ECLI:NL:PHR:2024:142

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
23/02772
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a SvArt. 552d SvArt. 552e Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake beslag op voorwerpen en gegevens uit Surinaams rechtshulpverzoek

De zaak betreft een cassatieberoep van een klager tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023, waarin het klaagschrift tot opheffing van beslag op voorwerpen en gegevens, genomen op grond van art. 94 Sv Pro, ongegrond werd verklaard. Het beslag volgde op een rechtshulpverzoek van Surinaamse autoriteiten in een strafrechtelijk onderzoek naar vermeende deelname aan een criminele organisatie.

De doorzoekingen vonden plaats in januari en februari 2023 in woningen en een kluis van de klager, waarbij diverse digitale gegevensdragers en papieren in beslag werden genomen. De FIOD maakte een image van de digitale gegevensdragers en gaf de originelen terug. De Surinaamse autoriteiten vroegen om vertrouwelijkheid, waardoor het rechtshulpverzoek aanvankelijk niet aan de verdediging werd verstrekt.

De verdediging stelde dat het beslag gefilterd moest worden en dat documenten van vóór 2015 en na 2020 uitgesloten moesten worden, omdat deze buiten het rechtshulpverzoek zouden vallen. De rechtbank oordeelde echter dat het rechtshulpverzoek ruimer was geformuleerd en dat het aan de verzoekende staat is om te bepalen welke gegevens als bewijs dienen. De rechtbank vond dat de officier van justitie voldoende zorgvuldigheid betrachtte bij het omgaan met het beslag.

De procureur-generaal concludeert dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast, waarbij toetsing aan proportionaliteit en nut van het onderzoek niet aan de orde zijn vanwege het vertrouwensbeginsel. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen. Tevens werd de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag tegen het conservatoir beslag, omdat dit niet tijdig was ingebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de voorwerpen en gegevens blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02772 Br
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Rotterdam, heeft bij beschikking van 28 juni 2023 het op grond van art. 552a Sv en art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen voorwerpen en gegevens, ongegrond verklaard. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beklag, meer in het bijzonder op de door de rechtbank toegepaste maatstaf.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02733 en 23/02739. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.Aanleiding en verloop van de procedure

2.1
Op 31 januari en 1 februari 2023 hebben naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Surinaamse autoriteiten gedateerd 2 januari 2023, [2] doorzoekingen plaatsgevonden in de woningen van de klager aan de [a-straat 1] te [plaats] en de [b-straat 1] te [plaats] en in een kluis die zich bevond in De Nederlandse Kluis te Maastricht. Bij deze doorzoekingen waren vertegenwoordigers van justitie, en/of politie vanuit Suriname aanwezig.
2.2
Tijdens de doorzoekingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager diverse voorwerpen, waaronder digitale gegevensdragers en ordners met papieren inbeslaggenomen op de voet van art. 94 Sv Pro. Alle inbeslaggenomen digitale gegevensdragers zijn aan de klager teruggegeven, nadat de FIOD een zogenoemde ‘image’ heeft gemaakt en deze heeft behouden om over te kunnen dragen aan de Surinaamse rechterlijke autoriteiten. Tevens is conservatoir beslag gelegd op een geldbedrag (art. 94a Sv). [3]
2.3
De Surinaamse autoriteiten hebben verzocht bij de behandeling van het rechtshulpverzoek vertrouwelijkheid te betrachten en geheimhouding in acht te nemen. Dit rechtshulpverzoek is daarom (in eerste instantie) niet aan de verdediging verstrekt.
2.4
Namens de klager is op 13 februari 2023 een op art. 5.1.11 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem (op de voet van art. 94 Sv Pro) in beslag genomen voorwerpen en gegevens. Vervolgens heeft er een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden tussen de advocaat van de klager en het openbaar ministerie.
2.5
De klager is door de Surinaamse autoriteiten gedagvaard om op 26 april 2023 te verschijnen voor het gerecht in Paramaribo. Aan de klager is kort samengevat ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 15 januari 2015 tot en met 20 augustus 2020 heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich zou bezighouden met onder meer handelen in strijd met art. 13 Anti Pro-corruptiewet, oplichting, verduistering en valsheid in geschrift. Het openbaar ministerie te Suriname wacht op de inbeslaggenomen gegevensdragers, zodat deze aan de stukken van het geding kunnen worden toegevoegd. De ten laste gelegde feiten komen in grote lijnen overeen met de in het rechtshulpverzoek genoemde feiten.
2.6
Uit de stukken komt naar voren dat de verdediging op enig moment de beschikking heeft gekregen over het strafdossier en het rechtshulpverzoek. [4]
2.7
Het klaagschrift is op 7 juni 2023 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam heeft op 30 mei 2023 op het beklag (ex art. 94 Sv Pro) beslist.

3.De beschikking

3.1
De rechtbank heeft het standpunt van klager voor zover relevant voor de bespreking van het middel als volgt weergegeven:
“4. het beslag dient te worden gefilterd en alleen de digitale documenten waarin de genoemde zoektermen voorkomen mogen worden overgedragen aan de Surinaamse autoriteiten. Daarnaast dienen documenten van voor 2015 en van na 2020 te worden uitgesloten van het beslag.” [5]
3.2
In aanvulling hierop maak ik melding van de volgende passage uit het schriftelijk standpunt van de verdediging gedateerd 21 mei 2023:
“ 33. Subsidiair wenst klager zich aan te sluiten bij het standpunt van de advocaat van de andere klagers in deze, te weten dat er door het OM een selectie gemaakt dient te worden en niet alle inbeslaggenomen data zomaar aan de Surinaamse autoriteiten overgedragen dient te worden. Te meer nu klager veel zaken heeft gedaan in Suriname als directeur van trustmaatschappij [A] NV. De activiteiten betroffen vermogensbeheer, beleggingsadviezen en directievoering oa voor vermogende particulieren en politici. Voor al deze activiteiten heeft klager een geheimhoudingsplicht. Gelet op al het voorgaande heeft klager er geen enkel vertrouwen in dat deze informatie, als deze ter kennis komt van de Surinaamse autoriteiten, niet gebruikt danwel misbruikt zal worden danwel openbaar gemaakt zal worden.
34. Gelet op de grote hoeveelheid digitale gegevensdragers die in beslag zijn genomen met daarop zoveel meer dan door de Surinaamse autoriteiten is gevraagd dient er een selectie plaats te vinden op basis van zoektermen, opgesteld op basis van het gevraagde in het RHV.”
3.3
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beklag het volgende juridisch kader vooropgesteld:
“Vooropgesteld wordt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat niet kan werden gevergd dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag, dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.
De betrokkene bij wie ter uitvoering van een rechtshulpverzoek voorwerpen in beslag zijn genomen, kan op grond van artikel 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift indienen. De artikelen 552a leden 1 tot en met 6, 552d leden 1 en 2, en 552e lid 1 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechtbank geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechtbank toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft (vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). [6] Het staat wel ter beoordeling aan de rechtbank of zich - gelet op de artikelen 5.1.3, 5.1.4 en 5.4.5 Sv - een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het verzoek, dan wel voor uitstel van de erkenning. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het verzoek, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechtbank van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.”
3.4
De rechtbank heeft het klaagschrift met betrekking tot het beklag over de op grond van art. 94 Sv Pro in beslag genomen goederen ongegrond verklaard en ten aanzien van het hiervoor weergegeven standpunt met betrekking tot het filteren van het beslag overwogen:
“Het is vaste rechtspraak dat inbeslagname van digitale gegevensdragers niet er toe kan leiden dat door de opsporingsdiensten voorafgaand aan de overdracht een onderscheid gemaakt moet worden tussen gegevens die wel en die niet tot bewijs kunnen dienen. Dit onderzoek dient plaats te vinden door de opsporingsdiensten van de verzoekende staat en het is aan deze diensten in het strafdossier op te nemen welke gegevens als bewijs kunnen dienen. De officier van justitie heeft voldoende zorgvuldigheid betracht in het tegemoet gekomen aan de belangen van klager, door de FIOD een ‘image’ te laten maken en de originele goederen met gegevens aan klager terug te geven, door zoekslagen te laten verrichten met zoektermen op de gegevensdragers, door aan te geven bereid te zijn te reageren op specifieke daartoe gestelde verzoeken van klager ten aanzien van die digitale gegevens die niet tot mogelijk bewijs kunnen dienen en louter privézaken betreffen en door te beoordelen welke gegevens/goederen teruggegeven kunnen worden.”

4.Het middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank bij haar oordeel dat het klaagschrift ongegrond is:
“en dat de onder verzoeker in beslag genomen voorwerpen (zijnde voornamelijk (digitale) documenten) die dateren van voor 2015 of van na 2020 en die in de visie van verzoeker buiten het bereik van het rechtshulpverzoek vallen aan de Surinaamse autoriteiten mogen worden overgedragen, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.”
4.2
Wat betreft de aan te leggen maatstaf heeft de rechtbank in dit verband verwezen naar een wetsartikel dat ziet op het, hier niet toepasselijke Europees Onderzoeksbevel, namelijk art. 5.4.7 lid 1 Sv. Dit is echter niet onoverkomelijk nu met betrekking tot de uitvoering van rechtshulpverzoeken als het onderhavige een gelijksoortig verbod in art. 5.1.8 lid 1 Sv is opgenomen, te weten dat daarbij ”eisen die worden gesteld in verband met de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing [worden] gelaten”. Dit vloeit voort uit het vertrouwensbeginsel: de beoordeling van nut en noodzaak is aan de uitvaardigende autoriteit omdat het immers gaat over de inhoud van een onderzoek dat door hen wordt verricht. [7]
4.3
Hiervan moet worden onderscheiden de zorgvuldigheidseis die is neergelegd in art. 5.1.8 lid 2 Sv: wanneer verschillende opsporingsbevoegdheden zich lenen voor uitvoering van een verzoek wordt in beginsel de minst ingrijpende bevoegdheid gekozen. [8] Een eventuele toetsing die de rechter uitvoert, mocht een beroep worden gedaan op de zorgvuldigheidseis, kan niet anders dan marginaal zijn, en betreft enkel de zorgvuldigheid waarmee de officier van justitie zijn afweging heeft gemaakt. [9]
4.4
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de rechtbank weliswaar in algemene zin een oordeel heeft gegeven met betrekking tot het filteren van het beslag, maar heeft verzuimd concreet in te gaan op het betoog van de verdediging dat de documenten van vóór 2015 en na 2020 moeten worden uitgesloten van het beslag en de overdracht naar Suriname. De steller van het middel leidt hieruit af dat de rechtbank met betrekking tot het gehele beslag (inclusief de informatie die buiten de reikwijdte van het rechtshulpverzoek valt) kennelijk heeft geoordeeld dat het toetsingsverbod aan de proportionaliteit met zich meebrengt dat het haar niet vrij staat om informatie uit te sluiten. Dat zou volgens de steller van het middel betekenen dat de rechtbank voornoemde maatstaf ten onrechte heeft gebruikt om te oordelen dat ook informatie in beslag mag worden genomen en aan Suriname mag worden overgedragen, waar in het rechtshulpverzoek niet om is gevraagd.
4.5
Dat de documenten van vóór 2015 en na 2020 hadden moeten worden uitgesloten van het beslag en de overdracht naar Suriname, is naar mijn mening gebaseerd op een onjuiste en te beperkte lezing van het rechtshulpverzoek. In het rechtshulpverzoek staat vermeld dat het vermoeden bestaat dat de klager heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met diverse (in het verzoek nader omschreven) strafbare gedragingen in de periode van 2015 tot 2020, [10] maar het verzoek dat betrekking heeft op deze feiten is ruimer geformuleerd. In het rechtshulpverzoek staat vermeld: [11]
“ A. Doorzoeking
Het is voor het strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk dat ter verkrijging van bewijs een doorzoeking in de woning van [klager] wordt verricht ter inbeslagneming van de daarvoor vatbare voorwerpen en ter vastlegging van gegevens, eventueel in een elders aanwezig geautomatiseerd werk,
die betrekking kunnen hebben op de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten door verdachten[onderstreping AG] .
Doel doorzoekinqen
De doorzoeking heeft tot doel om
alle digitale en fysieke bescheiden en gegevens die informatie kunnen verschaffen over de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten in beslag te nemen dan wel veilig te stellen[onderstreping AG]. Hierbij valt specifiek te denken aan:
Alle (digitale en fysieke) documenten en gegevens met betrekking tot transacties van de criminele organisatie en/of andere aan daaraan gerelateerde entiteiten, waaronder, maar niet beperkt tot:
- de gevoerde correspondentie (brieven, mail, aantekeningen),
- boekhouding,
- (aangeleverde) correspondentie,
- e-mailverkeer en andere communicatie,
- notulen, overlegverslagen,
- (concept-)contracten/overeenkomsten,
- transactiegegevens, betalingsgegevens, bankafschriften,
- memo’s, aantekeningen en overige administratieve bescheiden en gegevens,
- digitale gegevens dragers (telefoontoestellen/ laptop/ desktop/ externe
schijven/ geheugen sticks)
alles voor zover betrekking hebbend op de periode van 01 januari 2015 tot
en met
heden[onderstreping AG].”
4.6
Hoewel de laatste zinsnede wellicht verwarring zou kunnen scheppen over de vraag of ook informatie die dateert van vóór 1 januari 2015 onder het rechtshulpverzoek valt, moet het verzoek, in zijn geheel bezien, in mijn ogen zo worden gelezen dat het (expliciet) mede betrekking heeft op de periode na 2020, [12] maar zich ook kan uitstrekken tot informatie die dateert van vóór 2015, voor zover deze informatie betrekking heeft op de strafbare feiten waarvan de klager wordt verdacht. Van een onjuiste toepassing van de maatstaf is naar mijn mening dan ook geen sprake.
4.7
Subsidiair is betoogd dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het filteren van het beslag onvoldoende is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is omdat de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van de verdediging dat geen informatie aan Suriname mag worden overgedragen waar het rechtshulpverzoek niet op ziet.
4.8
Als gezegd berust die stelling naar mijn mening op een verkeerde lezing van het rechtshulpverzoek. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het kort gezegd aan de verzoekende staat is om te beoordelen welke gegevens wel of niet tot het bewijs kunnen dienen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de officier van justitie voldoende zorgvuldigheid heeft betracht in het tegemoet gekomen aan de belangen van klager, door:
(i) de FIOD een ‘image’ te laten maken en de originele goederen met gegevens aan klager terug te geven;
(ii) zoekslagen te laten verrichten met zoektermen op de gegevensdragers;
(iii) aan te geven bereid te zijn te reageren op specifieke daartoe gestelde verzoeken van klager ten aanzien van die digitale gegevens die niet tot mogelijk bewijs kunnen dienen en louter privézaken betreffen;
(iv) te beoordelen welke gegevens/goederen teruggegeven kunnen worden.
4.9
In dit oordeel ligt besloten dat geen ruimte is voor de door de verdediging voorgestane filtering en uitsluiting van documenten uit de periode vóór 2015 en na 2020. Dat oordeel is gelet op eerder vermelde inhoud van het rechtshulpverzoek en hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 staat vermeld niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

5.Conclusie

5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Daarnaast is de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag. De rechtbank heeft in dit verband overwogen: “Ten aanzien van het conservatoir beslag geldt, dat noch in het klaagschrift noch in de aanvulling van 3 maart jl. hierover wordt geklaagd. Eerst ter zitting van 7 juni jl. werd dit ter tafel gebracht door klager en - reagerend daarop - de officier van justitie. Kennelijk heeft deze inbeslagname plaatsgevonden op basis van een door de rechter-commissaris verstrekte machtiging op vordering van de officier van justitie na een daartoe verkregen tweede rechtshulpverzoek van de Surinaamse autoriteiten. De rechtbank beschikt evenwel niet over deze stukken, zodat hierop geen rechterlijke toets kan. plaatsvinden. Nu klager dit eerst in derde termijn heeft ingebracht, zal klager hierin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.Op basis van: Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (New York 31-10- 2003); Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (TOC-verdrag, Palermo 15-11-2000); Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in Strafzaken, ’s-Gravenhage 27 augustus 1976; Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in Strafzaken (Trb 1993, 87).
3.Uit de pleitnota die op 7 juni 2023 in raadkamer is overgelegd (onder 33) en het schriftelijk standpunt van het OM d.d. 7 juni 2023 (p. 5) leid ik af dat het om een contant geldbedrag van € 50.000,- gaat dat op 1 februari 2023 is aangetroffen in een kluis van de klager die hij huurde bij De Nederlandse Kluis te Maastricht.
4.Uit de beschikking (p. 4) volgt dat de klager en zijn advocaat hebben kennisgenomen van het rechtshulpverzoek. Uit de aanvulling op het klaagschrift d.d. 21 mei 2023 (p. 1) en het proces-verbaal van de raadkamerzitting (p. 2 en 4) blijkt dat de klager en zijn advocaat daadwerkelijk beschikken over het rechtshulpverzoek.
5.Zie ook de pleitnota (onder 37) die als bijlage is gehecht aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 7 juni 2023.
6.AG TS: dit is neem ik aan een kennelijke verschrijving. Bedoeld zal zijn: HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108.
7.Zie de wetgeschiedenis m.b.t. het Wetsvoorstel tot "Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken (herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken)" Kamerstukken II 2015-2016, 34 493, nr.3, par. 5.2 p. 18 en Kamerstukken II 2015-2016, 34 493, nr. 7, p. 2. Zie over het vertrouwensbeginsel in dit verband ook: J.M. Reijntjes, ‘Opsporingshulp en kleine rechtshulp’, in R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 3.6. 439-440.
8.Kamerstukken II, 2015-2016, 34 493, nr. 3, p. 18.
9.Kamerstukken II, 2015-2016, 34 493, nr. 3, p. 19.
10.Rechtshulpverzoek van het Kabinet van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten in Suriname gericht aan de bevoegde autoriteiten van Nederland, d.d. 2 januari 2023, p. 2.
11.Zie het rechtshulpverzoek p. 5-6.
12.Het rechtshulpverzoek dateert immers van 2 januari 2023.