Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft’. Van die verplichting heeft Bopec zich gekweten. Ook indien zou worden aangenomen dat Venezuela als eigenaar van de olie moet worden aangemerkt – al dan niet op een van de door Huntington gestelde gronden – dan doet dat aan de juistheid van de verklaring van Bopec niet af. Bopec heeft ook dan geen rechtsverhouding met Venezuela op grond waarvan zij Venezuela iets verschuldigd is en heeft ook dan niets
voor(niet: ‘
van’) Venezuela onder zich.”
bewijslast bij betwisting
3.Bespreking van het cassatiemiddel
en op aan de schuldenaar toebehorende roerende zaken die onder de derde-beslagene berusten en die geen registergoederen zijn” (cursivering toegevoegd).
onderdeel 1.3geeft de verwerping van het standpunt van Huntington dat de olie toebehoorde aan Venezuela en dus door het beslag is getroffen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat de derdenverklaring (ook) een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken dient te omvatten (het onderdeel verwijst hiervoor naar art. 476a lid 1 en lid 2 onder c Rv BES), in dit geval de olie die eigendom is van Venezuela. Dat, naar het hof overweegt in rov. 3.20, Bopec geen uitsluitsel hoefde te geven over de verhoudingen tussen Venezuela en PDVSA en de achtergronden daarvan, laat volgens het onderdeel onverlet dat Bopec op grond van art. 476a lid 2 Rv de aan Venezuela toebehorende, door het beslag getroffen zaken moest vermelden en dat de verklaring vanwege het ontbreken van die vermelding onjuist is. In ieder geval vormen de oordelen van het hof een onvoldoende begrijpelijke reactie op het primaire standpunt van Huntington dat de olie toebehoort aan Venezuela en dat zij dus door het beslag is getroffen.
onderdeel 1.6heeft het hof miskend dat het in de betwistingsprocedure niet kon volstaan met een beoordeling of de derdenverklaring aanvankelijk te goeder trouw is of kon worden afgelegd. Het diende aan de hand van inmiddels gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen of de derdenverklaring juist was. Dan kan het zijn dat wordt geoordeeld dat de derdenverklaring achteraf bezien onjuist was, en dat deze in de betwistingsprocedure moet worden aangevuld. Uit onder meer de overweging in rov. 3.20 dat de juistheid van de in rov. 3.19 genoemde stellingen in het midden kan blijven, blijkt dat het hof heeft miskend dat een betwistingsprocedure als deze juist ertoe dient om te bewerkstelligen dat de verklaring zo nodig wordt gecorrigeerd. In ieder geval is onbegrijpelijk waarom in deze zaak geen aanleiding zouden kunnen en moeten zijn voor aanvulling.