Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
box 3-zaakwaarin enige van de (rechts)vragen aan de orde zijn die opkomen naar aanleiding van het kerstarrest en het rechtsherstel waarin eerst het Besluit rechtsherstel box 3 (Herstelbesluit) en vervolgens de Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet) voorziet.
gemeenschappelijke bijlage(de Bijlage), waarin ik inga op diverse van die (rechts)vragen.
het Hofuitspraak gedaan vóór de inwerkingtreding van het Herstelbesluit en van de Herstelwet. In de uitspraak van het Hof ligt mijns inziens besloten dat het van oordeel is dat het forfaitaire stelsel voor belanghebbende leidt tot een schending van art. 1 EP Pro, in samenhang met art. 14 EVRM Pro (EVRM-schending). Voor het geval dat het Hof rechtsherstel zou bieden door te bepalen dat alleen het werkelijk behaalde rendement wordt betrokken in de heffing, zijn partijen ter zitting van het Hof overeengekomen om welke bedragen het gaat. Voor dat geval was nog in geschil of het gaat om de nominale dan wel reële rente op de banktegoeden van belanghebbende en of een ongerealiseerd koersverlies op de beleggingen meetelt. Het Hof heeft geoordeeld dat het gaat om de nominale rente en dat dit koersverlies niet meetelt. Het Hof heeft de bestreden aanslagen verminderd uitgaande van het door hem vastgestelde werkelijk behaalde rendement.
beroep in cassatieingesteld en daarbij drie klachten aangevoerd.
atypischten opzichte van andere box 3-zaken. Dat heeft ermee te maken dat het Hof uitspraak heeft gedaan voordat het herstelbeleid van de Belastingdienst bekend was. Afwijkend van andere zaken is dat de Staatssecretaris geen cassatieberoep heeft ingesteld, hoewel het Hof de aanslagen heeft verminderd uitgaande van het werkelijk behaalde rendement. Afwijkend is verder dat in deze zaak niet bekend is hoe hoog het voordeel uit sparen en beleggen is uitgaande van de berekeningswijze in de Herstelwet (herstelwettelijk rendement).
complicerende factoromdat de Herstelwet naar mijn mening als uitgangspunt wel tot het toetsingskader in cassatie hoort als gevolg van zijn terugwerkende kracht (4.4). Om wel een uitgangspunt te hebben voor de analyse, ga ik uit van de (beredeneerde)
veronderstellingdat voor elk van de twee in geding zijnde jaren geldt dat het herstelwettelijk rendement hoger is dan het voordeel uit sparen en beleggen dat in aanmerking is genomen bij de bestreden aanslag (4.6). Uitgaande daarvan is het impliciete – door de Staatssecretaris niet bestreden – oordeel van Hof juist dat in belanghebbendes geval het EVRM is geschonden, ook als de Herstelwet erbij wordt betrokken (4.8).
drie zaaksoverstijgende vragen. De
eerste vraagbetreft de vraag naar de wijze van toetsing in cassatie van een oordeel van het Hof over de omvang van het werkelijk behaalde rendement. De
tweede vraagis of het werkelijk behaalde rendement moet worden uitgedrukt in nominale dan wel reële termen. De
derde vraagis of een ongerealiseerde waardevermindering meetelt bij het bepalen van dit rendement.
beoordelingvan de klachten – mede aan de hand van de bevindingen in de Bijlage – houdt op hoofdlijnen het volgende in:
feitelijk onderzoekte doen of en zo ja in hoeverre de aanslagen zijn verminderd. Daarbij is van belang dat het een reële mogelijkheid is dat het herstelwettelijk rendement
lageris dan het werkelijke behaalde rendement, althans bij een nadere blik op de stukken voor de feitenrechter (4.21). Dat zou de beoordeling in cassatie wezenlijk kunnen veranderen; het kan zelfs van betekenis zijn voor de ontvankelijkheid (procesbelang).
het cassatieberoepnaar mijn mening
gegrond.
2.De feiten en het oordeel van het Hof
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van de klachten
Vooraf
niet lageris dan het voordeel uit sparen en beleggen dat in aanmerking is genomen bij de bestreden aanslag (het belastingwettelijk rendement). Die veronderstelling baseer ik op de volgende gedachtegang:
zouzijn dan het belastingwettelijke rendement voor enig jaar, zou een individuele verminderingsbeslissing van de Inspecteur alsnog hebben moeten leiden tot een vermindering van de desbetreffende aanslag. Dat
zoudan gebeurd moeten zijn in de periode tussen 1 juli 2022 (de datum van inwerkingtreding van het Herstelbesluit; zie Bijlage, punt 4.5) en 4 augustus 2022 (uiterste datum voor het nemen van de individuele verminderingsbeslissingen; zie Bijlage, punt 4.6). Ik neem aan dat dit gebeurd
zouzijn, ongeacht de omstandigheid dat de cassatieprocedure aanhangig is, omdat – zo begrijp ik – individuele verminderingsbeslissingen op basis van het Herstelbesluit automatisch worden genomen.
nietlager is dan het belastingwettelijke rendement, behoort deze zaak tot het eerste gevalstype dat ik onderscheid in de Bijlage (punt 5.12). Dit betekent dat het (impliciete) oordeel van het Hof dat belanghebbende in beide jaren in zijn EVRM-rechten is geschonden (zie 4.1-4.2) naar mijn mening ook nog juist is met inachtneming van de (nadien in werking getreden) Herstelwet. Die Herstelwet brengt voor het eerste gevalstype immers mee dat het forfaitaire stelsel nog steeds van toepassing is, en kan daarom niet meebrengen dat de EVRM-rechten van belanghebbende niet langer geschonden zijn (Bijlage, punten 5.17-5.30).
nietlager is dan het belastingwettelijke rendement. Ik werk hierna uit wat de gevolgen zijn indien die veronderstelling niet juist zou zijn.
wellager is dan het belastingwettelijke rendement, dan zou deze zaak tot het
tweedegevalstype behoren dat ik in de Bijlage (punt 5.13) onderscheid. Omdat de berekeningswijze waarin
de Herstelwetvoorziet de uit art. 1 EP Pro voortvloeiende proportionaliteitstoets niet kan doorstaan, doet zich ook dan nog steeds een EVRM-schending voor indien het werkelijke behaalde rendement lager is dan het herstelwettelijke rendement (vgl. Bijlage, punt 5.32-5.37).
Alsdat laatste in deze zaak het geval is, dan zou de in 4.9 vermelde tussenconclusie niet wijzigen dat de Herstelwet geen aanleiding geeft om het oordeel van het Hof dat rechtsherstel moet worden geboden, niet als uitgangspunt te kunnen hanteren. Het vervolg van de beoordeling zou vervolgens hetzelfde zijn als hiervoor vermeld van 4.10-4.17.
nietertoe leidt dat de EVRM-rechten van belanghebbende niet langer worden geschonden (want het herstelwettelijke rendement is juist lager dan het werkelijk behaalde rendement). De vraag zou zelfs kunnen rijzen of er nog een procesbelang is in cassatie. Dat laatste hangt van twee factoren af. Ten eerste, of de aanslagen inmiddels zijn verminderd. Ten tweede hangt het ervan af van wat belanghebbende precies – in concrete bedragen uitgedrukt – bepleit met zijn klachten. Voorshands lijkt het verschil tussen enerzijds het herstelwettelijke rendement van € 1.519 en € 839 en anderzijds het werkelijk behaalde rendement van € 2.041 en € 1.791 (in nominale termen) zo groot dat er mogelijk geen belang meer is bij de klachten van belanghebbende. [11]