ECLI:NL:HR:2020:2098

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
19/04605
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over niet-vergoedbare afgeleide schade in ondernemingsrecht

In deze zaak stond centraal de vraag of sprake was van afgeleide schade die niet voor vergoeding in aanmerking komt, voortvloeiend uit een ondernemingsrechtelijke context. Eiser stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden, terwijl Rabobank een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde.

De Hoge Raad heeft de klachten van het principale cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de arresten van het hof. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Het voorwaardelijk incidentele beroep behoeft daarom geen behandeling.

De Hoge Raad bevestigt hiermee het eerdere oordeel van het hof en veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten. Deze uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de vergoeding van afgeleide schade in het ondernemingsrecht en bevestigt de grenzen van aansprakelijkheid in dergelijke contexten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/04605
Datum18 december 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser],
advocaat: D. Rijpma,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: Rabobank,
advocaat: T.T. van Zanten.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/08/129059 / HAZA 12-182 van de rechtbank Almelo van 31 oktober 2012, en van de rechtbank Overijssel van 7 augustus 2013, 23 oktober 2013 en 7 januari 2015;
de arresten in de zaak 200.167.819 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017 en 9 juli 2019.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld. Rabobank heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Rabobank mede door M.E. ten Brinke.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van Rabobank heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van deze arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 6.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
18 december 2020.