Conclusie
Poot/ABP-regel (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564): afgeleide schade in de vorm van waardevermindering van aandelen in een vennootschap als gevolg van onrechtmatig handelen of wanprestatie van een derde jegens die vennootschap kan in beginsel niet door de aandeelhouder op die derde worden verhaald. In geval van schending van een specifieke jegens de aandeelhouder in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm is er weliswaar ruimte voor een uitzondering, maar volgens het hof is niet gebleken dat Rabobank jegens [eiser] een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Daarbij heeft het hof ook gewezen op een mogelijk ongewenste samenloop tussen de vordering van [eiser] en die van de (curatoren van de) gefailleerde ondernemingen.
Poot/ABP-regime onder vuur. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Rabobank heeft onder meer betrekking op het door het hof voorshands aangenomen causaal verband tussen de wanprestatie van Rabobank en [eiser] ’ schade.
1.Feiten
grace periodvanaf 1 juni 2002 tot en met mei 2003, hetgeen tijdelijk ƒ 1.2 miljoen zou opleveren, waarna betaling in zes gelijke termijnen zou moeten plaatsvinden;
ƒ970
2.Procesverloop
cash flowover 2003 (in het bijzonder door verkoop van vastgoed) heeft het hof kanttekeningen geplaatst:
ABP/Poot).Dat kan anders zijn als sprake is van een schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens een aandeelhouder; dan komt de schade van de aandeelhouder als gevolg van de waardevermindering mogelijk wel voor vergoeding in aanmerking. Het feit dat afgeleide schade definitief is geworden – omdat de vennootschap zelf de schade niet meer kan vorderen – is op zichzelf onvoldoende om de aandeelhouder recht te geven op vergoeding van zijn (afgeleide) schade (HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3671,
[...] /SFT).”
ABP/Pootgestelde norm is immers niet van toepassing voor zover door de aandeelhouder vergoeding wordt gevorderd van schade die hij op andere wijze lijdt dan door vermindering van de waarde van zijn aandelen in de vennootschap (HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419,
Tuin Beheer).”
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Poot/ABP-regel. Onderdeel 4 kiest een andere invalshoek: mocht in cassatie worden aangenomen dat [eiser] vergoeding van afgeleide schade vordert, dan heeft het hof miskend dat Rabobank jegens [eiser] een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden zodat de gestelde aandeelhoudersschade, ook wanneer het afgeleide schade zou zijn, wel degelijk voor vergoeding in aanmerking komt.
Poot/ABP-arrest [7] heeft Uw Raad aan dat recht beperkingen gesteld waarvan reikwijdte en betekenis in latere rechtspraak aan de orde zijn gekomen. Daarbij is het zinvol om onderscheid te maken tussen ‘afgeleide’ en ‘rechtstreekse’ schade, omdat de zogenoemde
Poot/ABP-regel zich enkel verzet tegen vergoeding aan de aandeelhouder van afgeleide schade. Op deze
Poot/ABP-regel heeft Uw Raad echter wel een uitzondering mogelijk gemaakt, die de aandeelhouder onder omstandigheden toch recht geeft op vergoeding van afgeleide schade. [8] Hierna komen deze drie thema’s in deze volgorde voorbij: (1) het onderscheid tussen ‘afgeleide’ en ‘rechtstreekse’ schade, (2) de betekenis en reikwijdte van de
Poot/ABP-regel en (3) de betekenis en reikwijdte van de uitzondering op de
Poot/ABP-regel.
ofer aansprakelijkheid is. Bij (een claim ter zake van) aandeelhoudersschade ligt dat in zoverre anders dat het van het type schade (afgeleide of rechtstreekse) afhankelijk is of de
Poot/ABP-regel in beeld komt. Die regel verzet zich, kort gezegd (hierna randnummers 3.9 e.v.), tegen toewijzing van een zelfstandige claim van de aandeelhouder tot vergoeding van schade die deze heeft geleden in de vorm van waardevermindering van zijn aandelen, althans wanneer deze schade is te beschouwen als ‘afgeleide’ en niet als ‘rechtstreekse’ schade.
Licorne [9] en
Potplantenkwekerij [10] zijn illustratief. Uit beide arresten volgt dat alleen wanneer sprake is van ‘afgeleide schade’ de
Poot/ABP-regel – die beperkingen stelt aan het recht van de aandeelhouder op vergoeding van vermindering van zijn aandelen in een vennootschap, zie hierna randnummers 3.9 e.v. – van toepassing is. Als géén sprake is van afgeleide schade, maar van wat in dit verband wel ‘rechtstreekse schade’ wordt genoemd, bepaalt uitsluitend het algemene aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht of de schadeclaim van de aandeelhouder toewijsbaar is; de
Poot/ABP-regel blijft dan buiten beeld. [11] Dit licht ik hierna, nadat ik het verschil tussen afgeleide en rechtstreekse schade heb uiteengezet, nog toe aan de hand van beide zojuist genoemde arresten (
Licorneen
Potplantenkwekerij) en het arrest
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijk. [12]
Poot/ABP-regel nog uitgebreider aan de orde komende,
Potplantenkwekerij-zaak sprake van afgeleide schade – de schade van de aandeelhouder was het gevolg van de vermogensschade van de vennootschap –, hoewel ervan moest worden uitgegaan dat jegens de vennootschap (in die zaak een dochtermaatschappij van de holding die vergoeding van aandeelhoudersschade claimde) geen onrechtmatige daad was gepleegd. [15] Ontbreekt dat verband tussen de schade van de aandeelhouder en de vermogensschade van de vennootschap, dan is er dus geen sprake van afgeleide schade maar van rechtstreekse schade. [16]
Licorne-zaak was dat laatste het geval. Nadat Licorne Holding de aandelen van Licorne International had overgenomen, heeft zij de verkoper van die aandelen, kort gezegd, aansprakelijk gesteld vanwege de gevolgen van verschillende aan het licht gekomen BTW-fraudezaken. Deze zaken zouden voor Licorne Holding verborgen zijn gehouden en ertoe hebben geleid dat de aandelen minder waard bleken te zijn dan Licorne Holding op grond van de garanties mocht verwachten. Zij heeft dus een te hoge koopprijs betaald. Het hof heeft de vorderingen afgewezen, omdat hier sprake zou zijn van afgeleide schade die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens Uw Raad kon dit oordeel van het hof echter niet in stand blijven: [17]
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijk-zaak [18] aandacht. In die zaak hadden de (gewezen) aandeelhouders – Kip en Sloetjes – Rabobank aansprakelijk gesteld onder meer vanwege de door hen geleden schade als gevolg van het feit dat zij hun aandelen onder druk van Rabobank op een zeer ongunstig tijdstip moesten verkopen. Daardoor waren de aandelen tegen een te lage koopprijs verkocht. Uw Raad hanteerde uitdrukkelijk niet de
Poot/ABP-regel; de beslissing van Uw Raad staat in het teken van toepassing van het gewone aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. [19] Vanwege de vervreemding van de aandelen, was hier geen sprake (meer) van afgeleide schade. De schade die Kip en Sloetjes hadden geleden, stond in geen enkel verband met een eventuele vermogensschade van de vennootschap; er was dus hier sprake van rechtstreekse schade. [20]
rechtstreekseschade, de aandeelhouder zelfstandig aanspraak kan maken op vergoeding. Of hij daarbij succes boekt, is afhankelijk van het algemene aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht, maar niet van de
Poot/ABP-regel. Die regel geeft, zoals hierna in randnummers 3.9 e.v. nog wordt uitgewerkt, bij
afgeleideschade in beginsel juist ‘voorrang’ aan een claim van de vennootschap.
Poot/ABPheeft Uw Raad dit als volgt verwoord: [23]
Poot/ABP-arrest heeft benadrukt (randnummer 3.9), een zelfstandig rechtssubject is met een van dat van de aandeelhouders afgescheiden vermogen. [24] Dat betekent dat als een derde jegens haar wanprestatie of onrechtmatige daad pleegt en daarbij schade veroorzaakt in het vermogen van de vennootschap, alleen zij aanspraak kan maken op een schadevergoeding, ook al zijn de aandeelhouders daardoor (indirect) geraakt. Dat geeft voor de aandeelhouders weliswaar een zekere afhankelijkheid van de vennootschap, maar zij zouden in het vennootschapsrecht over voldoende instrumenten beschikken om een eventueel niet voldoende meewerkende vennootschap te bewegen daadwerkelijk een claim in te dienen. [25] Daarnaast zijn er belangrijke praktische redenen om de aandeelhouders een aanspraak op afgeleide schade te onthouden. Zo voorkomt de
Poot/ABP-regel complicaties als gevolg van een samenloop van acties van vennootschap en aandeelhouders. Verder zit de regel aandeelhouders in de weg die zich feitelijke voorrang zouden willen verschaffen boven andere schuldeisers van de vennootschap en voorkomt hij ook dubbele vergoeding. [26] We kunnen in dit verband ook zeggen dat een aandeelhouder geen zelfstandige aanspraak op vergoeding van afgeleide schade heeft, indien en voor zover een dergelijke aanspraak het vorderingsrecht van de vennootschap zou doorkruisen. [27]
Poot/ABPheeft Uw Raad de deur voor een eigen vordering van de aandeelhouder ter zake van vermindering van de waarde van zijn aandelen wel op een kier laten staan:
Het Hof is dan ook terecht ervan uitgegaan dat Poot als eisende partij diende te stellen welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door het ABP jegens Poot in privé in acht had moeten worden genomen, en dat hij niet kon volstaan met het stellen van wanprestatie of onzorgvuldig handelen van het ABP jegens het concern[cursivering van mij, A-G].”
Poot/ABP-regel valt en andere gevallen waarin deze regel in het geheel niet in beeld komt.
Poot/ABP-regel en daarmee dus ook binnen het bereik van de uitzondering daarop vallen de gevallen waarin er onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd jegens de vennootschap en de aandeelhouder (ook) afgeleide schade in de vorm van waardevermindering van zijn aandelen lijdt. Daarmee is het
Poot/ABP-regime weliswaar in beeld, maar dat laat ruimte voor het onder omstandigheden op zelfstandige grondslag claimen van vergoeding van deze schade door de aandeelhouder (er moet dan in ieder geval ook onrechtmatig jegens hem zijn gehandeld; randnummer 3.11; de uitzondering op de
Poot/ABP-regel). [28]
Poot/ABP-regel veronderstelt dat er onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd
jegens de vennootschap. Is dat niet het geval, dan is de
Poot/ABP-regel niet van toepassing en is er daarom geen goede reden de aandeelhouder een (uiteraard op een zelfstandige grondslag te baseren) vordering ter zake van afgeleide schade te ontzeggen (de complicaties waarvoor die regel in het leven is geroepen zijn dan namelijk niet aan de orde, zie randnummer 3.10). Het eerder genoemde
Potplantenkwekerij-arrest [29] is hier illustratief. Nadat een holding een perceel agrarische grond heeft verkregen, neemt zij zich voor hierop een potplantenkwekerij te realiseren. Daarvoor moet een aantal verharde containervelden worden aangelegd. De gemeente Gilze en Rijen heeft vervolgens verschillende besluiten genomen, die tot gevolg hebben dat de plannen van de holding niet ten volle kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze besluiten vernietigd en daarmee onrechtmatig bevonden jegens de holding. Vervolgens vorderen zowel de holding als een dochtermaatschappij van de holding, waarin de holding haar bedrijfsactiviteiten had ondergebracht, schadevergoeding van de gemeente. In eerste aanleg worden de vorderingen van de dochtermaatschappij afgewezen, omdat zij de besluiten van de gemeente niet heeft aangevochten met als gevolg dat de besluiten jegens haar formele rechtskracht hebben verkregen. Er moet daarom van worden uitgegaan dat de gemeente jegens de dochtermaatschappij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Jegens de holding heeft de gemeente wel onrechtmatig gehandeld, maar het hof heeft de vordering van de holding die ziet op waardevermindering van haar aandelen in de dochtermaatschappij c.q. gederfd dividend desondanks afgewezen, kort gezegd, omdat sprake zou zijn van afgeleide schade. Daartegen is de holding in cassatie met succes opgekomen. Uw Raad heeft als volgt overwogen:
Poot/ABP), rov. 3.4.3, en HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443, NJ 2001/573 (
Chipshol/ [...]), rov. 3.4.2.
Poot/ABP, rov. 3.4.1).
Poot/ABP-regel was niet van toepassing en vormde dus ook geen beletsel, omdat er jegens de vennootschap (hier de dochtermaatschappij) niet onrechtmatig was gehandeld; de vennootschap had zelf dus niets te vorderen. [31] Dat de schade van de holding bestaande uit waardevermindering van de aandelen en gederfd dividend uiteindelijk wel het gevolg is van schade van de dochtermaatschappij, anders gezegd: dat van afgeleide schade sprake is, staat hier dus niet aan vergoeding aan de holding in de weg, [32] zo blijkt uit rov. 3.5.2, mits toerekeningsverband in de zin van art. 6:98 BW Pro kan worden aangenomen:
Poot/ABP-regel toepassing mist (jegens de vennootschap is geen onrechtmatige daad of wanprestatie gepleegd (randnummers 3.9 en 3.14)), is er geen beletsel voor een zelfstandige vordering van de aandeelhouder. De complicaties waarvoor de
Poot/ABP-regel in het leven is geroepen, zijn niet aan de orde (randnummer 3.10). Gaat het om afgeleide schade en is de
Poot/ABP-regel wél van toepassing omdat jegens de vennootschap een onrechtmatige daad of wanprestatie is gepleegd (randnummers 3.9 en 3.14), dan krijgt de aandeelhouder nul op het rekest, tenzij de in het
Poot/ABP-arrest erkende uitzondering zich voordoet (randnummers 3.11-3.12). De reikwijdte en betekenis van deze uitzondering verdienen daarom nadere bespreking.
Poot/ABP-regime is er ruimte voor het op zelfstandige grondslag claimen van vergoeding van deze schade door de aandeelhouder, maar deze is beperkt.
specifieke rechts- of zorgvuldigheidsnormis geschonden. Het enkele feit dat de wanprestatie of onrechtmatige daad jegens de vennootschap ook de aandeelhouder schade berokkent, is voor het aannemen van een dergelijke jegens de aandeelhouder gepleegde onrechtmatige daad in ieder geval niet voldoende. [35] Met een eventuele rechtstreekse normschending als zodanig zijn we er overigens nog niet. [36] Omdat het hier gaat om afgeleide schade én de
Poot/ABP-regel van toepassing is, moet een rechtvaardiging worden gevonden voor afwijking van het
Poot/ABP-model dat vooral complicaties wil voorkomen die kunnen optreden wanneer niet alleen de getroffen vennootschap, maar ook de individuele aandeelhouders vergoeding kunnen vorderen. Doorkruising van het vorderingsrecht van de vennootschap ligt dan namelijk op de loer (hiervoor randnummer 3.10 en hierna specifiek randnummers 3.26 e.v.).
Poot/ABP-regel lijkt wel plaats wanneer een onrechtmatige daad of wanprestatie is gepleegd jegens de vennootschap juist met het oog op benadeling van de aandeelhouder in privé. [39] Ter toelichting loop ik in de volgende randnummers de kernoverwegingen van een aantal relevante arresten langs. Daarbij zal ik de belangrijkste elementen cursiveren.
Op deze regel zal een uitzondering kunnen worden aanvaard indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder (HR 2 december 1994, nr. 15 511, NJ 1995, 288).”
De enkele omstandigheid dat de vennootschap de derde niet tot vergoeding van de door haar geleden schade aanspreekt, brengt immers niet mee dat de gedraging van de derde als onrechtmatig jegens de aandeelhouder(s) van de vennootschap moet worden aangemerkt.”
Indien geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan echter niet worden gesteld dat de bestuurder dusdoende tevens een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover die aandeelhouder. De rechtsklacht van het onderdeel kan daarom geen doel treffen. Ook de motiveringsklacht faalt omdat de overweging van het hof dat de verwijten die Tuin Beheer aan Verheij maakt, blijven binnen de verhouding tussen Tuin Recreatie als vennootschap en Verheij als haar bestuurder, zonder dat voldoende is aangegeven in welk opzicht daarmee een norm is geschonden die Verheij specifiek jegens [eiseres] als aandeelhouder in acht had te nemen, gezien het vorenoverwogene alleszins begrijpelijk is.”
Het hof heeft niet miskend dat [...] als aandeelhouders van de vennootschappen schadevergoeding van SFT kunnen vorderen voor de vermindering van de waarde van hun aandelen in de vennootschappen ('afgeleide schade'), indien zij dergelijke schade hebben geleden als gevolg van schending door SFT van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting(vgl. HR 2 december 1994, nr. 15511, NJ 1995, 288 en HR 16 februari 2007, nr. C05/173, NJ 2007, 256 (rov. 3.3 onder (c)). Evenmin heeft het hof miskend dat aan vergoeding van dergelijke schade niet in de weg staat dat die schade voor de vennootschappen 'definitief' is geworden op de grond dat een vordering van de vennootschappen tot vergoeding van die schade in rechte is afgewezen en de vennootschappen daarin berust hebben.
Het hof heeft in dit verband slechts geoordeeld (rov. 4.9) dat het definitief worden van de 'afgeleide schade' doordat de vennootschappen thans buiten staat zijn of zichzelf buiten staat gesteld hebben schadevergoeding te vorderen, op zichzelf niet meebrengt dat de gedragingen van SFT jegens [...] als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Dat oordeel is juist (vgl. rov. 3.4.4 van HR 15 juni 2001, nr. C99/301, NJ 2001, 573).”
Poot/ABPgenoemde geval dat de ‘dader’ nu juist de aandeelhouder (de moeder) heeft willen treffen via de vennootschap (de dochter). [43] In dat geval kan de aandeelhouder dus, op ‘eigen grondslag’, wel degelijk vergoeding van afgeleide schade vorderen.
Poot/ABP-regel nu juist beoogt te voorkomen (randnummer 3.10). [44] Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan voorrangs- en afstemmingsvragen (wat te doen wanneer zowel vennootschap als individuele aandeelhouders claimen?) en het daarmee samenhangende gevaar van dubbele vergoeding (voorkomen zou moeten worden dat de aandeelhouder zelf vergoeding krijgt en ook nog zou profiteren van vergoeding aan vennootschap).
JOR-annotatie onder het arrest
Tuin Beheerhet volgende:
Rechtspleging in het Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 1997, p. 1–13, M.J. Kroeze,
WPNR1997 (6288), L. Timmerman,
TVVS1998, p. 98). De achtergrond hiervan is dat ook bij schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm tegenover de aandeelhouder rechtstreekse vergoeding van afgeleide schade kan leiden tot een verstoring van de rangorde tussen aandeelhouders en schuldeisers van de vennootschap, tot doorkruising van het systeem van kapitaalbescherming, tot het vergoeden en ontvangen van dubbele schadevergoeding, en – als er veel aandeelhouders zijn – tot een groot aantal vorderingen.” [45]
Poot/ABP-regel toelaatbaar is als (1) jegens een aandeelhouder en een specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden, (2) de aandeelhouder geen bevoegdheden aan het vennootschapsrecht kan ontlenen om tot een vergelijkbaar resultaat te komen, (3) rechtstreekse vergoeding geen concreet nadeel toebrengt aan schuldeisers en andere gerechtigden tot het vennootschapsvermogen, (4) de vennootschap de vordering niet zelf meer zal instellen en (5) zich ook anderszins geen bijzonder belang van de vennootschap verzet tegen rechtstreekse vergoeding. [47] Anderen denken inmiddels ook in doorkruisingstermen. [48]
Poot/ABP-regel beoogt te voorkomen. Categorisch uitgesloten is vergoeding van afgeleide schade langs deze weg echter niet. [49] In dit verband wordt vergoeding, en dat lijkt me juist, wel afhankelijk gesteld van een aanvullende nadere toetsing. [50] Bij deze nadere toetsing kunnen dan bijvoorbeeld de aard van het aan de aangesprokene te maken verwijt (intentie om juist de aandeelhouder te treffen bijvoorbeeld), maar zeker ook de vraag of en zo ja in welke mate bij vergoeding van afgeleide schade de meermaals genoemde complicaties optreden dan wel in het specifieke geval kunnen worden beteugeld (randnummer 3.10), een rol spelen. [51]
Poot/ABP-regel stuit. In dat verband is de eerste vraag welk type schade in het geding is (randnummers 3.3 e.v.). Gaat het om rechtstreekse, dat wil zeggen niet via het vermogen van de vennootschap lopende, schade, dan komt de
Poot/ABP-regel niet in beeld. Vergoeding is dan enkel en alleen afhankelijk van het gewone aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Indien en voor zover het echter om afgeleide schade gaat, is de tweede vraag of de
Poot/ABP-regel daadwerkelijk van toepassing is (randnummers 3.9 en 3.14). Dat is alleen zo wanneer er onrechtmatig jegens de vennootschap is gehandeld of jegens haar wanprestatie is gepleegd. Is dat niet het geval, dan kan de aandeelhouder op een eventuele zelfstandige grondslag wel degelijk vergoeding van afgeleide schade vorderen, uiteraard op voorwaarde dat aan de verschillende door het gewone aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht gestelde vereisten is voldaan. Is de
Poot/ABP-regel inderdaad van toepassing (randnummers 3.9 en 3.14), dan moet de aandeelhouder zijn geld zetten op de reeds in het arrest
Poot/ABPgenoemde mogelijkheid van een uitzondering op de
Poot/ABP-regel (randnummers 3.11-3.12). De reikwijdte daarvan is echter beperkt (randnummers 3.20 e.v.). In dat geval is met een schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder de ‘kous nog niet af’ (randnummer 3.20). Afgeleide schade komt namelijk, zo wordt, zij het vooralsnog zonder dat daarbij kan worden teruggevallen op richtinggevende rechtspraak van Uw Raad, aangenomen, ook dan slechts
bij uitzonderingvoor vergoeding in aanmerking: in principe niet, maar bij uitzondering, na een
aanvullende nadere toetsing, eventueel wel. Daarbij kunnen dan bijvoorbeeld de aard van het aan de aangesprokene te maken verwijt (zijn intentie om juist de aandeelhouder te treffen bijvoorbeeld) evenals de vraag of en, zo ja, in welke mate bij vergoeding van afgeleide schade de eerder genoemde complicaties optreden (randnummers 3.26-3.30) een rol spelen. Mijn indruk is dat de rechtspraktijk het zou toejuichen dat Uw Raad zich over aard en inhoud van deze aanvullende toetsing binnen het
Poot/ABP-regime zou uitlaten.
Voor zover Rabobank ook jegens [eiser] is tekortgeschoten en [eiser] in andere hoedanigheid dan aandeelhouder door het tekortschieten van Rabobank (directe) schade heeft geleden, komt dat bij de andere schadeposten aan de orde.”). Ook heeft het hof in rov. 4.20 vastgesteld dat de (curator van de) [C] -groep ook aanspraak kan maken op vergoeding van schade (oftewel: ook de [C] -groep heeft in dit verband schade geleden). Deze vaststellingen (die overigens in cassatie niet worden bestreden) komen niet uit de lucht vallen. [52]
in dit geding [57] dan ook in elk geval vast (1) dat [eiser] onder de post ‘aandeelhoudersschade’ vergoeding heeft gevorderd van de waardevermindering van zijn aandelen, (2) dat [eiser] die schade in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft geleden en (3) dat ook door de [C] -groep jegens welke Rabobank ook toerekenbaar tekort is geschoten, schade is geleden. Hieruit volgt dat het hof niet
zonder meerde stelling van Rabobank over de afgeleide schade heeft overgenomen; zijn oordeel dat de door [eiser] gestelde aandeelhoudersschade afgeleide schade betreft, is gebaseerd op hetgeen tussen partijen in dit geding vaststaat. Of het oordeel van het hof in dit verband rechtens juist is, komt bij de bespreking van onderdeel 3 aan de orde.
onderdeel 1.
onderdeel 2heeft [eiser] in de eerste plaats aangevoerd dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de regels die gelden voor afgeleide schade en/of zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Ik noem dit voor het gemak de “kernklacht”. Vervolgens heeft [eiser] ook nog het volgende betoogd:
Poot/ABP-regel (en de uitzondering daarop), zoals deze in de latere rechtspraak van Uw Raad is verfijnd, toegelicht. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.20 – waarin het hof ook tot uitgangspunt heeft genomen dat de door [eiser] gestelde schade afgeleide schade is (zie hierover randnummers 3.33-3.438 en randnummers 3.56-3.66 hierna) – de
Poot/ABP-regel op de onderhavige zaak toegepast. De kernklacht van dit onderdeel houdt als gezegd in dat het hof die regel ten onrechte heeft toegepast dan wel dat het zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Ik kan [eiser] hierin niet volgen.
Poot/ABP-regel tot uitgangspunt dat onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd jegens de vennootschap en de aandeelhouder (daardoor) afgeleide schade lijdt in de vorm van (bijvoorbeeld) waardevermindering van zijn aandelen. In randnummers 3.33-3.38 is al betoogd, en dat zal hierna ook nog gebeuren (in randnummer 3.52 in verband met de tweede subklacht en in randnummers 3.56-3.66 in verband met onderdeel 3), dat het oordeel van het hof dat in casu van afgeleide schade sprake is niet alleen goed te volgen is maar ook rechtens juist. Daarnaast staat
in dit geding [58] tussen partijen vast dat Rabobank ook jegens de [C] -groep toerekenbaar tekortgeschoten is ter zake van het convenant (zie nader randnummers 3.34-3.38). Niet alleen Rabobank heeft deze stelling ingenomen, [59] maar ook [eiser] zelf. [60] In rov. 4.19 (waarin het hof het
Poot/ABP-regime heeft vooropgesteld) en in rov. 4.20 (zo blijkt vooral uit de tweede en vierde volzin) ligt besloten dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat Rabobank ook jegens de [C] -groep toerekenbaar tekortgeschoten is. Op die basis heeft het hof dan ook terecht het
Poot/ABP-regime in beeld gebracht (in rov. 4.19) en op de onderhavige zaak toegepast (in rov. 4.20). Nu de vraag of het
Poot/ABP-regime op de onderhavige zaak van toepassing is een rechtsvraag betreft, kan dit oordeel, anders dan [eiser] in dit onderdeel suggereert, niet met een motiveringsklacht worden bestreden. [61]
Poot/ABP-regel tot uitgangspunt neemt, kan ik hem in zijn betoog volgen. Zoals hiervoor in randnummers 3.11-3.12 is uiteengezet, geeft die
Poot/ABP-regel (enige) ruimte voor het op zelfstandige grondslag claimen van vergoeding van afgeleide schade door de aandeelhouder. Om met succes een beroep op die uitzondering te kunnen doen, moet
ten eerste [62] gebleken zijn dat jegens de aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Het hof heeft in rov. 4.19 uitdrukkelijk naar dit vereiste verwezen. In de eerste volzin van rov. 4.20 heeft het hof evenwel overwogen dat [eiser] , in het licht van de in rov. 4.19 genoemde jurisprudentie (gedoeld wordt op het arrest
Poot/ABPen de daarna gewezen arresten) en de betwisting door Rabobank, onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat sprake is van een schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm die hem aanspraak zou kunnen geven op vergoeding van afgeleide schade. In de tweede volzin van diezelfde rov. 4.20 heeft het hof daaraan toegevoegd dat niet gesteld of gebleken is dat het handelen van Rabobank jegens de [C] -vennootschappen werd ingegeven door enige vorm van opzet om [eiser] te benadelen. Deze overwegingen van het hof overtuigen wat mij betreft niet. Dit licht ik kort toe.
toerekenbaar tekortgeschotenis ter zake van het convenant (randnummer 2.23). In dat arrest had het hof namelijk geoordeeld dat Rabobank als professionele partij en op grond van haar maatschappelijke rol zich redelijkerwijs de gerechtvaardigde belangen van [eiser] als zekerheidsverstrekker in privé had moeten aantrekken. Rabobank had volgens het hof behoren te begrijpen dat haar kredietstop de liquiditeit van de [C] -groep min of meer acuut in gevaar zou brengen, hetgeen te meer geldt nu deze kredietinperking niet gefaseerd maar onmiddellijk inging (rov. 2.20). In rov. 2.21 heeft het hof dit oordeel nog uitgewerkt door te overwegen dat Rabobank meteen nadat [eiser] van Rabobank in privé € 900.000,-- heeft geleend en dit bedrag weer heeft doorgeleend aan de [C] -groep, de geldkraan dicht heeft gedraaid. Ook in rov. 4.20, derde volzin, lijkt het hof dat uitgangspunt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Rabobank jegens [eiser] niet vergeten te zijn (daarover meer in randnummer 3.50). Desondanks heeft het hof in diezelfde rov. 4.20, eerst en tweede volzin, geoordeeld dat onvoldoende is gesteld of gebleken om te kunnen concluderen dat sprake is van een schending van een zorgvuldigheidsnorm door Rabobank jegens [eiser] (zie ook randnummer 3.46).
Poot/ABP-regel (zie randnummer 3.46). Anders dan het hof in rov. 4.20, eerste volzin, heeft geoordeeld, was het dus niet nodig dat [eiser] die normschending nader handen en voeten zou geven. Ook was het anders dan het hof in rov. 4.20, tweede volzin, suggereert niet nodig dat [eiser] zou aanvoeren dat Rabobank opzet had om hem te benadelen. Die omstandigheid zou uiteraard schending van een specifieke normschending jegens de aandeelhouder aannemelijk maken (zie randnummers 3.20 e.v.), maar ook zonder een dergelijke intentie kan, zoals in casu bijvoorbeeld het geval is, van een specifieke normschending jegens de aandeelhouder sprake zijn.
Potplantenkwekerij-arrest
. [66] [eiser] heeft hiermee miskend dat in dat arrest het
Poot/ABP-regime niet in beeld kwam, hoewel de aandeelhouder in die zaak wel afgeleide schade had geleden. In zo’n situatie bepaalt enkel het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht (onder meer art. 6:98 BW Pro) of de afgeleide schade voor vergoeding in aanmerking kan komen (zie nader randnummers 3.16 en 3.31). In de onderhavige zaak echter wordt – zoals hiervoor in randnummers 3.42-3.44 is gebleken – de door [eiser] gevorderde vergoeding van de afgeleide schade wél beheerst door het
Poot/ABP-regime. Op grond daarvan kan [eiser] alleen dan zijn afgeleide schade vergoed krijgen als hij met succes een beroep doet op de uitzondering op de
Poot/ABP-regel. Daarvoor is, zoals hiervoor is toegelicht (randnummers 3.20, 3.26-3.31 en 3.50), niet alleen vereist dat sprake is van een specifieke normschending, maar ook dat de zelfstandige vordering van de aandeelhouder een nadere aanvullende toetsing kan doorstaan. Met het voorgaande valt ook het doek voor de derde subklacht.
onderdeel 2tevergeefs voorgesteld.
het gevolgis van de
vermogensschade van de vennootschap. Daarbij doet het er niet toe of vaststaat dat
jegens de vennootschaponrechtmatige daad of wanprestatie is gepleegd. Voor de kwalificatie ‘afgeleide schade’ is evenmin van belang of jegens de aandeelhouder rechtstreeks een onrechtmatige daad of wanprestatie is gepleegd. [68] Of sprake is van een normschending jegens de aandeelhouder komt pas aan de orde bij de vraag of de aandeelhouder met succes zelfstandig vergoeding van eventuele afgeleide schade kan claimen (zie randnummers 3.20 en 3.31).
rechtstreekse schade. Dit cruciale verschil tussen afgeleide schade en rechtstreekse schade blijkt duidelijk uit de recente
Licorne-zaak en de
Potplantenkwekerij-zaak die in dit verband in randnummers 3.5-3.6 zijn besproken.
Potplantenkwekerij-zaak [69] had de aandeelhouder (in die zaak een holding) schade geleden bestaande uit waardevermindering van de aandelen (in een dochtervennootschap) en gemiste dividenduitkeringen. Die schade werd door Uw Raad gekwalificeerd als afgeleide schade. Daaraan stond niet in de weg dat in die procedure vaststond dat jegens die dochtervennootschap geen onrechtmatige daad was gepleegd. Zie hierover nader randnummers 3.5 en 3.16.
Licorne-zaak [70] ging het daarentegen om schade die feitelijk door de koper Licorne was geleden, omdat zij als gevolg van de misleiding door de verkoper, een te hoge koopprijs had betaald voor de aandelen. Dat Licorne door overdracht van de gekochte aandelen aandeelhouder werd, deed niet ter zake. In die zaak was duidelijk dat de schade direct het vermogen van de koper Licorne – en niet dat van de vennootschap – had geraakt; hier ging het dus om rechtstreekse schade. Zie hierover nader randnummer 3.6.
Tuin Beheer. [72] Deze stelling lijkt mij niet houdbaar. In het arrest
Tuin Beheerheeft Uw Raad geoordeeld dat het
Poot/ABP-regime niet van toepassing is indien de aandeelhouder andere schade lijdt dan waardevermindering van aandelen. Daaruit kan mijns inziens niet worden afgeleid dat Uw Raad van oordeel zou zijn dat andere schadesoorten niet als afgeleide schade kunnen worden gekwalificeerd. Voor die kwalificatie is (enkel) het verband tussen de vermogensschade die de vennootschap heeft geleden en de door de aandeelhouder geleden schade bepalend (zie randnummer 3.5). Bovendien is deze stelling van [eiser] inmiddels achterhaald door het
Potplantenkwekerij-arrest. [73] Daaruit volgt namelijk duidelijk dat ook gemiste dividenduitkeringen kunnen worden aangemerkt als afgeleide schade. Dat betekent dat deze stelling [eiser] geen soelaas kon bieden. Het hof hoefde er dan ook niet expliciet op in te gaan. Deze stelling brengt [eiser] ook in cassatie dus geen heil.
in dit geding [74] in elk geval vaststaat (1) dat [eiser] onder de post ‘aandeelhoudersschade’ vergoeding heeft gevorderd van de waardevermindering van zijn aandelen, (2) dat [eiser] die schade in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft geleden en (3) dat ook de [C] -groep, jegens welke Rabobank ook toerekenbaar tekort is geschoten, schade heeft geleden. Daaruit kan geen andere conclusie volgen dan dat de waardevermindering van de aandelen, waarvan [eiser] in deze procedure vergoeding heeft gevorderd, in de
eerste lijnhet vermogen van de [C] -groep heeft geraakt en pas (indirect dus) in de
tweede lijnhet vermogen van [eiser] . Anders gezegd: de schade van [eiser] is het gevolg van de vermogensschade van de [C] -groep. Daarmee is, anders dan [eiser] in dit onderdeel heeft betoogd en in zijn schriftelijke toelichting (in randnummers 1.3-1.7 [75] ) nader heeft uitgewerkt, zijn schade wel degelijk aan te merken als afgeleide schade. Zie hierover nader randnummers 3.5-3.7 en 3.56-3.59.
onderdeel 3.
toerekenbaar tekortgeschotenis ter zake van het convenant. Ook uit rov. 4.20, derde volzin, kan worden afgeleid dat het hof het uitgangspunt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming door Rabobank jegens [eiser] niet uit het oog heeft verloren (zie ook randnummer 3.50). Dat betekent dat het hof het leerstuk van gezag van gewijsde, anders dan [eiser] in dit onderdeel als eerste betoogt (zie de weergave van de klachten in randnummer 3.68), niet heeft miskend.
Poot/ABP-regime in het onderhavige geval, een gegeven. Daarmee is in ieder geval voldaan aan het
eerstevereiste [79] voor een succesvol beroep op de uitzondering op de
Poot/ABP-regel (die op deze zaak van toepassing is, zie daarvoor randnummer 3.43). Het was daarom, anders dan het hof in rov. 4.20, eerste volzin, heeft geoordeeld, niet nodig dat [eiser] nader zou onderbouwen dat van zo’n normschending sprake is (zie randnummer 3.48). Evenmin zou, anders dan het hof in rov. 4.20, tweede volzin, heeft gesuggereerd, hoeven te blijken dat Rabobank opzet had om [eiser] te benadelen (zie randnummer 3.48). Het hof heeft daarom, als gezegd, in dit geval de lat voor het aannemen van schending van een zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder te hoog gelegd. In ieder geval schiet de motivering van het hof tekort, nu het hof niet kenbaar aandacht heeft geschonken aan de stellingen van [eiser] in dit verband. [80]
Poot/ABP-regel ontsnappen, er nog niet is met het aannemelijk maken van een specifieke normschending jegens hem. In het oordeel van het hof ligt wat mij betreft besloten dat een mogelijke samenloop van de schadevergoedingsvordering van de (curatoren van de) [C] -groep met die van [eiser] in de weg staat aan toewijzing van diens vordering. Dit oordeel is goed te volgen en sluit aan bij de huidige stand van de literatuur. Ter nadere toelichting verwijs ik naar randnummers 3.26-3.31.
onderdeel 4.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
samenvattingis van het standpunt van Rabobank, gebaseerd op een uitleg van de gedingstukken die aan de feitenrechter voorbehouden is. Deze klacht faalt daarmee wegens gemis aan feitelijke grondslag.
ambtshalvemag terugkomen en brengt tevens mee dat een dergelijk bewijsoordeel geen eindbeslissing is. [81] Zo’n voorlopig bewijsoordeel kan wel met een rechtsmiddel worden bestreden. Dat levert evenwel alleen succes op als het, in het licht van de gedingstukken, zonder meer duidelijk is dat het oordeel een begrijpelijkheidstoets niet kan doorstaan. [82] Daarvan is in casu geen sprake. De drie argumenten die Rabobank heeft aangevoerd (in randnummers 2.6-2.9 van haar verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep) overtuigen niet. Dat de rechtbank volgens Rabobank geen voorlopig bewijsoordeel zou hebben gegeven (eerste argument), biedt haar geen soelaas, omdat – als gezegd – het hof ambtshalve tot een dergelijk bewijsoordeel mocht komen. Ook haar beroep op het arrest van Uw Raad van 20 april 2012 in de hoofdzaak [83] (waaraan zij haar tweede en derde argument ontleent) overtuigt niet. Uw Raad heeft daarin geen overweging gewijd aan het causaal verband, omdat dat niet onder het cassatiedebat viel; het hof Arnhem had in rov. 2.21 van zijn arrest van 23 november 2010 de kwestie ‘causaal verband’ uitdrukkelijk overgelaten aan de rechter in de schadestaatprocedure (zie randnummer 1.12). Dit arrest heeft Uw Raad – zie ook randnummer 1.11 – in de hoofdzaak in stand gelaten. Met het voorgaande faalt ook deze tweede klacht.