomeen is en in zoverre viel te verwachten dat in afwachting van nadere investeringen in de vennootschap, dus in Tinker Investments, een overstand bij de bank zou ontstaan. Dit oordeel moet bovendien niet geïsoleerd worden bezien, maar mede in het licht van rov. 3.6.3, eerste alinea TA waarin het hof al onder meer erop wijst dat het inzake Tinker Investments kenbaar was voor [eiseres] “dat (in afwachting van nadere investeringen) er een duidelijke behoefte was aan meer krediet”, etc. Zie onder 3.84.1 hiervoor. Waarom voornoemde oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk zou zijn, maakt de klacht niet duidelijk en valt zonder méér ook niet in te zien. Voor het overige bouwt de klacht voort op subonderdeel 5.3, dat faalt, en deelt de klacht dus in dat lot. Zie onder 3.82-3.85.1 hiervoor.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
subonderdeel 5.5.
subonderdeel 5.6.
gericht is op een anderin ieder geval misleidend is indien sprake is van een misleidende omissie als bedoeld in art. 6:194 lid 2 en Pro/of lid 3 BW. Voor zover het hof van oordeel is geweest dat het door [verweerder 2] en [verweerder 3] aan [eiseres] verstrekken van het financiële overzicht (ook) niet kan worden aangemerkt als het doen van een mededeling specifiek gericht op [eiseres] , is dat oordeel onbegrijpelijk. Voor zover het hof in de stellingen van [eiseres] geen beroep op een misleidende omissie heeft gelezen, is dit onbegrijpelijk.
subonderdelen 6.1-6.2, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
mededelingen als bedoeld in art. 6:194 BW Pro. [89] Mede daarop is door Tinker c.s. ook verweer gevoerd. [90] Het voorgaande is zelfstandig dragend voor de verwerping door het hof in rov. 3.5, tweede zin TA van het door [eiseres] gedane beroep op art. 6:194 lid Pro 1-3 BW.
subonderdeel 6.3.
Het hof concludeert in rov. 3.2 TA al dat in de stellingen van [eiseres] geen grond is gelegen om Tinker c.s. (Mundilfari c.s.) jegens [eiser 1] in privé op grond van contractuele of wettelijke grondslag aansprakelijk te achten voor de schade die inzet is van het onderhavige geding. Blijkens rov. 3.6.1-3.6.8 TA leiden de door [eiseres] aangevoerde stellingen volgens het hof niet tot de gevolgtrekking dat zijdens Tinker c.s. sprake is geweest van zo’n bewuste misleiding/bedrog van [de b.v.] ; en gelet op wat het hof daar uiteenzet, evenmin van [eiser 1] . In dit kader valt mede te wijzen op rov. 3.6.4 en (de ‘tweede’) 3.6.5 TA, waaruit volgt dat volgens het hof op het punt van de cijfermatige verschillen tussen het financiële overzicht en het nieuwe financiële overzicht in het feitenmateriaal
onvoldoende steun vindt dat Mundilfari en Notezakelijk (de bestuurders van Tinker Investments) zich aan bedrog schuldig hebben gemaakt, oftewel aan bewuste misleiding, en dat [verweerder 2] en [verweerder 3] (de indirecte bestuurders van Tinker Investments) ter zake een persoonlijk ernstig verwijt treft.
Bij deze stand van zaken is evenmin onbegrijpelijk dat in de opzet van het tussenarrest daarmee ook de bodem wegvalt onder het (volgens het hof) bij wege van sequeel gedane beroep van [eiseres] op “het geven van de misleidende voorstelling van de financiële toestand van de Vennootschap (art. 2:249 BW Pro)” door handelen van Mundilfari c.s. Daarmee stuiten voor het hof in het tussenarrest de vorderingen van [eiseres] voor zover gebaseerd op art. 2:249 BW Pro, waarbij het hoogstens kan gaan om “tussentijdse cijfers” als bedoeld in de eerste zin van deze bepaling, hoe dan ook al af op het vereiste van het geven van een misleidende voorstelling als bedoeld in de eerste zin van deze bepaling. [98] Aldus valt best in te zien dat de bestuurders (of via art. 2:11 BW Pro: de indirect bestuurders) van Tinker Investments hier tegenover [eiseres] niet aansprakelijk zijn op de voet van art. 2:249 BW Pro. Zodoende zet het hof logische denkstappen in een sluitende, tot verwerping leidende redenering; zij is niet onbegrijpelijk.
Subonderdeel 7.1komt hierop neer. [eiseres] heeft vorderingen ingesteld tegen Mundilfari c.s. onder meer op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, hierin gelegen dat zij wist of behoorde te weten dat de verstrekte garanties in de investeringsovereenkomst en de akte levering en uitgifte van aandelen geschonden zouden worden, en dat Tinker Investments - gelijk Notezakelijk en Mundilfari - de door [eiseres] dientengevolge geleden schade niet zou kunnen vergoeden. Het hof heeft dit een en ander niet (kenbaar) besproken. Als het hof dit een en ander niet heeft gelezen in de gedingstukken, is dit onbegrijpelijk. Als het hof de desbetreffende verwijten aan het adres van Mundilfari c.s. niet heeft besproken, omdat het tot het oordeel kwam dat er geen door Tinker c.s. te vergoeden schade is komen vast te staan, geldt dat na gegrondbevinding van klachten uit onderdelen 1-3 deze bestuurdersaansprakelijkheid alsnog moet worden beoordeeld.
Subonderdeel 7.2komt hierop neer. Gegrondbevinding van een of meer van de klachten van onderdelen 4-6 vitieert ook het (deels impliciete) oordeel van het hof dat Mundilfari c.s. op het desbetreffende onderwerp niet persoonlijk aansprakelijk is uit onrechtmatige daad (ernstig verwijt).
subonderdeel 7.1.
subonderdeel 7.2.
Subonderdeel 8.1komt hierop neer.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht a.
klacht b.
schuldeiservan [de b.v.] , niet als aandeelhouder van [de b.v.] Integendeel.
aandeelhoudervan [de b.v.] , maar getracht ingang te doen vinden dat daarbij niet enkel sprake is van afgeleide schade, nu ook jegens [eiser 1] in privé onrechtmatig zou zijn gehandeld (dus niet alleen jegens [de b.v.] , tevens jegens [eiser 1] als haar aandeelhouder). Nergens daarin wordt opgemerkt dat [eiser 1] schuldeiser is van [de b.v.] , dit betoog is ook niet zo begrepen door Tinker c.s. (Mundilfari c.s.). [106]
klacht c.
Subonderdeel 9.1komt hierop neer.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
Subonderdeel 9.2komt hierop neer. Zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, valt niet in te zien dat het bedrag van € 14.889,05 voor het onderzoek van [betrokkene 2] , en dus tot het vaststellen van (schade, maar in elk geval van) aansprakelijkheid en/of beperking van schade, onredelijk zou zijn of dat die kosten in onvoldoende verband zouden staan met de garantieschending. Dat rapport heeft immers, naar [eiseres] ook heeft gesteld, geleid tot het blootleggen van de onjuistheden in het financiële overzicht en het opstellen van het nieuwe financiële overzicht.
subonderdeel 9.1.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
subonderdeel 9.2.