Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
geenolieproducten op bij Bopec”.
bewijslast bij betwisting
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 april 2024.
Hoge Raad
Huntington vordert executoriaal derdenbeslag op olieproducten die door Bopec worden opgeslagen, eigendom van Venezuela. Bopec verklaart dat zij de olie onder zich houdt namens PDVSA, een entiteit gelieerd aan Venezuela, en betwist dat de olie direct aan Venezuela toebehoort.
Het gerecht en hof wezen de vorderingen van Huntington af, waarbij het hof oordeelde dat Bopec slechts hoefde te verklaren of zij iets aan Venezuela verschuldigd is of zaken voor Venezuela onder zich heeft, en dat Huntington onvoldoende bewijs leverde dat de verklaring onjuist was.
De Hoge Raad stelt dat in de betwistingsprocedure op grond van art. 477a lid 2 Rv BES de rechter moet vaststellen welke vorderingen en zaken door het beslag zijn getroffen en of de derdenverklaring juist is, mede op basis van feiten die in de procedure naar voren komen. Tevens verduidelijkt de Hoge Raad dat beslag op roerende zaken van de geëxecuteerde die onder derden berusten, ook geldt ongeacht de rechtsverhouding tussen derde en geëxecuteerde.
De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij Bopec wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en wijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de juistheid van de derdenverklaring en de reikwijdte van het beslag.