Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
In incidenteel hoger beroep heeft zij verzocht de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man voor de maanden 1 februari 2022 tot en met 1 augustus 2022 als kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 680,- per maand althans een hoger bedrag dan € 115,- per maand en de beschikking van de rechtbank voor het overige te bekrachtigen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
redelijkerwijs kunnen beschikken. [8] Deze verplichting heeft een dwingendrechtelijk karakter, die na echtscheiding voortduurt. [9] Het feit dat deze verplichting op iedere ouder rust, brengt in verbinding met art. 21 Rv Pro mee dat op elk van beiden de verplichting rust om de rechter inzake de behoefte van het kind juist en volledig voor te lichten. Dat betreft dan niet alleen de (door de man gestelde) daadwerkelijke inkomsten, maar ook inzage waarom in het geval van een significant inkomensverlies, zoals in casu aan de orde, de man niet in staat is en/of van hem kan worden gevergd om een inkomen op zijn oude niveau te verwerven. Het hof kon en mocht dus ook om deze reden niet volstaan met het afgaan op de door de man aangeleverde cijfers en prognoses. Zeker in een overspannen arbeidsmarkt als de huidige valt niet in te zien dat en waarom van de man niet kan worden gevergd dat hij een aan periode I vergelijkbaar inkomen realiseert. Het hof had daarom zijn oordeel op dit punt naar behoren moeten motiveren, wat het heeft nagelaten, aldus de toelichting. [10]