Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
isde schuldenaar in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van art. 6:82 en Pro 6:83 BW is voldaan. En volgens art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW
treedtverzuim zonder ingebrekestelling in
wanneer [4] de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Voor het intreden van het verzuim van de schuldenaar is dus niet nodig dat de schuldeiser expliciet of impliciet zich op dat verzuim beroept. Het verzuim treedt van rechtswege in en op de gevolgen daarvan kan de schuldeiser zich ook voor het eerst in een later gevoerde procedure beroepen.
zijn houdingblijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn. Zie art. 6:82 lid 2 BW Pro. [5] Maar in de gevallen van art. 6:83 BW Pro geldt dat stelsel
niet.Lezen we het arrest van het hof in de zin dat voor het intreden van verzuim op grond art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW nodig is dat de schuldeiser expliciet of impliciet dat rechtsgevolg inroept, dan is dat dus onjuist. Het hof heeft dan het stelsel van art. 6:81, 6:82 en 6:83 BW miskend.
Poloshirtsvan bijna een eeuw later
.Maar in ieder geval is van het arrest uit 1921 te behouden dat als aan een tweede of volgende ingebrekestelling door de schuldenaar geen gevolg wordt gegeven, de schuldeiser zich alsnog ten volle kan beroepen op het verzuim zoals dit reeds krachtens de eerste geldige ingebrekestelling is ingetreden. [8] En wat het arrest uit 1921 met betrekking tot een eerdere ingebrekestelling formuleert, geldt evenzeer met betrekking tot een andere grond die het verzuim doet intreden, waaronder het geval dat de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze zal tekortschieten (art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW).
GS Verbintenissenrecht, leest in die beslissing terecht (vergelijk het hiervoor besproken arrest uit 1921) net iets meer dan er met zoveel woorden staat, namelijk de stelregel: [11]
Poloshirtsuit 2018. [12] Volgens dat arrest geldt dat als een schuldenaar in verzuim is en aan zijn schuldeiser aanbiedt om alsnog na te komen, zónder daarbij tevens volledige vergoeding van de in verband met het verzuim verschuldigde schadevergoeding aan te bieden, de schuldeiser dit aanbod veilig kan aanvaarden: uit die aanvaarding kan volgens de door uw Raad in het arrest uitdrukkelijk aanvaarde regel namelijk op zichzelf niet worden afgeleid dat hij zijn aanspraak op volledige schadevergoeding prijsgeeft. [13] Welnu, spiegelbeeldig kan dan uit pogingen van de schuldeiser om zijn wederpartij alsnog tot nakoming te bewegen evenmin worden afgeleid dat de schuldeiser daarmee rechten prijsgeeft.
onder 1.1 en 1.2, in samenhang gelezen, richten zich tegen het oordeel van het hof dat [eiser] aan de op zichzelf duidelijke mededeling van [verweerder 1] van 19 januari 2017, waaruit [eiser] kon afleiden dat [verweerder] in de nakoming van de verbintenis tekort zouden schieten, niet de gevolgen van art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW heeft verbonden. Volgens de klachten is dit oordeel onbegrijpelijk, [14] omdat [eiser] zich wel degelijk op de gevolgen van art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW heeft beroepen. [eiser] verwijst hiervoor naar de inhoud van de brief van 1 februari 2017: [15]
onder 2van het onderdeel is te lezen, slaagt. Volgens die klacht heeft het hof onder 3.8 ten onrechte of onbegrijpelijk geoordeeld dat de brief van 20 januari 2017 en de ingebrekestelling van 1 februari 2017 meebrengen dat [eiser] zijn rechten heeft verwerkt of afstand heeft gedaan van zijn recht om aan de mededeling van [verweerder] van 19 januari 2017 de gevolgen van art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW te verbinden.
nietis aanvaard (arrest van het hof onder 2.3, vierde volzin; hiervoor 2.1 onder iii). Door aan te nemen dat de brief, tezamen met de brief van 1 februari 2017, niettemin leidt tot het opschuiven van de ingangsdatum van het verzuim, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn beslissing niet begrijpelijk gemotiveerd.
onder 5is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat uit de brief van 20 januari 2017 volgens [eiser] duidelijk blijkt dat [de zoon van eiser] zijn verlengde aanbod tot nakoming heeft gedaan zonder terug te komen op zijn ‘eerder ingenomen standpunten’.
onder 1 en 2van dit onderdeel lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij komen erop neer dat het hof ten onrechte of onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [verweerder] de hiervoor genoemde stellingen (i) en (ii) gemotiveerd hebben betwist.
in ieder geval niet rechtstreeksvan belang voor de begroting van de door [eiser] gederfde huurinkomsten: [eiser] ontving immers naar eigen zeggen slechts de marktconforme huur van [de eenmanszaak] . De (onder)verhuur door [de eenmanszaak] aan derden kan wel
indirectvan belang zijn, omdat [eiser] heeft gesteld dat de verplichting van [de eenmanszaak] tot betaling van de marktconforme huur ervan afhankelijk was of [de eenmanszaak] (de units op) het perceel rendabel kon exploiteren. Met andere woorden: ingeval van eventuele leegstand van de units 2 tot en met 7 zou [de eenmanszaak] de marktconforme huur mogelijk niet verschuldigd zijn geweest aan [eiser] . Maar omdat [eiser] heeft gesteld dat [de eenmanszaak] de marktconforme huur aan hem hééft betaald in de periode na 31 mei 2018, terwijl de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij de werkelijke uitvoering van de huurovereenkomst in die periode, is de relevantie van de mogelijkheid tot onderverhuur door [de eenmanszaak] aan derden in de hypothetische situatie waarin [verweerder] het perceel tijdig zouden hebben geleverd slechts beperkt.
onder 3betoogt dat het hof de betwisting van de stellingen van [eiser] door [verweerder] , zoals neergelegd in 3.19 en 3.20 van de memorie van antwoord (geciteerd hiervoor 3.30), niet aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen. Omdat het hof [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld op die betwisting te reageren, zou het hof het beginsel van hoor en wederhoor hebben miskend.
onder 4is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de stelling van [eiser] [19] dat sinds rust is ontstaan op het perceel, de units uitstekend verhuurbaar blijken en er veel vraag is naar dergelijke ruimtes in Hilversum.
onder 1is het hof met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, omdat [verweerder] bij de bespreking van grief 2 van [eiser] niet zijn ingegaan op de facturen waarnaar het hof verwijst.
onder 2is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat de facturen dienden als bewijs voor de stelling van [eiser] dat uit onderhuur een huuropbrengst van € 2.209,65 wordt gegenereerd en daarmee een momentopname betreft.