ECLI:NL:PHR:2024:140

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
23/02733
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 5.1.8 lid 1 SvArt. 5.1.11 SvArt. 5.4.7 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslaglegging op grond van Surinaams rechtshulpverzoek

De zaak betreft een cassatieberoep van klager tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023, waarin het klaagschrift tot opheffing van beslag op voorwerpen en gegevens, genomen op grond van art. 94 Sv Pro, ongegrond werd verklaard. Het beslag vond plaats naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van Surinaamse autoriteiten in een strafrechtelijk onderzoek tegen klager.

De procedure startte met een doorzoeking in januari 2023 in de woning van klager, waarbij diverse voorwerpen en digitale gegevensdragers werden in beslag genomen. De verdediging voerde aan dat het beslag onrechtmatig was omdat het ook gegevens omvatte die buiten de periode van het rechtshulpverzoek vielen en mogelijk privégegevens betroffen. De rechtbank oordeelde echter dat zij niet bevoegd was de proportionaliteit van het beslag te toetsen en dat de beoordeling van het nut en de noodzaak van het beslag aan de verzoekende staat toekomt.

De procureur-generaal concludeerde dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast en dat het beroep faalt. De Hoge Raad volgt dit advies en wijst het cassatieberoep af. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd dat het rechtshulpverzoek ruim is geformuleerd en dat het beslag betrekking kan hebben op gegevens van vóór 2015 en na 2020, voor zover deze relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek in Suriname.

De uitspraak bevestigt het vertrouwensbeginsel bij de internationale rechtshulp en beperkt de toetsing door Nederlandse rechters tot formele aspecten van beslaglegging, waarbij inhoudelijke toetsing aan proportionaliteit en nut aan de verzoekende autoriteit wordt overgelaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de voorwerpen en gegevens blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02733 Br
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Rotterdam, heeft bij beschikking van 28 juni 2023 het op grond van art. 552a Sv en art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen voorwerpen en gegevens, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. E. de Witte, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beklag, meer in het bijzonder op de door de rechtbank toegepaste maatstaf.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02772 en 23/02739. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.Aanleiding en verloop van de procedure

2.1
Op 31 januari 2023 heeft naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Surinaamse autoriteiten gedateerd 2 januari 2023, [1] een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de klager aan de [a-straat 1] te [plaats]. Bij deze doorzoeking waren vertegenwoordigers van justitie, en/of politie vanuit Suriname aanwezig.
2.2
Tijdens de doorzoeking zijn in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager diverse voorwerpen, waaronder digitale gegevensdragers inbeslaggenomen op de voet van art. 94 Sv Pro. Alle inbeslaggenomen digitale gegevensdragers zijn aan de klager teruggegeven, nadat de FIOD een zogenoemde ‘image’ heeft gemaakt en deze heeft behouden om over te kunnen dragen aan de Surinaamse rechterlijke autoriteiten.
2.3
De Surinaamse autoriteiten hebben verzocht bij de behandeling van het rechtshulpverzoek vertrouwelijkheid te betrachten en geheimhouding in acht te nemen. Dit rechtshulpverzoek is daarom (in eerste instantie) niet aan de verdediging verstrekt.
2.4
Namens de klager is op 14 februari 2023 een op art. 5.1.11 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem (op de voet van art. 94 Sv Pro) in beslag genomen voorwerpen en gegevens. Vervolgens heeft er een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden tussen de advocaat van de klager en het openbaar ministerie.
2.5
De klager is door de Surinaamse autoriteiten gedagvaard om op 26 april 2023 te verschijnen voor het gerecht in Paramaribo. Aan de klager is kort samengevat ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 15 januari 2015 tot en met 20 augustus 2020 heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich zou bezighouden met onder meer handelen in strijd met art. 13 Anti Pro-corruptiewet, oplichting, verduistering en valsheid in geschrift. Het openbaar ministerie te Suriname wacht op de inbeslaggenomen gegevensdragers, zodat deze aan de stukken van het geding kunnen worden toegevoegd. De ten laste gelegde feiten komen in grote lijnen overeen met de in het rechtshulpverzoek genoemde feiten.
2.6
Het klaagschrift is op 7 juni 2023 in openbare raadkamer behandeld. Ten tijde van de behandeling in raadkamer heeft de verdediging de beschikking gekregen over het strafdossier en het rechtshulpverzoek. [2] De meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam heeft op 30 mei 2023 op het beklag (ex art. 94 Sv Pro) beslist.

3.De beschikking

3.1
De rechtbank heeft het standpunt van klager voor zover relevant voor de bespreking van het middel als volgt weergegeven:
“er dient een selectie plaats te vinden met betrekking tot hetgeen in beslag is genomen, omdat in de digitale gegevens zich heel veel louter privézaken bevinden en deze niet voor verder beslag vatbaar zijn. Ook zijn stukken in beslag genomen die buiten de periode waar het rechtshulpverzoek op ziet vallen. Daarnaast bevinden zich tussen de stukken mogelijk geheimhouderstukken.” [3]
3.2
In aanvulling hierop maak ik melding van de volgende passage uit het schriftelijk standpunt van de verdediging gedateerd 5 mei 2023:
“"Primair is aangevoerd dat de beslaglegging niet rechtmatig kan zijn omdat die in ieder geval deels buiten de scope van het rechtshulpverzoek zal vallen. Inmiddels heeft cliënt een dagvaarding (…) ontvangen en is wat meer duidelijkheid ontstaan omtrent hoe de verdenking tegen hem er uit ziet.
(…) Nu is het natuurlijk makkelijk als je de tenlastelegging zo breed mogelijk opstelt zoals in casu is gedaan, dan valt daar zoveel mogelijk onder. Uit die dagvaarding blijkt echter ook de periode waarbinnen de strafbare feiten zouden hebben plaatsgevonden en dat betreft een vrij beperkte periode, namelijk van 1 november 2016 tot december 2017, althans de jaren 2016 en 2017.
Het kan gewoon niet het geval zijn dat alle in beslag genomen stukken zien op de feiten die op de dagvaarding van cliënt vermeld staan en binnen de genoemde periode vallen.
(…) Namens cliënt kan echter onvoldoende verweer gevoerd worden waardoor u essentiële informatie voor het volledig kunnen beoordelen van de tenuitvoerlegging van het rechtshulpverzoek mist. Niet uitgesloten kan worden dat een onaanvaardbare hoeveelheid irrelevante gegevens naar Suriname wordt overgedragen.”
3.3
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beklag het volgende juridisch kader vooropgesteld:
“Vooropgesteld wordt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat niet kan werden gevergd dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag, dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.
De betrokkene bij wie ter uitvoering van een rechtshulpverzoek voorwerpen in beslag, zijn genomen, kan op grond van artikel 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift indienen. De artikelen 552a leden 1 tot en met 6, 552d leden 1 en 2, en 552e lid 1 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechtbank geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechtbank toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft (vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). [4] Het staat wel ter beoordeling aan de rechtbank of zich - gelet op de artikelen 5.1.3, 5.1.4 en 5.4.5 Sv - een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het verzoek, dan wel voor uitstel van de erkenning. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het verzoek, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechtbank van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.”
3.4
De rechtbank heeft het klaagschrift met betrekking tot het beklag over de op grond van art 94 Sv Pro in beslag genomen goederen ongegrond verklaard en ten aanzien van het hiervoor weergegeven standpunt met betrekking tot het filteren van het beslag overwogen:
“Het is vaste rechtspraak dat inbeslagname van digitale gegevensdragers niet er toe kan leiden dat door de opsporingsdiensten voorafgaand aan de overdracht een onderscheid gemaakt moet worden tussen gegevens die wel en die niet tot bewijs kunnen dienen. Dit onderzoek dient plaats te vinden door de opsporingsdiensten van de verzoekende staat en het is aan deze diensten in het strafdossier op te nemen welke gegevens als bewijs kunnen dienen. De officier van justitie heeft voldoende zorgvuldigheid betracht in het tegemoet gekomen aan de belangen van klager, door de FIOD een 'image’ te laten maken en de originele goederen met gegevens aan klager terug te geven, door zoekslagen te laten verrichten met zoektermen op de gegevensdragers, door aan te geven bereid te zijn te reageren op specifieke daartoe gestelde verzoeken van klager ten aanzien van die digitale gegevens die niet tot mogelijk bewijs kunnen dienen en louter privézaken betreffen en door te beoordelen welke gegevens/goederen teruggegeven kunnen worden. Ten aanzien van documenten die door de rechter-commissaris als geheimhouderstukken zullen worden aangemerkt heeft de officier van justitie aangegeven deze te zullen vernietigen.”

4.Het middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank bij haar oordeel:
“dat de onder verzoeker in beslag genomen voorwerpen (betreffende met name (digitale) documenten) die buiten de in het rechtshulpverzoek genoemde periode vallen en die daardoor in de visie van verzoeker buiten het bereik van het rechtshulpverzoek vallen, aan de Surinaamse autoriteiten mogen worden overgedragen, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans dat oordeel onvoldoende en/of niet begrijpelijk heeft gemotiveerd”.
4.2
Wat betreft de aan te leggen maatstaf heeft de rechtbank in dit verband verwezen naar een wetsartikel dat ziet op het, hier niet toepasselijke Europees Onderzoeksbevel, namelijk art. 5.4.7 lid 1 Sv. Dit is echter niet onoverkomelijk nu met betrekking tot de uitvoering van rechtshulpverzoeken als het onderhavige een gelijksoortig verbod in art. 5.1.8 lid 1 Sv is opgenomen, te weten dat daarbij ”eisen die worden gesteld in verband met de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing [worden] gelaten”. Dit vloeit voort uit het vertrouwensbeginsel: de beoordeling van nut en noodzaak is aan de uitvaardigende autoriteit omdat het immers gaat over de inhoud van een onderzoek dat door hen wordt verricht. [5]
4.3
Hiervan moet worden onderscheiden de zorgvuldigheidseis die is neergelegd in art. 5.1.8 lid 2 Sv: wanneer verschillende opsporingsbevoegdheden zich lenen voor uitvoering van een verzoek wordt in beginsel de minst ingrijpende bevoegdheid gekozen. [6] Een eventuele toetsing die de rechter uitvoert, mocht een beroep worden gedaan op de zorgvuldigheidseis, kan niet anders dan marginaal zijn, en betreft enkel de zorgvuldigheid waarmee de officier van justitie zijn afweging heeft gemaakt. [7]
4.4
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de rechtbank weliswaar in algemene zin een oordeel heeft gegeven met betrekking tot het filteren van het beslag, maar heeft verzuimd concreet in te gaan op het betoog van de verdediging dat de documenten die buiten de in het rechtshulpverzoek genoemde periode vallen en die daardoor in de visie van de steller van het middel buiten het bereik van het rechtshulpverzoek vallen moeten worden uitgesloten van het beslag en de overdracht naar Suriname. De steller van het middel leidt hieruit af dat de rechtbank met betrekking tot het gehele beslag (inclusief de informatie die buiten de reikwijdte van het rechtshulpverzoek valt) kennelijk heeft geoordeeld dat het toetsingsverbod aan de proportionaliteit met zich meebrengt dat het haar niet vrij staat om informatie uit te sluiten. Dat zou volgens de steller van het middel betekenen dat de rechtbank voornoemde maatstaf ten onrechte heeft gebruikt om te oordelen dat ook informatie in beslag mag worden genomen en aan Suriname mag worden overgedragen, waar in het rechtshulpverzoek niet om is gevraagd.
4.5
Uit het schriftelijk standpunt van de verdediging zoals hiervoor weergegeven onder 3.2 leid ik af dat de verdediging met de documenten die buiten de in het rechtshulpverzoek genoemde periode vallen in eerste instantie doelde op documenten van vóór 1 november 2016 en na december 2017. [8] Tijdens de raadkamerzitting heeft de raadsvrouw pas de beschikking gekregen over het rechtshulpverzoek en de daarin vermelde periode. Ik vat het middel dan ook zo op, dat het betrekking heeft op de documenten van vóór 2015 en na 2020 [9] en dat deze documenten hadden moeten worden uitgesloten van het beslag en de overdracht naar Suriname. Dat betoog is naar mijn mening gebaseerd op een onjuiste en te beperkte lezing van het rechtshulpverzoek. In het rechtshulpverzoek staat vermeld dat het vermoeden bestaat dat de klager heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met diverse (in het verzoek nader omschreven) strafbare gedragingen in de periode van 2015 tot 2020, [10] maar het verzoek dat betrekking heeft op deze feiten is ruimer geformuleerd. In het rechtshulpverzoek staat vermeld: [11]
“A. Doorzoeking
Het is voor het strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk dat ter verkrijging van bewijs een doorzoeking in de woning van [klager] wordt verricht ter inbeslagneming van de daarvoor vatbare voorwerpen en ter vastlegging van gegevens, eventueel in een elders aanwezig geautomatiseerd werk,
die betrekking kunnen hebben op de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten door verdachten[onderstreping AG]
.
Doel doorzoekingenDe doorzoeking heeft tot doel om
alle digitale en fysieke bescheiden en gegevens die informatie kunnen verschaffen over de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten in beslag te nemen danwel veilig te stellen[onderstreping AG]. Hierbij valt specifiek te denken aan:
Alle (digitale en fysieke) documenten en gegevens met betrekking tot transacties van de criminele organisatie en/of andere aan daaraan gerelateerde entiteiten, waaronder, maar niet beperkt tot:
- de gevoerde correspondentie (brieven, mail, aantekeningen),
- boekhouding,
- (aangeleverde) correspondentie,
- e-mailverkeer en andere communicatie,
- notulen, overlegverslagen,
- (concept-)contracten/overeenkomsten,
- transactiegegevens, betalingsgegevens, bankafschriften,
- memo’s, aantekeningen en overige administratieve bescheiden en gegevens,
- digitale gegevens dragers (telefoontoestellen/ laptop/ desktop/ externe
schijven/ geheugen sticks)
alles voor zover betrekking hebbend op de periode van 01 januari 2015 tot
en met
heden[onderstreping AG].”
4.6
Hoewel de laatste zinsnede wellicht verwarring zou kunnen scheppen over de vraag of ook informatie die dateert van vóór 1 januari 2015 onder het rechtshulpverzoek valt, moet het verzoek in zijn geheel bezien, in mijn ogen zo worden gelezen dat het (expliciet) mede betrekking heeft op de periode na 2020, [12] maar zich ook kan uitstrekken tot informatie die dateert van vóór 2015, voor zover deze informatie betrekking heeft op de strafbare feiten waarvan de klager wordt verdacht. Van een onjuiste toepassing van de maatstaf is naar mijn mening dan ook geen sprake.
4.7
Subsidiair is betoogd dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het filteren van het beslag onvoldoende is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is omdat de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van de verdediging dat geen informatie aan Suriname mag worden overgedragen waar het rechtshulpverzoek niet op ziet.
4.8
Als gezegd berust die stelling naar mijn mening op een verkeerde lezing van het rechtshulpverzoek. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het kort gezegd aan de verzoekende staat is om te beoordelen welke gegevens wel of niet tot het bewijs kunnen dienen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de officier van justitie voldoende zorgvuldigheid heeft betracht in het tegemoet gekomen aan de belangen van klager, door:
(i) de FIOD een ‘image’ te laten maken en de originele goederen met gegevens aan klager terug te geven;
(ii) zoekslagen te laten verrichten met zoektermen op de gegevensdragers;
(iii) aan te geven bereid te zijn te reageren op specifieke daartoe gestelde verzoeken van klager ten aanzien van die digitale gegevens die niet tot mogelijk bewijs kunnen dienen en louter privézaken betreffen;
(iv) te beoordelen welke gegevens/goederen teruggegeven kunnen worden.
4.9
In dit oordeel ligt besloten dat geen ruimte is voor de door de verdediging voorgestane filtering en uitsluiting van documenten uit de periode vóór 2015 en na 2020. Dat oordeel is gelet op eerder vermelde inhoud van het rechtshulpverzoek en hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 staat vermeld niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

5.Conclusie

5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Op basis van: Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (New York 31-10- 2003); Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (TOC-verdrag, Palermo 15-11-2000); Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in Strafzaken, ’s-Gravenhage 27 augustus 1976; Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in Strafzaken (Trb 1993, 87).
2.Uit de beschikking (p. 3) volgt dat de klager en zijn advocaat hebben kennisgenomen van het rechtshulpverzoek. Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting (p. 2 en 4) blijkt dat de klager en zijn advocaat bij aanvang van de zitting nog niet de beschikking hadden over het rechtshulpverzoek, maar dat zij dit tijdens de zitting alsnog hebben ontvangen.
3.Zie ook de pleitnota (onder 5-10) die als bijlage is gehecht aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 7 juni 2023
4.AG TS: dit is neem ik aan een kennelijke verschrijving. Bedoeld zal zijn: HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108.
5.Zie de wetgeschiedenis m.b.t. het Wetsvoorstel tot "Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken (herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken)" Kamerstukken II 2015-2016, 34 493, nr.3, par. 5.2 p. 18 en Kamerstukken II 2015-2016, 34 493, nr. 7, p. 2. Zie over het vertrouwensbeginsel in dit verband ook: J.M. Reijntjes, ‘Opsporingshulp en kleine rechtshulp’, in R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 3.6. 439-440.
6.Kamerstukken II, 2015-2016, 34 493, nr. 3, p. 18.
7.Kamerstukken II, 2015-2016, 34 493, nr. 3, p. 19.
8.Zie onder randnr. 3.2.: de verdediging baseerde zich hierbij op de pleegperiode als weergegeven in de aan hen verstrekte dagvaarding, te weten 1 november 2016 – december 2017.
9.In het rechtshulpverzoek wordt op p. 2 als vermoedelijke pleegperiode aangehaald: 2015 – 2020.
10.Rechtshulpverzoek van het Kabinet van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten in Suriname gericht aan de bevoegde autoriteiten van Nederland, d.d. 2 januari 2023, p. 2.
11.Zie het rechtshulpverzoek p. 5-6.
12.Het rechtshulpverzoek dateert immers van 2 januari 2023.