Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Standpunten partijen
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Endstra-arrest over de betekenis van het auteursrechtelijke oorspronkelijkheidsvereiste geoordeeld dat geen sprake mag zijn van ontlening aan het werk van een ander en dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van
creatieve keuzes, en aldus een voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt volgens de Hoge Raad in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo
banaal of triviaalis, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen [9] .
uitsluitendtechnisch of functioneel is bepaald, van auteursrechtelijke bescherming is uitgesloten. Deze techniekexceptie bestaat ook in het modellenrecht [11] , het (vorm)merkenrecht [12] en in de leer van de slaafse nabootsing [13] , de andere beschermingsregimes voor productvormgeving. Als ontwerpen
deelstechnisch zijn bepaald, kan wel sprake zijn van een werk. Waar het dan om gaat, zo volgt uit het
Brompton Bicycle-arrest van het HvJEU, is dat de auteur door middel van de verschijningsvorm zijn creatieve vermogen op originele wijze tot uitdrukking moet hebben gebracht door
vrije en creatieve keuzeste maken, zodat die verschijningsvorm zijn persoonlijkheid weerspiegelt (punten 26 en 34). Keuzes die worden bepaald door technische of anderszins functionele eisen zijn geen vrije keuzes en dragen niet bij aan een eventueel persoonlijk stempel (punten 24, 26, 27 en 31). Indien er andere mogelijke verschijningsvormen zijn waarmee hetzelfde technische resultaat kan worden bereikt (alternatieven), dan geldt ook in het auteursrecht de regel dat daaruit niet afgeleid mag worden dat de verschijningsvorm niet uitsluitend technisch is bepaald; het bestaan van vormalternatieven kan wel indicatief zijn voor het bestaan van keuzevrijheid, maar dat is
niet doorslaggevendvoor de beoordeling van de factoren die de keuze van de maker hebben beïnvloed (aldus punt 35
Brompton). Eenzelfde principe wordt gehanteerd in het modellenrecht [14] en bij slaafse nabootsing [15] (en bij vormmerken trouwens [16] ). Daarbij moet rekening worden gehouden met alle relevante elementen van de zaak, zoals deze bestonden op het tijdstip waarop dit voorwerp werd ontworpen, ongeacht de factoren die na de creatie van het product en los daarvan zijn ontstaan (punt 37
Brompton). De ratio achter de techniekexceptie is dat voor technisch bepaalde vormgeving het octrooirecht is bedoeld [17] met de daarvoor geldende strikte vereisten, die niet langs een omweg via het auteurs-, model- of (vorm)merkrecht (dat laatste is potentieel onbeperkt in tijd geldig te houden) moeten kunnen worden omzeild [18] .
Doceram [22] en
DR/Samsung [23] .Dat behoeft de nodige nuancering, omdat voor de onderscheiden rechtsgebieden die vormgeving beschermen verschillende maatstaven en maatpersonen gelden. Een belangrijk verschil tussen de in het auteursrecht uitgesloten bescherming voor technisch bepaalde keuzes is dat voor een auteursrechtelijk werk ook in een ‘technische omgeving’ als voorwaarde geldt dat er
vrije creatieve keuzesmoeten zijn gemaakt, een voorwaarde die in de techniekexcepties in het merken- en modellenrecht niet voorkomt (al is er wel een parallel te trekken met de mate waarin ontwerpvrijheid bestaat in het modellenrecht, maar daar geldt dan weer dan vormvrije keuzes wezenlijk moeten zijn, wil er sprake zijn van de modelrechtelijk vereiste nieuwheid en eigen karakter [24] ). Hier past dus voorzichtigheid, zoals [verweerster] bij s.t. p. 18-22 terecht aangeeft en waar ook de Hoge Raad oog voor heeft [25] . Inspiratie bij hantering van de techniekexceptie zal mogelijk in het ene verwante rechtsgebied voor vormgevingsbescherming kunnen worden gevonden in het andere (in alle vormgevingsbeschermingsgebieden wordt geopteerd voor een (al dan niet gematigde) apparaatgerichte leer in mijn optiek), maar zonder meer alles of zo maar elementen van het een naar het ander doortrekken is als
regelbepaald te ongenuanceerd. Ringnalda meent in zijn BIE-noot onder
Bromptonzelfs dat de door de A-G in diens conclusie vóór dat arrest bepleite aanknoping bij de techniekexceptie in het modellen- en merkenrecht impliciet is verworpen, omdat uit punten 29-30 van het arrest volgt dat ook vormgeving die noodzakelijk is om een technisch effect te bereiken in beginsel auteursrechtelijk beschermd kan zijn, zolang er maar keuzeruimte bestaat en desondanks geoordeeld kan worden dat sprake is van een oorspronkelijk werk dat het resultaat is van een intellectuele schepping (BIE 2021/3, p. 163). Pinckaers zit op een vergelijkbare lijn [26] . Torenbosch ziet meer ruimte voor parallellen, maar is ook genuanceerd [27] .
Onder 12is de klacht vervolgens dat het hof door te overwegen dat Tinnus geen grief heeft gericht tegen het oordeel dat het bij de Bunch-O-Balloons erom ging dat zoveel mogelijk ballonnen tegelijk worden gevuld, althans dat het Tinnus erom ging om zoveel mogelijk slangetjes te plaatsen, ofwel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip ‘grief’, dan wel zijn overweging gezien het partijdebat onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Bij die klacht bestaat belang, aldus de PI onder 13, omdat dit uitgangspunt uit rov. 6.8 heeft doorgewerkt in de overwegingen die de beslissing dragen dat Bunch-O-Balloons geen auteursrechtelijke bescherming geniet (rov. 6.12, 6.13, 6.16-6.19), zo besluit deze klacht – en dat lijkt mij op zich juist.
zoveel mogelijk waterballonnetjes tegelijkertijdmet water te kunnen vullen. Door in hoger beroep aan te voeren dat de keuze voor 35 slangetjes niet was vereist, is niet kenbaar gegriefd tegen
dezepassage; daarmee is alleen aangegeven dat het precieze aantal van 35 niet is vereist, maar een kleiner of groter aantal ook had gekund, dus dat er qua aantal keuzevrijheid was [32] . Het hof hoefde daarin – ook niet in het licht van de reactie daarop van [verweerster] – een grief te lezen over het beoogde technisch effect van de Bunch-O-Balloons. Van miskenning van de het begrip ‘grief’ is geen sprake en evenmin van een ontoereikende motivering gelet op het partijdebat over het aantal slangetjes. Subonderdeel 1A is daarmee tevergeefs voorgesteld.
Brompton Bicycle-arrest volgt evenwel dat het bestaan van alternatieven
niet doorslaggevendis voor de vraag of de vorm uitsluitend door technische overwegingen wordt bepaald, in welk geval geen ruimte bestaat voor auteursrechtelijke bescherming (en datzelfde geldt op grond van de besproken arresten
Doceramen
Papierfabriek Doetinchemvoor de modelrechtelijke techniekexceptie). Zodoende is van een onjuiste rechtsopvatting geen sprake hier; dat alternatieve vormen denkbaar zijn wil nog niet zeggen dat geen ruimte bestaat voor de techniekexceptie. De toets is of de vorm in zodanige mate door technische overwegingen wordt ingegeven dat geen ruimte bestaat voor creatieve keuzes. Het is dan ook onjuist, zoals Tinnus lijkt te betogen [35] , dat het
bestaan van keuzesvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van
vrije en creatieve keuzesin de zin van de werktoets. In lijn met het hier tevergeefs aangevallen juiste rechtsoordeel heeft het hof in rov. 6.18 overwogen dat het bestaan van verschillende manieren om tot dezelfde technische functie te komen op zichzelf niet voldoende is om tot het oordeel te komen dat [betrokkene 1] vrije en creatieve keuzes heeft gemaakt die de werkdrempel halen. Dat is een juist rechtsoordeel (in gelijke zin s.t. [verweerster] 27-30).
onder 19is een verdere klacht dat voor zover het hof in rov. 6.12 toepassing heeft willen geven aan de regel dat met al wat een banale en/of triviale vorm heeft, geen creatieve arbeid van welke aard ook gemoeid kan zijn, die passage dan ook onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
onder 20tegen de passage aan het slot van rov. 6.12 over EP 948 (dat het voorgaande niet anders wordt als wordt meegenomen dat in octrooi EP 948 niet een bepaald aantal slangetjes of een buitendiameter van de slangetjes is voorgeschreven) is dat het hof miskent dat het octrooi wel degelijk een relevante factor is. Als het hof dat niet heeft miskend, valt uit ’s hofs overweging niet af te leiden waarom het feit dat het octrooi niet rept over de hoeveelheid dit ‘niet anders maakt’, mede in het licht van het feit dat [verweerster] niet heeft betwist dat het octrooi relevant is.
onder 21spelen in deze zaak tenminste twee factoren die aannemelijk maken dat de door de maker gemaakte keuzes niet alleen van technische functionele aard zijn: het bestaan van vormgevingsalternatieven (zie subonderdeel 2A) en dat het hier – anders dan in de tonercartridgeszaak
DR/Samsung– om speelgoed gaat waaraan inherent is dat het er leuk uit moet zien. Door met geen van beide rekening te houden, is hier hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel sprake van een ontoereikende motivering. Het hof had moeten oordelen dat hier gelet op de aard van het product en de alternatieve verschijningsvormen visuele aspecten en/of effecten een rol hebben gespeeld bij de ontwerpkeuzes – althans had het hof deze twee factoren moeten bespreken. In de PI
onder 22wijst Tinnus op de printercartridgeszaak waarin het hof juist vanwege de aard van het product (puur functioneel; niet zichtbaar bij gebruik, en het visuele aspect geen rol zal spelen bij de aankoopbeslissing) tot uitgangspunt nam dat het niet voor de hand ligt dat de vormgeving anders dan door functionaliteit werd bepaald [37] .
a contrarioredenering die niet in hoog aanzien staat in ons recht. Daar stuit deze klacht op af.
subonderdeel 2C(‘In het licht van het voorgaande (onderdeel 2A en 2B)’, zo begint subonderdeel 2C) klaagt dat rov. 6.18, inhoudende dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat op de door [betrokkene 1] genoemde punten gevarieerd had kunnen worden zonder consequenties voor het technische effect, onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat daar een nadere toelichting op ontbreekt. Dat is ofwel een schending van art. 149 of Pro 24 Rv of grief-begrip ( [betrokkene 1] heeft gesteld dat het aantal slangetjes gevarieerd kan worden zonder consequenties voor het technische effect), of ontoereikend gemotiveerd volgens de klacht. Het subonderdeel bevat aan het einde nog de klacht dat als in rov. 6.18 als uitgangspunt is genomen dat het beoogde technische effect was om zoveel mogelijk waterballonnen tegelijk te vullen, dit met de klachten van onderdelen 1 en 3 wordt bestreden.
onder 25niet gebaseerd op stellingen van [verweerster] , waardoor het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden (art. 24 Rv Pro), althans is hier sprake van ontoereikende motivering.
onder 26klaagt dat als het hof rov. 6.13 zou hebben gebaseerd op feiten van algemene bekendheid of ervaringsregels, dit onjuist of onbegrijpelijk is. Tinnus stelt dat het om een misslag gaat, onder verwijzing naar een filmpje op YouTube (zonder verwijzing naar een vindplaats voor dit filmpje in de stukken overigens) waarin te zien zou zijn hoe de Easymaxx-ballonnen worden gevuld, en voert aan dat uit het filmpje blijkt dat de ballonnen zich nagenoeg tegelijk vullen en even handzaam zijn.
Onder 27is de vervolgklacht dat als het hof al mocht constateren dat de Easymaxx-ballonnen minder handzaam zijn en zich niet nagenoeg tegelijk vullen de overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
Onder 28wordt daar aan toegevoegd dat rov. 6.13 los van het voorgaande geen begrijpelijke verwerping vormt van het betoog dat Tinnus ook voor minder slangetjes had kunnen kiezen, onder verwijzing naar de PI
onder 18(hiervoor al besproken als deel van subonderdeel 2A).
onder 30, dat een slagende klacht uit onderdeel 2 ook gevolgen heeft voor andere rechtsoverwegingen behoeft geen afzonderlijke bespreking.
subonderdeel 3Aaan dat voor zover het oordeel zo moet worden begrepen dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de ballonnen nagenoeg tegelijk of exact tegelijkertijd moeten vollopen om het technisch beoogde effect te realiseren, dat zich niet verdraagt met hetgeen Tinnus heeft aangevoerd in eerste aanleg en in hoger beroep [40] . Het hof heeft volgens de klacht een te eng technisch beoogd effect tot uitgangspunt genomen voor haar beoordeling, hetgeen van invloed is op de werktoets.
subonderdeel 3Bklaagt Tinnus dat voor zover het hof het juiste beoogde technisch effect tot uitgangspunt heeft genomen, rov. 6.10 eveneens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Dan is ofwel een onjuist werkbegrip gehanteerd, althans een onjuiste toepassing van de techniekexceptie, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven in het licht van de stellingen van Tinnus dat de lengte van de rietjes niet technisch is bepaald [41] .
subonderdeel 3Dherhaalt Tinnus de klacht uit subonderdeel 2B ook voor rov. 6.10.
onder 41is een louter voortbouwende klacht die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
onder 44.
effenfelle/primaire kleuren zodanig banaal en triviaal is dat daarin geen creatieve arbeid valt aan te wijzen. Met het woord ‘effen’ is aangegeven dat dit oordeel ook ziet op de keuze om alles in dezelfde kleur uit te voeren. Dat het hof deze keuze banaal en triviaal acht volgt overigens ook uit rov. 6.17 waarin het hof de keuze voor één kleur als banaal aanmerkt. De klacht faalt.
geencreatieve arbeid
van welke aard ookvalt aan te wijzen [44] . Ten aanzien van de rechtsklacht verwijst Tinnus naar de PI 3-4 waarin Tinnus de werktoets en de ondergrens uiteen heeft gezet.
onder 53van de PI is weer een louter voortbouwende klacht die geen afzonderlijke bespreking nodig heeft.
subonderdeel 5Abetoogt Tinnus
onder 58van de PI dat voor zover het hof de techniekexceptie heeft willen toepassen, het heeft miskend dat die alleen aan de orde is als de keuze
uitsluitenddoor technische overwegingen wordt bepaald, althans dat de keuze zo beperkt is dat idee en uitdrukking samenvallen [49] . Het enkele feit dat er alternatieven op de markt zijn, brengt volgens Tinnus mee dat daar in het onderhavige geval geen sprake van is. Voor zover het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is ’s hofs overweging zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
subonderdeel 5Bherhaalt Tinnus de klacht uit subonderdeel 2B ook voor rov. 6.14.
voortbouwklacht onder 62behoeft geen afzonderlijke bespreking.
onder 66van de PI aan dat die overweging niet strookt met rov. 6.27 waarin het hof in het kader van de door [verweerster] gevorderde verklaring voor recht van niet-inbreuk op de Gemeenschapsmodellen heeft geoordeeld dat de [verweerster] -ballonnenvuller en de Tinnus-ballonnenvuller een andere algemene indruk zal wekken. Het oordeel dat de keuze voor de vorm van de connector niet verder gaat dan de technische functie is volgens Tinnus in dat licht onbegrijpelijk.
Onder 67voegt Tinnus daaraan toe dat dit ook het geval is in het licht van het verweer van [verweerster] tegen de grieven van Tinnus. [verweerster] (dat Tinnus dit zou hebben erkend is een kennelijke verschrijving) heeft namelijk erkend dat er verschillende verschijningsvormen zijn van de connector, zodat het volgens Tinnus onbegrijpelijk is dat het hof desondanks tot de slotsom is gekomen dat de vormgeving van de connector niet verder gaat dan de technische functie.
onder 68 allereerstdat deze overweging voortbouwt op rov. 6.9-6.16 en reeds om die reden niet in stand kan blijven.
Ten tweedevoert Tinnus aan dat voor zover de overweging nog op een andere grond dan rov. 6.9-6.16 zou stoelen, dit is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, althans innerlijk tegenstrijdig is met rov. 6.27.
Ten derdebetoogt Tinnus dat het hof niet de alternatieve verschijningsvormen bespreekt die meebrengen dat het uiterlijk van de Bunch-O-Balloons niet wordt bepaald door de technische functie ervan [50] en de aard van het product [51] , terwijl dat wel relevante omstandigheden zijn.
Ten vierdebetoogt Tinnus dat het hof heeft miskend dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen een oorspronkelijk werk kan zijn, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt [52] .
ten eerstedat het hof de verklaring van de stellingen van partijen daarover isoleert [55] . Uit het partijdebat volgt volgens Tinnus dat partijen het erover eens zijn dat uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt dat hij stelt dat ‘aesthetic considerations’ in het ontwerpproces een rol hebben gespeeld. Het staat de rechter op grond van art. 24 Rv Pro dan niet vrij om uit prod. E27 af te leiden dat de beschouwingen een algemeen karakter hebben en niet zien op het ontwerp van Bunch-O-Balloons. Voor zover het hof art. 24 Rv Pro niet heeft miskend, heeft het hof aan de stellingen van partijen een onbegrijpelijke uitleg gegeven.
De tweede klachtis gericht tegen de overweging dat een toelichting zou ontbreken op de stelling dat voor dit ontwerp is gekozen omdat de gemaakte keuzes ‘more aesthetically pleasing’ zijn, onbegrijpelijk is, nu dat in alinea 6 en 7 van de verklaring van [betrokkene 1] is toegelicht, waarnaar die verklaring onder 8 ook verwijst.
Ten derdeis rov. 6.18 ook los daarvan onjuist voor zover daaruit moet worden afgeleid dat de aard van het product geen relevante factor zou zijn voor de beoordeling of aan de werktoets is voldaan, althans is rov. 6.18 zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, waarvoor wordt verwezen naar de PI onder 5 en onderdeel 2B.