Conclusie
lastigeen bij eerste beschouwing van het normaaltype in dit soort kwesties
afwijkende– zaak gaat in de eerste plaats over auteursrechtelijke bescherming van doorontwikkelde productvormgeving. Vervolgens komt het leerstuk van de slaafse nabootsing aan bod.
beperkt [1] tot
alleenhet bewerkingsauteursrecht van art. 10 lid 2 Aw Pro en dat is een situatie die verschilt van de doorgaans geziene praktijkgevallen waarin wordt aangevoerd dat opvolgende productversies in wezen uitvoeringsvarianten zijn van dezelfde, steeds terugkerende basisvorm, of van het normaaltype bewerking die zowel (als bewerking) een werk is, als een verveelvoudiging (van het oorspronkelijke werk) en waarbij de bewerker uit het origineel oorspronkelijke aspecten overneemt en ook in de bewerking zelf daarnaast een eigen intellectuele schepping legt, zodat bij de inbreukvraag zowel art. 13 Aw Pro, als art. 10 lid 2 Aw Pro relevant zijn [2] . Zelfs als de ST3D wel over de werkdrempel zou komen, valt volgens het uitdrukkelijk ten overvloede gegeven oordeel van het hof het door Lidl op de markt gebrachte scheepapparaat Silvercrest niet onder de beschermingsomvang van dit werk.
met zijn toevoegingeneen persoonlijk stempel weten te drukken? De creatieve inspanningen van de oorspronkelijke maker – wie dat ook moge zijn – spelen dan geen rol. In de conclusie wordt aangegeven dat een dergelijke ‘afstandsleer’ niet kan worden doorgetrokken buiten die strikt zo door het hof opgevatte beperkte insteek als ‘bewerkerswerk’, dus in ‘gewone’ gevallen van doorontwikkelde productvormgeving. Het is met name de vrees daarvoor die veel pennen in beweging heeft gezet, zo zullen we zien, maar als grondig geanalyseerd wordt in welke sleutel de gewraakte hofoverwegingen staan, dan lijkt er niet veel reden voor die vrees. Overigens klaagt Philips wel terecht dat het hof in deze context het totaalindrukkencriterium toepast; dat is een inbreukcriterium bij vormgeving en geen maatstaf voor de originaliteit van een werk. Tot cassatie leidt dat volgens mij niet, omdat het hof ook heeft bezien wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen de Arcitec en de ST3D en de verschillen vervolgens
afzonderlijkheeft beoordeeld op originaliteit.
bevoegdheid
Universal Music), r.o. 44.] Die aanknopingspunten zijn er.
- Frankrijk, België, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk, Portugal en Polen). Philips heeft ook niet bepleit dat die landen een lagere drempel hanteren voor de vaststelling van auteursrechtelijke bescherming dan Nederland.
- geen auteursrechtinbreuk op de ST3D
5. Beslissing
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 4.8 t/m 4.16 en bevat tien subonderdelen met voornamelijk rechtsklachten. Samengevat betoogt Philips dat het hof op een onjuiste wijze toetst of de ST3D een auteursrechtelijk beschermd werk is. Het hof plaatst het door Philips ingeroepen beroep op de ST3D als werk in de beperkende sleutel van alleen art. 10 lid 2 Aw Pro en oordeelt dat de werkdrempel voor dit ‘bewerkingswerk’ in het licht van Arcitec niet wordt gehaald.
tweede onderdeelklaagt Philips over rov. 4.17 t/m 4.22, waarin het hof als werkhypothese aanneemt dat de ST3D wel een werk zou zijn. De strekking van de klachten hiertegen is dat niet op juiste wijze is beoordeeld of de Silvercrest onder de beschermingsomvang van de ST3D valt.
derde onderdeelklaagt Philips over de beoordeling in rov. 4.23 t/m 4.25 op grond van Philips’ subsidiaire auteursrechtelijke grondslag, de Arcitec of het geheel van auteursrechten op de Arcitec en de ST3D. Het hof legt volgens de klachten het petitum onjuist/onbegrijpelijk uit en ook de grondslag van het geheel van de auteursrechten op de Arcitec en de ST3D is verkeerd opgevat, zo klaagt Philips. Daarnaast kan evenmin het stelplichtoordeel uit rov. 4.25 volgens Philips stand houden.
vierde onderdeelbevat klachten over het oordeel over de slaafse nabootsing van de door Philips ingeroepen shavers door Lidl in rov. 4.26 t/m 4.31, waarbij volgens Philips is miskend dat de totaalindruk van het nagebootste product en de nabootsing moeten worden vergeleken. Als dat niet is miskend, is de motivering ontoereikend.
vijfde onderdeelbehelst een louter voortbouwende klacht over rov. 4.32 t/m 4.34 en het dictum.
Cofemel(al aangehaald) is immers uitgemaakt dat het werkbegrip voor vormgeving of modellen geen andere inhoud heeft dan het algemene auteursrechtelijke werkbegrip (kort gezegd: EIS en uitdrukkingsvereiste) en dat auteursrechtelijke en modelrechtelijke bescherming kunnen cumuleren.
onderscheiden criteriagelden, respectievelijk nieuwheid en eigen karakter voor modellen [11] en EIS en uitdrukkingsvereiste voor auteursrechtelijke werken – waarbij overigens bij beide rechten techniekexcepties gelden (vormgeving die
uitsluitendtechnisch is bepaald, is niet auteursrechtelijk of modelrechtelijk te beschermen), terwijl ook de maatman verschilt: bij het modelrecht is dat de ‘geïnformeerde gebruiker’, bij het auteursrecht, zo kan men gechargeerd zeggen, is dat niemand specifiek – in de praktijk hooguit de rechter. Dat alleen al is een indicatie dat een modelrechtelijke benadering van auteursrechtelijke bescherming van vormgeving dogmatisch problematisch is.
Brompton Bicycle). Kroniekschrijvers Visser en Dack zeggen daarover kort en bondig: “Wat dat precies betekent, weet niemand.” De criteria uit
Cofemelen
Bromptom Bicyclebevatten volgens deze auteurs “een grabbelton aan gezichtspunten waarmee de nationale feitenrechter alle kanten op kan.”
andere algemene indrukwordt gewekt bij de geïnformeerde gebruiker en dat is bij voortbouwende productontwikkeling nogal eens niet het geval. Het hof lijkt dit vereiste als het ware te incorporeren in de auteursrechtelijke werktoets voor vormgeving van een gebruiksvoorwerp als een scheerapparaat, maar de werktoets is volgens
Cofemelniet anders dan bij ontwerpen van werken die geen gebruiksvoorwerp zijn, dus dat lijkt problematisch – als ten minste sprake is van het ‘normale’ geval dat een auteursrechthebbende op een doorontwikkelde productlijn een beroep doet op
zowelhet oorspronkelijke,
alsop het bewerkte (doorontwikkelde) werk. Doordat het hof de positie van Philips zo uitlegt, dat zij het doorontwikkelde werk ST3D
uitsluitendin beperkte zin, namelijk als ‘bewerkingswerk’ in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro inroept, is in de opvatting van het hof in wezen sprake van een
uitzonderlijke situatieen in die beperkte sleutel is voor zijn benadering
welveel te zeggen, zoals we zullen zien. De wetenschap dat het hof door die
beperkende brilheeft gekeken, kan mogelijk de commotie van de buitenwacht die kennis neemt van het hofarrest enigszins temperen.
alleeneen beroep doen op de bewerking opgevat en zitten we daar in cassatie in beginsel aan vast (tenzij daar een slagende motiveringsklacht tegen wordt gericht – en ik denk dat dat te betogen valt, zoals ik uiteen zal zetten, onderdeel I.8), maar voor mij is geen uitgemaakte zaak dat je zo’n beroep
bij dezelfde makerdie zijn oorspronkelijk werk bewerkt zonder meer zo beperkt zou moeten opvatten – ik denk dat dat in beginsel juist niet moet; dat ligt helemaal niet voor de hand; voor zo’n zichzelf beperkende insteek van een rechthebbende is geen aansprekende ratio in mijn visie – waarom zou een rechthebbende dat doen? Art. 10 lid 2 Aw Pro geldt immers ‘onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk’ en daar kan die maker zodoende ook beroep op doen, als de maker van het oorspronkelijke werk en de bewerker daarvan dezelfde (fictieve) maker zijn. Bij pleidooi in cassatie (plta cass 87, met verdere verwijzingen) formuleert Philips dat als een beroep op een
dubbelauteursrecht op de ST3D: op het oorspronkelijke werk en op de bewerking [16] .
corpus mysticumom een auteursrechtelijk kernbegrip te hanteren, net als het werk waarop wordt voortgeborduurd in de betreffende bewerking een
corpus mysticumis [18] . In de woorden van het Handboek (t.a.p.): ‘Onze wet scheert ze [d.w.z. de ‘verveelvoudigingen in gewijzigde vorm’ uit art. 10 lid 2 Aw Pro, A-G] terminologisch echter over één kam met reproducties (stoffelijke exemplaren).’ De volgende vijf bewerkingsgevallen worden onderscheiden in het Handboek:
alleenover normaaltype geval 1, dus art. 13 + art. 10 lid 2 Aw Pro – gaat er blijkens de context naar ik meen van uit dat sprake is van maker A en bewerker B en niet van maker A en dezelfde bewerker A, zoals in onze zaak. Het is voor de analyse van belang dat voor ogen te houden. Ook Philips benadrukt dit bij plta cass 20: in alle vijf gevaltypen uit het Handboek gaat het om een nieuw werk waarmee
ontleendwordt
aan een ouder werk van een ander [20] .
uitsluitenderop heeft beroepen dat dit een bewerking in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro
secis. Dat is de kern van de hele hofbenadering, waarbij is geanalyseerd of de ST3D als bewerking
sec op zichzelf beschouwdwel over de werkdrempel heen komt, mede in aanmerking genomen de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Arcitec, die als het ware op het ontwerp voor de ST3D in mindering worden gebracht, of daarvan worden ‘afgetrokken’ [21] , om een in de procedure gehanteerde term te gebruiken.
van een ander, maar om ‘ontlening’ aan (beter is: voortbouwing op) een werk
van zichzelf, dus aan een eerdere eigen intellectuele schepping (EIS). Ik kan geen ook maar enigszins aansprekende reden verzinnen waarom een rechthebbende op zowel origineel als bewerking zich bij het inroepen van bescherming alleen zou willen beroepen op bescherming onder het ‘bewerkingswerk’. Toch is dat wat het hof kennelijk in Philips’ positie leest. Bij een zodanig niet voor de hand liggende beperking mag je in mijn ogen een stevige motivering van de rechter verwachten waar dat op wordt gebaseerd. Die lijkt mij in deze zaak te ontbreken, zoals we zullen zien, en dan is dat niet goed te volgen. Het is, een cassatiebril opgezet, natuurlijk wel aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt om de gedingstukken uit te leggen. Inderdaad heeft Philips bij de pleidooien in eerste aanleg en in appel [22] aangegeven dat haar positie met betrekking tot de ST3D ‘juridisch’ te duiden is als een beroep op art. 10 lid 2 Aw Pro (terwijl zij zich aanvankelijk primair ‘gewoon’ leek te beroepen op haar auteursrecht op de ST3D zonder nadere kwalificatie). Maar dat is lijkt mij gelet op de context niet in enge zin bedoeld; dat is niet het hele verhaal, dat mag niet geïsoleerd worden bezien. Ik gaf hiervoor in 3.8 al aan dat maar de vraag is hoe je een beroep in een geval als dit op art. 10 lid 2 Aw Pro dan precies moet zien gelet op het ‘onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk’ in art. 10 lid 2 Aw Pro, daarbij bedenkend dat Philips zich uitdrukkelijk beroept op haar auteursrechtelijke makerschap van dat eerdere werk, de Arcitec. Dat kleurt een dergelijk, zo men wil enigszins terloops, beroep op art. 10 lid 2 Aw Pro wel in mijn ogen.
eigen werk van dezelfde maker(dat nog auteursrechtelijk kan worden ingeroepen) onjuist is, omdat dat een modelrechtelijke nieuwheidsbenadering oplevert die in het auteursrecht niet thuis hoort. Het auteursrecht kent geen objectief nieuwheidsvereiste als beschermingsdrempel volgens Philips. Daar komt bij dat Philips op tal van plaatsen in de gedingstukken aangeeft dat en waarom zij auteursrechthebbende is op
zowelde ST3D
alsde ontwerpen voor eerdere werken in de betreffende productontwikkelingslijn, met name de Arcitec en de ST2D, er bij de betreffende latere werken niet is ontleend
aan het werk van een ander, maar is voortgeborduurd
op eigen eerdere werken, dus eigen intellectuele scheppingen en zij zich ook op het ‘geheel van auteursrechten met betrekking tot deze shavers’ kan beroepen o.m. onder verwijzing naar rov. 4.12 van het vonnis van de Haagse voorzieningenrechter dat hierover gaat [23] . Dat is óók op te vatten als: het gaat bij de Philips shavers om verschillende manifestatievormen van hetzelfde
corpus mysticum, oftewel verschillende uitvoeringsvormen van hetzelfde werk en met betrekking tot al deze manifestatievormen is Philips auteursrechthebbende. In onderdeel III.16, laatste alinea van de procesinleiding in cassatie wordt dat zo geformuleerd door Philips:
(“…onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk…”) blijkt hieruit dat Philips met “het geheel van auteursrechten” heeft gedoeld op “het geheel van auteursrechten met betrekking tot de ST3D”, die bestaan uit de auteursrechten op het oorspronkelijke werk (de Arcitec) én op de ST3D (indien de ST3D zowel een zelfstandig beschermd werk is als een verveelvoudiging in gewijzigde vorm van de Arcitec) dan wel de auteursrechten op de Arcitec (indien de ST3D enkel een verveelvoudiging in gewijzigde vorm van de Arcitec is en geen zelfstandig werk).”
cvr 8:primair beroep op auteursrecht op de ST3D, subsidiair, voor zover vereist, een beroep op haar auteursrechten op de Arcitec en op het geheel van haar auteursrechten op de ST3D en de Arcitec. C
vr 61-62: ST3D is ook t.o.v. de Arcitec een oorspronkelijk ontwerp dat zelfstandig auteursrechtelijke bescherming toekomt, met subsidiair een beroep op de Arcitec, althans, onder verwijzing naar de net weergegeven rov. 4.12 van het KG-vonnis, een beroep op het geheel van auteursrechten. Zie ook
plta EA Philips onder 14: het is voor een maker uiteraard mogelijk om voort te bouwen op eerder werk en deze wordt daar niet voor gestraft omdat dezelfde creativiteit deels al in eerder werk is geuit – een (oefen)schets van een eerder werk staat niet in de weg aan een EIS in/van het uiteindelijke werk.
De plta EAvervolgt
onder 15inderdaad dat dit juridisch vertaald moet worden als een beroep op art. 10 lid 2 Aw Pro, waar het hof in rov. 4.10 naar verwijst, maar daar volgt wel direct de door het hof
nietvermelde kanttekening bij dat Philips in deze zowel de auteursrechten op het ontwerp voor het eerdere werk (de Arcitec) heeft, als op dat van de latere ‘bewerking’ (onder verwijzing naar de plta KG Philips 35). Dit is moeilijk anders te duiden dan als een beroep op normaaltype geval 1 uit het Handboek, dus zowel verveelvoudiging ex art. 13 als Pro ‘bewerking’ ex art. 10 lid 2 Aw Pro. Datzelfde beroep op normaaltype 1 lees ik in
plta EA Philips 20: dat sprake is van een verveelvoudiging (art. 13 Aw Pro) en een bewerking (art 10 lid 2 Aw Pro) is uitputtend onderbouwd in eerdere stukken, aldus Philips daar. Bij de uitwerking van de
centrale grief 6stelt Philips bij
mvg 55 en 57dat afbakening ten opzichte van het ‘vormgevingserfgoed’ (een term uit het modellenrecht) in de vorm van eerdere werken van dezelfde maker, onjuist is. De
mvg vervolgt onder 58-62dat voor de beschermingsomvang van een werk niet relevant is of dezelfde maker eerdere werken heeft gemaakt die overeenstemmen met dat eigen werk, nu die eerdere EIS ook in latere ontwerpen mogen worden toegepast, zonder die op het latere werk in mindering te brengen, andermaal onder verwijzing naar meergenoemde rov. 4.12 van het kortgedingvonnis. Auteursrecht beschermt immers geestelijke arbeid van de maker en straft deze niet als de maker vergelijkbare eerdere werken, schetsen of ontwerpen heeft gemaakt. Dat zou een onredelijke beperking van het auteursrecht zijn, tot onaanvaardbare uitkomsten leiden en is daarmee een rem op creatieve ontwikkeling, met name bij product- en designontwikkeling. Er geldt geen zwaardere werktoets bij toegepaste kunst en het is onjuist om als het ware een modelrechtelijke objectieve nieuwheidstoets in het auteursrecht te introduceren op deze manier; het modelrechtelijke vormgevingserfgoed speelt in het auteursrecht niet de rol die er nu aan wordt toegedicht. De
mvg vervolgt in 63dat dit anders is als
een andereen eerder gelijkend model heeft gemaakt: daaraan ontlenen kan geen auteursrecht opleveren, maar ‘aftrek’ van
eigenwerk is uit den boze. In de toelichting op de
grieven 7-9 bij mvg 65-68herhaalt Philips deze positie. Bij
mva vw inc HB herhaalt Philips onder 6dat de Arcitec, de ST2D en de ST3D eigen ontwerpen van Philips zijn en dat die eerdere eigen ontwerpen niet aan de beschermingsomvang van het latere werk in de weg staan.
Onder 7stelt Philips onder verwijzing naar haar principale grieven 6 en 10 dat ten onrechte ‘modelrechtelijke aftrek’ van de Arcitec op de ST3D heeft plaatsgevonden.
Onder 22-29stelt Philips in dit processtuk dat vormgevingselementen uit eerder eigen werk niet uitgesloten zijn van bescherming, verder verwijzend naar rechtspraak en haar plta EA 13-17. In haar
plta HB onder 64herhaalt Philips dat zowel de ST3D als de Arcitec auteursrechtelijke werken zijn. Dat dit in haar ogen verschillende uitvoeringsvormen van hetzelfde
corpus mysticumzijn, verwoordt zij in
die pleitnota onder 66door te verduidelijken dat ‘de eerste
uitvoeringsvorm’ van de slanke shaver de Arcitec was en dat ‘daarna’ de ST2D en de ST3D kwamen, die ‘ieder voor zich’ een EIS zijn om de in de procedure genoemde zeven redenen, onder verwijzing naar
cvr 24-28 en plta KG HB Philips 12.
Onder 69vervolgt Philips dat de Arcitec de ‘eerste uitvoeringsvorm’ was in 2006 en dat de ST2D uit 2009 en de ST3D uit 2010 ‘verdere bewerkingen’ van dit ontwerp zijn. Weliswaar stelt Philips vervolgens
onder 70van deze pleitnota dat de ST3D ‘formeel juridisch’ een bewerking of reproductie in gewijzigde vorm van de Arcitec is bedoeld in art. 10 lid 2 Aw Pro, maar wel, en dat vermeldt het hof
nietin rov. 4.10, onder verwijzing naar haar plta EA 15, hiervoor al geparafraseerd met de ook door het hof daar
nietvermelde nuancering van Philips, en naar de zo-even geciteerde rov. 4.12 van het kortgedingvonnis, terwijl er (evenmin vermeld door het hof) aan wordt toegevoegd door Philips dat deze
bewerking door Philipszelf is gedaan, zodat zij
alle rechten in handenheeft (die voor zover nodig zijn overgedragen). Daar voegt
plta HB Philips onder 71aan toe dat voor zover op de ST3D twee of drie sets auteursrechten berusten (op de trekken die al bekend zijn uit de Arcitec en ST2D en die welke aan de ST3D zijn toegevoegd), Philips over
alle rechtenbeschikt en
volledig auteursrechthebbendeis ten aanzien van de ST3D, ST2D en de Arcitec.
In 80voegt zij daar aan toe dat zij auteursrechthebbende is op de ontwerpen voor ST3D en Arcitec en
niet heeft ontleend aan werk van een ander. Dit lijkt mij ook op te vatten als het doen van een beroep op alle auteursrechten tegelijkertijd, waartoe de
plta Hb Philips 79nog verwijst naar recente hofrechtspraak in deze lijn, ook van het Haagse hof [24] . Ten slotte stelt Philips bij
plta HB onder 102dat zij zich ‘op haar (volledig, niet uitgekleed) auteursrecht op de ST3D (en de Arcitec)’ kan beroepen ‘dat een grote beschermingsomvang heeft. Niet alleen de “auteursrechtelijk beschermde trekken” zijn relevant, maar de gehele combinatie van beschermde en niet (op zich) beschermde elementen’, om daar
onder 103aan toe te voegen: ‘Partijen zijn het erover eens dat de Arcitec de ST2D en de ST3D
verschillende uitvoeringsvormen van hetzelfde werkzijn. De ST3D en de ST2D zijn verdere evoluties van de Arcitec. De Silvercrest past naadloos in dit rijtje. Qua vormgeving, contouren, en look is hij sterk overeenstemmend met
het werkvan Philips.’ (Cursiveringen A-G)
verschillende manifestatievormen van hetzelfde werk(zie tot twee keer toe het enkelvoud
werkin het citaat uit plta HB Philips 103 in het vorige randnummer), en met betrekking tot al die werken is zij auteursrechthebbende – en dus niet alleen op het art. 10 lid 2 Aw Pro ‘bewerkingswerk’
sec,zoals het hof de stellingname van Philips uitlegt. Ik constateer overigens dat de formulering van hoe Philips zich gedurende de procedure op de door haar gepretendeerde auteursrechten beroept, bepaald eenduidiger had gekund.
alleen) het juridische stempel van art. 10 lid 2 Aw Pro op zet. Toch doet de door het hof daaraan verbonden gevolgtrekking in rov. 4.10 e.v. denk ik niet voldoende recht aan de hiervoor weergegeven positie van Philips uit de feitelijke processtukken [25] . Het doet met name geen recht aan de kern van het Philipsbetoog dat de ‘aftrekleer’ niet deugt bij doorontwikkelde productvormgeving op
eigen eerder werk door dezelfde maker. Dat Philips zich met betrekking tot de ST3D alleen op art. 10 lid 2 Aw Pro ‘sec’ heeft beroepen, lijkt mij moeilijk vol te houden gelet op het consequente gehamer op het aambeeld van: ‘aftrek’ van eerder eigen werk is onjuist èn Philips beschikt over alle relevante auteursrechten op alle ontwerpen en heeft in de productlijn voortgebouwd op de Arcitec, haar eerdere eigen werk – dus: weliswaar mogelijk art. 10 lid 2 Aw Pro, maar wel met verdiscontering van ‘onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk’, dat bij Philips rust en dus evenzogoed in stelling wordt gebracht (zie eerder over deze lezing in 3.8 en het citaat uit middel III.16, laatste alinea in 3.13).
sec’ pleitnota-plaatsen (plta EA 15 en plta HB 70), waar het hof aan refereert in rov. 4.10 (in plta HB 69, waar het hof ook aan refereert komt art. 10 lid 2 Aw Pro niet voor, alleen het woord ‘bewerkingen’) ter onderbouwing van zijn lezing dat Philips zich ten aanzien van het ST3D werk
beperkttot het art. 10 lid 2 Aw Pro ‘bewerkingswerk’ (maar zonder de besproken op die plaatsen in de pleitnota’s gemaakte nuancerende aanvullingen van Philips te verdisconteren) tegenover ten minste drie vindplaatsen in de appelpleitnota (plta HB 66, 70 en 103) waaruit volgt dat Philips zich niet in enge zin
alleenop het ‘bewerkingswerk’ in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro heeft willen beroepen. Het één is mogelijk ook niet strijdig met het ander (maar ik geef toe dat dat voor discussie vatbaar is), als bedacht wordt dat Philips stelt maker te zijn van zowel het origineel, als de bewerking, omdat in art. 10 lid 2 Aw Pro staat: ‘onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk’, dat in dit geval bij Philips zelf rust, zo staat in cassatie vast. Dat laatste doet veel meer recht aan de consequente stellingname van Philips dat de ‘aftrekmethode’ van eigen eerder werk onjuist is, met als Leitmotiv principale grief 6 met uitwerking en toelichting [26] . Volgens
Brompton Bicycle(al aangehaald) punt 38 moet de nationale rechter de werktoets uitvoeren door daarbij rekening te houden ‘met alle pertinente gegevens van het hoofdgeding’. Te betogen valt dat dat hier mogelijk niet in voldoende mate is gedaan door het hof (in gelijke zin plta cass Philips 33), maar daar kan best anders over worden gedacht.
sec.Voor zover dat breder zou zijn bedoeld, past een
caveat.Ontlening aan eigen werk is immers inherent aan elk creatief proces [28] en daar komen in beginsel ook geen rechten van derden in de knel, omdat niet wordt ontleend aan het werk van een ander. Bij auteursrechtelijke bewerking gaat het om maker A en bewerker B, niet om ‘bewerker’ A die voortborduurt op zijn eigen eerder gemaakte werk. Het is het meest zuiver om auteursrechtelijke bewerking te reserveren voor die situaties waarin maker en bewerker verschillen. ‘Aftrek’ van eigen vormgeving ontworpen door dezelfde (fictieve) maker is niet hoe het recht zich moet ontwikkelen en past niet bij de ratio van bescherming van het auteursrecht, die intellectuele creaties (EIS) beschermt tegen ontlening door
anderen; als de maker aan zichzelf ‘ontleent’, doet dat niet af aan zijn EIS en verdient dat evengoed bescherming (zolang het auteursrecht op het eerste werk nog kan worden ingeroepen, vanzelfsprekend, vgl. ook gevalstype 2 uit het Handboek). Aftrek van eigen voorontwerpen, schetsen, studies, etc. is een heilloze weg die we niet op moeten willen. Het past niet in het auteursrecht dat, anders dan het modellenrecht, geen absolute nieuwheidseis kent. Volgens Visser [29] kan ‘(e)en bewerking van eigen eerder werk (…) heel wel een (‘nieuw’) zelfstandig beschermd werk zijn.’ Philips betoogt (plta cass 34) dat een eerdere EIS ook onderdeel kan uitmaken van opvolgende werken van dezelfde maker, omdat een EIS niet ophoudt een eigen creatieve keuze te zijn als de maker die in een nieuw werk weer verwerkt. Dat onderschrijf ik graag. In dezelfde lijn recent ook hoven Den Haag en Arnhem-Leeuwarden in de al aangehaalde zaken
Tribu/Boreken
The Sting/Krakatau. Een maker snijdt zich auteursrechtelijk niet in de vingers door aan eigen werk te ontlenen, omdat dat zijn eigen creativiteit is (plta cass Philips 44). Stel dat de ST3D meteen zou zijn uitgebracht, zonder eerdere Arcitec en ST2D. Dat zou zonder aarzeling een EIS op hebben geleverd. Ik zie geen aansprekende reden waarom dat anders zou worden bij een getrapte EIS [30] , een overtuigende reden om deze weg niet op te moeten gaan. Men vermijdt denk ik dergelijke ongewenste complicaties door ondubbelzinnig
tegelijkertijdeen beroep te doen op alle werken waarover men denkt te beschikken [31] . Het is ook beter om zulke gevallen niet over ‘bewerking’ te spreken, dat voorkomt misverstanden.
obiter dictumvoorstelbaar om de hier gewenste duidelijkheid te verschaffen. Mij hebben verschillende signalen bereikt dat er in de praktijk en wetenschap (al dan niet terecht) reikhalzend naar de uitkomst van deze zaak in cassatie wordt uitgekeken [32] . Een denkbaar gezichtspunt zou in dat verband kunnen zijn dat toepassing van auteursrechtelijke bewerking in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro gereserveerd is voor gevallen dat maker en bewerker verschillende personen of instanties zijn en dat vormen van ‘eigenbewerking’ waarbij dezelfde maker op zijn eigen eerdere EIS voortborduurt hooguit een nieuw werk in de zin van art. 10 lid 1 Aw Pro kunnen opleveren als aan de werktoets wordt voldaan.
loutereart. 10 lid 2 Aw Pro-bewerking in enge zin tot het oordeel dat de ST3D ten opzichte van de Arcitec te weinig toevoegt om de kunnen spreken van een beschermwaardig ‘bewerkingswerk’ (rov. 4.15), zodat het hof in wezen uitkomt op gevalstype 4 uit het Handboek. Ook als veronderstellenderwijs en ten overvloede door het hof wordt aangenomen dat de ST3D wel een werk is, vangt Philips bot in rov. 4.17-4.22. De
subsidiaireauteursrechtelijke grondslag van Philips met de Arcitec als werk of het geheel van auteursrechten op de Arcitec en ST3D wordt onvoldoende geoordeeld in rov. 4.23-4.25. Cassatie-technisch is het auteursrechtelijke deel van de zaak (niettegenstaande de commotie over de hofuitspraak in de literatuur) mogelijk nogal kort af te doen. Onderdeel I richt zich tegen de verwerping van de ST3D als werk, onderdeel II tegen het inbreukoordeel veronderstellenderwijs aangenomen dat de ST3D wel een werk is. Oppervlakkig beschouwd lijkt bij het niet slagen van onderdeel II belang in cassatie bij de klachten uit onderdeel I te ontbreken, maar dat lijkt mij hier niet automatisch op te gaan, omdat het hof de ST3D in de in onderdeel I aangevallen overwegingen alleen in de sleutel van ‘bewerkerswerk’ in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro heeft beoordeeld. Onderdeel III klaagt over het oordeel over het subsidiaire beroep op de Arcitec en het geheel van auteursrechten op de shavers in rov. 4.23-4.25. Als het zelfstandig dragende oordeel in rov. 4.25 (‘Daarnaast’) tevergeefs wordt aangevallen in subonderdeel III.18, bestaat geen belang meer bij de klachten tegen rov. 4.23-4.24 in subonderdelen III.15 (alhoewel daarover aarzeling mogelijk is, zoals ik bij de bespreking van die klacht zal aangeven) en III.16, tenzij het op onjuiste gronden geheel niet onderzoeken van de subsidiaire grondslag ‘geheel van auteursrechten op de Arcitec en ST3D’ door het hof als zodanig dodelijk moet worden gezien, dat althans dat aspect na cassatie een nieuwe feitelijke beoordeling verdient. Dat wordt hierna besproken bij subonderdeel III.16 en III.18.
alleenals ‘bewerkerswerk’ in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro. Ondanks de door Philips zelf bij de pleidooien tot twee keer daartoe ook gewekte schijn, is daar gelet op de hiervoor uitgevoerde analyse van hetgeen zij over haar auteursrechtenpositie naar voren heeft gebracht (zie hiervoor in 3.14) materieel geen sprake van in mijn ogen en het ligt bovendien ook helemaal niet voor de hand dat zij zich zo zou hebben willen beperken. Veeleer heeft zij zich beroepen op het normaaltype dat men tegenkomt bij het inroepen van auteursrechtelijke bescherming voor eigen doorontwikkelde productvormgeving, te weten dat het bij de Arcitec, ST2D en ST3D om verschillende verschijningsvormen van hetzelfde werk gaat (vgl. het meest uitgesproken plta HB Philips onder 103), waarbij zij ook telkens heeft aangegeven auteursrecht te kunnen claimen op zowel de Arcitec, als de ST2D, als de ST3D. De nu besproken motiveringsklacht, zo is in mijn ogen verdedigbaar, legt daar de vinger op met de stelling dat de ‘crux’ van Philips’ betoog is dat voor haar door de hofredenering een ten onrechte gemankeerd auteursrecht op de ST3D resteert, terwijl zij alle creatieve inspanningen heeft verricht en daarvoor bescherming moet kunnen inroepen tegen ontlening. Ik geef toe dat men hier best anders tegen aan kan kijken in cassatie; het hof gaat als feitenrechter nu eenmaal over de uitleg van grieven en Philips lijkt dit deels over zichzelf te hebben afgeroepen met haar ‘juridische vertaling’ naar art. 10 lid 2 Aw Pro toe. Maar een dergelijke uitleg van het hof moet wel begrijpelijk zijn in het licht van hetgeen door Philips is aangevoerd en ik meen dat die uitleg dan eigenlijk niet goed te volgen is, gelet op de analyse van de hele stellingname van Philips, zoals weergegeven in 3.14-3.17. Nu de uitleg van waar het hof toe komt ook bepaald niet voor de hand ligt bij een partij die zich op bescherming van doorontwikkelde producten beroept en auteursrecht claimt op verschillende in die lijn passende werken, had in mijn ogen een overtuigende(r) motivering van de rechter mogen worden verwacht waarom het hof deze voor Philips nadelige beperking zo inleest en volstaat in dit geval niet de enkele verwijzing naar twee stellingen bij pleidooi, als de kern van Philips’ betoog bij nadere beschouwing duidelijk anders is. Dat kan mijns inziens (net) genoeg zijn om op dit punt te kunnen casseren en in die zin heeft Philips ook belang bij deze klacht.
subonderdeel I.1richt Philips een rechtsklacht tegen rov. 4.10. Het hof heeft daar volgens Philips geoordeeld dat voor de vraag of en in hoeverre de ST3D een werk is in auteursrechtelijke zin, het eerdere ontwerp van Philips (de Arcitec) een doorslaggevende rol speelt. Dat een later werk voortborduurt op een eerder werk
van dezelfde maker, doet volgens de klacht niet af aan de beschermingsomvang van dat latere werk. Ik lees de klacht zo, dat met ‘doorslaggevende rol’ wordt bedoeld: de ST3D is volgens Philips een verdere evolutie van de Arcitec en Philips stelt volgens het hof dat dat een bewerking (verveelvoudiging in gewijzigde vorm) ex art. 10 lid 2 Aw Pro is van de Arcitec. In zoverre speelt de Arcitec in die beoordeling een doorslaggevende rol. De klacht mist volgens mij feitelijke grondslag, omdat de gekozen insteek van het hof uit het oog wordt verloren, te weten dat volgens het hof de ST3D alleen als ‘bewerkerswerk’ in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro wordt aangevoerd door Philips. Ik lees in rov. 4.10 geen oordeel dat het feit dat een later werk een verdere evolutie of bewerking is van een eerder werk van dezelfde maker afbreuk doet aan de beschermingsomvang van dat latere werk, zodat de klacht geen doel treft.
subonderdeel I.2dat het hof in rov. 4.10 e.v. ten onrechte heeft geoordeeld dat het moet beoordelen ‘of de ST3D ten opzichte van de Arcitec een oorspronkelijk ontwerp is dat zelfstandig auteursrechtelijke bescherming toekomt’, omdat bewerkingen van eerdere werken ex art. 10 lid 2 Aw Pro bij wet als ‘zelfstandig werk’ zijn beschermd, wanneer zij aan de werktoets voldoen. Of een bewerking aan de werktoets voldoet, behelst volgens de klacht niet de vraag of de bewerking ten opzichte van het eerdere werk een zelfstandig werk is. Deze klacht lijkt mij van een verkeerde lezing uit te gaan. Zoals in de inleiding geanalyseerd, heeft het hof uit Philips’ opstelling afgeleid dat zij zich met betrekking tot de ST3D alleen op haar ‘bewerkingsauteursrecht’ ex art. 10 lid 2 Aw Pro zou beroepen. Dat is uitleg van gedingstukken, maar in mijn ogen gelet op de slagende motiveringsklacht uit onderdeel I.8 onbegrijpelijk, zo is hiervoor besproken. Daar zit het probleem, niet in wat het hof hier lijkt te bedoelen, namelijk of er genoeg EIS in het bewerkingsgedeelte zit om van een art. 10 lid 2 Aw Pro-bewerking te kunnen spreken, dus of de bewerking de werkdrempel haalt; de bewerkings-EIS in de ST3D ten opzichte van de eerdere werk-EIS van de Arcitec, lijkt mij hier te zijn bedoeld. Daar ketst deze klacht volgens mij op af.
subonderdeel I.3zijn in de kern [36] gericht tegen rov. 4.11 en 4.12 (eerste zin). Daarin oordeelt het hof (puntsgewijs weergegeven) het volgende:
onstoffelijke werk [37] . De onlichamelijke schepping, het
corpus mysticum, is immers wat het auteursrecht beschermt [38] . Art. 10 lid 2 Aw Pro ziet op het creatieve element in de bewerking en verleent de bewerker een eigen auteursrecht op diens scheppende arbeid.
zonderdat voor die bewerking toestemming is gegeven door de oorspronkelijke maker [39] . In de aantekeningen bij de totstandkoming van de Berlijnse revisie van art. 2 van Pro de Berner Conventie (in 1908), de geboorte van deze bewerkingsbepaling, is dat terug te vinden [40] :
als bewerkingonbeperkt door zou werken; evenmin als Huydecoper zie ik dat opgaan; het kan wel een nieuw eigen werk worden, dus onder art. 10 lid 1 Aw Pro vallend). Dat doet ook niet tekort aan de bescherming van het bewerkte werk (waarin het eerdere werk tot op zekere hoogte geïncorporeerd is), omdat de(zelfde) maker van origineel en bewerkt werk natuurlijk beide rechten tegelijkertijd, cumulerend, in stelling kan brengen tegen ongeautoriseerde navolging [42] .
niet in de sleutel van art. 10 lid 2 Aw Pro, want dan past het niet. Wel dus in een situatie dat er nieuwe creatieve keuzes door de maker zelf aan zijn oorspronkelijke EIS zijn toegevoegd in het nieuwe werk – niet zijnde een bewerking in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro. Een voortbouwend werk met daarin geïncorporeerd de oorspronkelijke EIS kan heel goed een nieuw werk, een nieuwe EIS opleveren. Daar is niets tegen, zo is uiteengezet in de inleidende beschouwingen in 3.18-3.19, integendeel, dat lijkt mij inherent aan ontwerpen. Het is geen gelukkige route om hier met art. 10 lid 2 Aw Pro op de proppen te komen en zo te zien heeft het hof strikt in het vizier gehouden dat Philips hier in ’s hofs ogen
uitsluitendeen bewerkingsauteursrecht in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro claimt (dat dat geen recht doet aan hetgeen Philips naar voren heeft gebracht, is iets anders en al besproken bij subonderdeel I.8). Als je dat moet aannemen, zoals het hof in rov. 4.10 overweegt te moeten doen, dan mag het er bij de beoordeling van het werkgehalte van de bewerking, om het systeem zuiver te houden, niet toe doen of er een speciale relatie is tussen maker en bewerker. Ik kom dan ook tot een afwijzing hier.
subonderdeel I.4klaagt Philips dat het hof ten onrechte,
als gevolg van een en ander, de elementen van het eerdere werk op het latere werk in mindering heeft gebracht. Daarmee zou een (modelrechtelijke) nieuwheidstoets in het auteursrecht zijn geïntroduceerd, die daar niet thuishoort. Deze klacht faalt in het kielzog van het vorige onderdeel, nu dit blijkens de hiervoor cursief weergegeven bewoordingen geheel op subonderdeel I.3 voortbouwt.
subonderdeel I.5klaagt Philips dat in rov. 4.12 ten onrechte is overwogen dat de veronderstelling van Philips dat wegens de identiteit van de auteursrechthebbende het oorspronkelijk karakter van de Arcitec doorwerkt in de oorspronkelijkheid van de ST3D haaks staat op de regel dat het auteursrecht op een werk ontstaat door het scheppen daarvan. Philips heeft hier immers niet ontleend aan een derde, maar aan eigen eerder werk en daarom moeten bij de werkbeoordeling van de ST3D de creatieve keuzes die waren gemaakt bij de Arcitec voor zover overgenomen in de ST3D meewegen. Dit is een herhaling van zetten uit subonderdeel I.3 en verliest andermaal uit het oog dat het hof alleen beziet of aan de ST3D bewerkingsauteursrecht in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro toekomt en faalt om de redenen aangegeven bij de bespreking van subonderdeel I.3. Creatieve keuzes van de oorspronkelijke maker zijn –
voor de vraag of op de bewerking een tweede auteursrecht rust– niet de creatieve keuzes van de bewerker, zelfs als dit dezelfde persoon is.
subonderdeel I.6klaagt Philips over de laatste volzin van rov. 4.12:
in het kader van de beoordeling van art. 10 lid 2 Aw Progeen aanspraak toekomt op de creatieve keuzes van de oorspronkelijke maker (of deze nu wel of niet identiek is aan de bewerker). Dit geldt dan ook voor degene die het auteursrecht van de oorspronkelijke maker heeft verkregen, hoe de onderliggende afspraken met betrekking tot die overdracht ook luiden.
subonderdeel I.8tegen rov. 4.14 congrueert met de hiervoor besproken en (mogelijk net) slagende motiveringsklacht, maar kan geen doel treffen. Het bestreden oordeel behelst uitleg van gedingstukken (hoe heeft Philips zich op de ST3D beroepen) die is voorbehouden aan het hof als feitenrechter [43] en kan in cassatie niet met een rechtsklacht worden bestreden [44] .
eerste klachtover de beslissing in rov. 4.15, waarin is geoordeeld dat de vormgeving van de ST3D, mede beoordeeld in het licht van de Arcitec, onvoldoende oorspronkelijk is, dat de verschillen ten opzichte van de Arcitec afzonderlijk beschouwd niet auteursrechtelijk beschermd zijn omdat zij te zeer technisch bepaald of te triviaal zijn om de persoonlijkheid van de ontwerper te weerspiegelen en dat in combinatie de kenmerken van de ST3D niet tot een andere totaalindruk leiden dat de Arcitec, luidt dat dit in het licht van de voorafgaande subonderdelen I.1-I.8 ‘derhalve’ onjuist (want in strijd met art. 1 jo Pro. art. 10 leden Pro 1 en/of 2 Aw, art. 2 leden Pro 1 en/of 3 BC) of onbegrijpelijk is, omdat het hof ten onrechte de kenmerken van de ST3D die zijn ontleend aan de Arcitec (althans een combinatie van die kenmerken) niet samen met de in rov. 4.15 genoemde verschillen tussen de ST3D en de Arcitec in aanmerking heeft genomen bij de werkbeoordeling van het ontwerp voor de ST3D.
tweede klachtluidt dat het hof met zijn beslissing dat in combinatie de kenmerken van de ST3D niet tot een andere totaalindruk leiden dan de Arcitec (de slotzin van rov. 4.15) heeft miskend dat om als bewerking in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro bescherming te genieten uitsluitend is vereist dat de bewerking aan de werktoets voldoet en niet dat de totaalindruk van een bewerking verschilt ten opzichte van het oorspronkelijke werk.
voor de beantwoording van de inbreukvraagworden beoordeeld of het beweerdelijk inbreukmakende werk de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont, zodanig dat de totaalindrukken overeenkomen [45] . Het hof beantwoordt hier geen inbreukvraag (art. 13 Aw Pro), maar de vraag of de bewerker auteursrecht heeft op zijn bewerking (art. 10 lid 2 Aw Pro). In het Handboek wordt dat belangrijke verschil als volgt uiteen gezet [46] – ik wees daar al op in de inleiding, zie hiervoor in 3.8:
iederetransformatie van een werk, creatief of niet, die niet als een nieuw, oorspronkelijk werk kan worden beschouwd. Niet-creatieve transformaties zijn bijvoorbeeld: het transponeren van een muziekwerk in een andere toonsoort; een zwart-wit afbeelding van een schilderij in kleur; het weglaten van illustraties die moeilijk te reproduceren zijn; het omzetten van een tekst in braille of morse. Zie par. 3.45 sub 4
Modeltreinen), A-G]. Het woord ‘oorspronkelijkheid’ wordt immers ook vaak gebruikt als synoniem voor ‘eigen karakter’ of ‘persoonlijk stempel’; vgl. par. 3.9. In artikel 13 betekent Pro het, althans in de combinatie ‘nieuw, oorspronkelijk werk’, evenwel iets anders: daar geeft het aan dat dit werk zo weinig auteursrechtelijk beschermde trekken van een ander werk overneemt, dat het auteursrechtelijk daarvan onafhankelijk is.” [In vt. 26 wordt verwezen naar S. Gerbrandy, Kort commentaar op de Auteurswet 1912, 1988, p. 194 en Spoor, AMR 1985, p. 109, A-G].
afzonderlijkheeft beoordeeld op originaliteit [50] . Daarmee blijft het hof in mijn ogen weg van het onjuiste totaalindrukaspect, zodat dit als het ware is gerepareerd in het vervolg van rov. 4.15 door de juiste benadering te kiezen – annotator Huydecoper analyseert dat precies zo in zijn BIE-noot onder 4 [51] . Dit blijkt uit rov. 4.15 (zowel de alinea vóór 4.15.1 als de alinea ná 4.15.9) en 4.15.7 – 4.15.9:
subonderdeel II.11begint Philips met een zo te zien deels voortbouwende klacht tegen rov. 4.17 t/m 4.22 dat dit non-inbreukoordeel in strijd komt met art. 12 BC Pro en art. 13 Aw Pro en daarom onjuist is, mede gezien de klachten uit onderdeel I. Philips klaagt dat het hof immers aan de hand van de eerdergenoemde beperkte uitleg van het ontwerp voor de ST3D een onvolledige vergelijking heeft gemaakt met de Silvercrest. Hoewel bij oppervlakkige lezing de indruk kan bestaan dat het hof de volledige ST3D met de Silvercrest heeft vergeleken, blijkt volgens Philips dat bij de inbreukvraag in rov. 4.17.1-4.17.7 de ST3D is beschouwd met aftrek van de elementen die al uit de Arcitec kenbaar waren.
tweede klachtin dit subonderdeel is dat het hof in zijn beoordeling niet (kenbaar) heeft meegewogen de stelling van Philips dat de voorzijde van de ST3D met meerdere auteursrechtelijk beschermde trekken vrijwel volledig overeenstemt met de voorkant van de Silvercrest. Volgens de klacht zou dit element als hypothetisch feitelijke grondslag moeten gelden, maar dat lijkt mij niet. Het hof is bij een feitelijke vergelijking als deze niet gehouden op alle stellingen van een partij te responderen [56] . De klacht verliest hierbij uit het oog dat volgens vaste rechtspraak de beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van een bepaald werk en van de vraag of daarop door een ander werk inbreuk wordt gemaakt, in hoge mate feitelijk van aard is en derhalve slechts in (zeer) beperkte mate vatbaar voor toetsing in cassatie [57] . Een rechtsklacht tegen een feitelijk oordeel faalt reeds op die grond [58] .
derde klachtis dat het hof heeft miskend dat bij de inbreukbeoordeling vastgesteld moet worden wat de auteursrechtelijk beschermde trekken van de ST3D zijn en ook bij gedeeltelijke overname daarvan sprake kan zijn van een ongeoorloofde verveelvoudiging. Dat lijkt mij in de feitelijke inbreukbeoordeling van het hof niet miskend. Een feitelijke beoordeling van de totaalindrukken tussen de ST3D en de Silvercrest volstaat hier en die heeft het hof uitgevoerd in rov. 4.17-4.22. Voor zover de klacht hier zou zijn dat het hof de verschillen tussen art. 13 en Pro art. 10 lid 2 Aw Pro onvoldoende voor ogen heeft gehad bij de inbreukvraag (zie hiervoor in 3.43 met het citaat uit het Handboek, par. 4.11), omdat immers ook een verveelvoudiging in gewijzigde vorm valt onder het aan de oorspronkelijk auteursrechthebbende voorbehouden recht, lijkt mij te worden miskend dat het hof hier het art. 10 lid 2 Aw Pro pad al heeft verlaten, omdat dit de beoordeling ten overvloede betreft voor de situatie dat de ST3D wel als werk kan worden gezien. Het hof beoordeelt in die hypothetische sleutel (ten overvloede) of de Silvercrest dan onder de beschermingsomvang van de ST3D valt en komt tot een ontkennende beantwoording.
vierde klachtis voorwaardelijk geformuleerd, voor het geval het hof de elementen uit de Arcitec die in de ST3D zijn overgenomen als onbeschermbare elementen heeft aangemerkt. Dat mist feitelijke grondslag, omdat uit de eerder beschreven totaalindrukkenvergelijking tussen ST3D en Silvercrest blijkt dat het hof uitdrukkelijk elementen die ook in de Arcitec voorkomen in zijn beoordeling meeneemt. Aan de klacht die in dit veronderstelde spoor staat dat het hof alsdan heeft miskend bij de totaalindrukkenvergelijking ook onbeschermde elementen worden meegewogen, wordt dan niet toegekomen (en ook overigens is hier volgens mij geen sprake van in het bestreden arrest).
vijfde klachtis de motiveringklacht dat wanneer het hof de onder rov. 4.17 onder 1) genoemde elementen wel heeft meegewogen bij zijn oordeel dat de totaalindruk van Silvercrest verschilt van die van de ST3D (en/of heeft vastgesteld wat de beschermde trekken of elementen van de ST3D zijn), de beslissing ontoereikend is gemotiveerd. Dat lijkt mij niet. Het hof heeft geen uitputtende opsomming gegeven van de overeenstemmende kenmerken in rov 4.17 (waar het gebruik van het woord ‘zoals’ ook op wijst) – en was daartoe ook niet gehouden, maar een opsomming van ‘belangrijke’ kenmerken waarin volgens Philips met name de creatieve keuzes liggen en dat zijn bij de totaalindrukkenmaatstaf doorslaggevende trekken of elementen [59] . De in rov. 4.18 bedoelde ‘overige overeenkomsten’ tussen de ST3D en de Silvercrest zijn wat het hof betreft van onvoldoende gewicht. Daar staan de in rov. 4.17 gememoreerde (ook niet uitputtend opgesomde) verschillen tegenover. Dat is allemaal goed te volgen. Overigens moet bij een motiveringsklacht worden uitgelegd waarom een motivering niet toereikend zou zijn [60] , en dat lijkt mij hier niet voldoende concreet gedaan. De klacht faalt.
subonderdeel II.12valt Philips de eerder kort besproken uitwerking van het hof in rov. 4.17.1 t/m 4.17.6 aan. Daaruit blijkt volgens Philips dat het hof in strijd met art. 12 BC Pro en art. 13 Aw Pro heeft miskend dat de vraag of de ST3D en de Silvercrest overeenstemmen naar totaalindrukken los staat van de kwestie of de ST3D en de Arcitec naar totaalindrukken overeenstemmen en dat de beschermingsomvang van de ST3D niet afhangt van de afstand die de maker daarvan heeft genomen ten opzichte van het vormgevingserfgoed.
subonderdeel III-15heeft het hof miskend dat de inhoud van een vordering niet alleen op een uitleg van de
bewoordingenvan het petitum kan worden gebaseerd, maar een redelijke uitleg moet zijn in het licht van de inhoud van het gehele gedingstuk waarin de eis is vervat en/of van het hele processuele partijdebat, althans dat hier sprake is van ontoereikende motivering door het hof.
ook het auteursrecht op de Arciteceen grondslag vormt voor toewijzing van Philips’ op auteursrecht gebaseerde vorderingen, welke grondslag het hof ten onrechte niet heeft onderzocht.
Potpourri-arrest [70] van ruim een eeuw geleden is deze kwestie al eens aan de orde geweest. De auteursrechthebbende op een operette vorderde in die zaak schadevergoeding, omdat zonder zijn toestemming een muziekschikking met enkele delen van die operette (een potpourri) in het openbaar was uitgevoerd. De rechtbank (in hoger beroep) wees de vordering af, omdat door eiser niet was aangevoerd dat hij
ook het auteursrecht op de potpourrihad. De Hoge Raad vernietigde, omdat
het auteursrecht op de operettede vordering al kon dragen, vanwege het ‘onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk’ uit art. 10 lid 2 Aw Pro en het voor de auteursrechthebbende op de operette voorbehouden recht ex art. 13 Aw Pro op dat oorspronkelijke werk. Het hof lijkt in onze zaak wat dat betreft onvoldoende het verschil tussen art. 13 en Pro art. 10 lid 2 Aw Pro (vgl. hiervoor in 3.43) voor ogen te hebben gehad bij de inbreukvraag. Immers ook een
verveelvoudiging in gewijzigde vormvalt onder het voorbehouden recht van Philips
op de Arcitec. Dus ook een verveelvoudiging in de vorm van de Lidl shaver begrepen als: een ten opzichte van de Arcitec gewijzigde vorm (ook al zit die naar het feitelijk oordeel van het hof dichter tegen de ST3D aan dan tegen de Arcitec), kan nog steeds een op grond van Philips’ auteursrecht op de Arcitec te verbieden verveelvoudiging in gewijzigde vorm zijn. Dat staat los van de vraag of Philips ook als bewerker ex art. 10 lid 2 Aw Pro een
bewerkersauteursrechtheeft
op de ST3Dals dat als bewerking zou moeten worden gezien van de Arcitec. Het hof kon zo bezien deze kwestie niet in het midden laten, zoals het heeft gedaan.
daarnaastde subsidiair gestelde auteursrechtinbreuk (dus op de Arcitec of het geheel van auteursrechten op de Arcitec en de ST3D) in het licht van de uitvoerige en gedetailleerde betwisting van die inbreuk door Lidl onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Philips is daar volgens het hof tekortgeschoten in haar stelplicht. We zullen bij de bespreking van subonderdeel III.18 zien hoe de bestrijding door Philips van het hofoordeel over deze stelplichtkwestie afloopt. Als dat oordeel in rov. 4.25 tevergeefs wordt bestreden, bestaat geen belang bij de hier besproken in beginsel doel treffende klachten uit subonderdeel III.15, zodat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Daar is mogelijk wel die aarzeling bij mogelijk, dat vanwege het geheel niet bewandelen van de route uit het
Potpourri-arrest net als in die zaak van ruim een eeuw geleden zou moeten worden gecasseerd, omdat die toets mogelijk iets anders behelst dan een enkele rechtstreekse subsidiaire grondslag auteursrecht op de Arcitec, maar ik zie daar eigenlijk geen licht tussen; een rechtstreekse toets aan de hand van een geclaimd auteursrecht op de Arcitec houdt lijkt mij niets meer, minder of anders in dan eenzelfde toets in de sleutel van ‘onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk’ in de zin van art. 10 lid 2 Aw Pro.
eerste rechtsklachtis dat dit onjuist is, omdat het uitdrukkingsvereiste niet de strekking heeft eisen te stellen aan de elementenaanduiding of omschrijving van een werk, maar de identificeerbaarheid van het object waarin een werk is belichaamd en de ST3D voldoet aan die eis. Philips’ beroep op ‘het geheel van rechten’ is volgens de klacht ‘evident’ te begrijpen als het verzet van Philips tegen ontlening door Lidl aan de vormgeving van de ST3D op basis van alle rechten die zij met betrekking tot (delen van) die vormgeving bezit.
corpus mysticum, dus verschillende uitvoeringsvormen van hetzelfde werk en dat zij ten aanzien van al deze uitingen auteursrechten kan claimen. Maar als het hof hier wel zou hebben bedoeld aan te geven dat Philips met haar ‘geheel van auteursrechten’ de uitdrukkingsvereiste-drempel uit
Levolaniet zou hebben gehaald, zoals de rechtsklacht ingang wil doen vinden, dan lijkt mij dat doel te treffen, omdat van onidentificeerbaarheid van de door Philips ingeroepen werken in de vorm van ontwerpen voor shavers in de zin van het
Heksenkaas-arrest natuurlijk geen sprake is. Ik houd het erop dat dit niet is bedoeld door het hof in rov. 4.24, zodat de rechtsklacht geen doel treft.
tweede klachtin subonderdeel III.16 is de motiveringsklacht dat rov. 4.24 berust op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. Philips wijst op hetgeen zij bij cvr 62 heeft gesteld, te weten dat zij zich, zoals de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis heeft overwogen, op het geheel van haar auteursrechten op de Philips shavers kan beroepen. Overigens heeft zij dat ook al gesteld bij cvr 8, zoals we hiervoor hebben gezien in 3.14 en voetnoot 26. Voor de overzichtelijkheid citeer ik hier nogmaals rov. 4.12 uit dit kortgedingvonnis:
voor zoverhet hof in rov. 4.24 heeft overwogen dat Philips niet zou hebben aangevoerd welke elementen de Arcitec en de ST3D gemeenschappelijk hebben, dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Deze kennelijk zekerheidshalve voorgedragen klacht lijkt mij uit te gaan van een onjuiste lezing van het arrest, zodat deze niet opgaat. Rov. 4.24 ziet op identificatie van het voorwerp van auteursrechtelijke bescherming, zoals we bij de bespreking van het vorige subonderdeel hebben gezien en niet op elementen die de Arcitec en de ST3D gemeenschappelijk hebben. Uit het begin van rov. 4.15 en het einde van rov. 4.25 volgt bovendien dat het hof voor ogen heeft gehad wat de overeenkomstige vormgevingselementen in beide ontwerpen volgens Philips zijn.
subonderdeel III-18richt Philips zich tegen rov. 4.25, de zelfstandige (‘Daarnaast’) afwijzingsgrond van Philips’ subsidiaire auteursrechtgrondslag in de vorm van de Arcitec, althans het geheel van auteursrechten op de Arcitec en de ST3D wegens het niet voldoen aan haar stelplicht in het licht van het gemotiveerde verweer terzake van Lidl. Dat is volgens de
eerste (motiverings)klachtonbegrijpelijk in het licht van het gestelde bij pleidooi bij de rechtbank (plta EA Philips 24), die verwijst naar een passage uit de door Philips als productie in de onderhavige bodemzaak ingebrachte pleitnota voor het pleidooi van het (ingetrokken) appel in de kortgedingzaak, met name de punten 61 en 62 uit die kortgedingpleitnota, in de procesinleiding in cassatie in ander verband geciteerd in subonderdeel III.17 onder (i). In die kortgedingpleitnota wijst Philips erop dat voor inbreuk op de Arcitec
mutatis mutandisdezelfde argumenten gelden als die zijn opgevoerd met betrekking tot de ST3D en waarin wordt geconcretiseerd welke elementen uit haar partijdeskundigenrapport (ten aanzien van de ST3D)
ook gelden voor de Arcitec. De pleitnota EA Philips in deze bodemzaak bevat hierover het volgende:
II.Auteursrecht
productie 46is overgelegd de pleitnota van Philips bij het Haagse gerechtshof in de kort geding procedure (“
Pleitnota KG Appel”). Philips verzoekt pars 3 – 62 als hier ingelast te beschouwen. […].
productie 1overgelegde foto’s. Veel van de door [deskundige 1] genoemde argumenten gelden ook voor de ArciTec: nrs. 2, 4 – 8’. 9 – 12, 15 -20, 23, 25, 31, 33 – 36. (En dat doet als gezegd aan het eokps van de ST3D niet af). Een vergelijking van de Silvercrest met de ArciTec, levert een verveelvoudiging op. Ook daarvan zijn in de Silvercrest de(zelfde) kenmerkende trekken overgenomen.
alleengaat over de ST3D. Is daartoe de enkele verwijzing naar negen paragrafen uit een als productie overlegde pleitnota uit een andere procedure tussen partijen toereikend? Dat is een kwestie van waardering en het is goed denkbaar dat dat ontoereikend moet worden geacht ook in deze zaak, maar ik bepleit dat dat hier (net wel) kan volstaan, al verdient ook dit natuurlijk geen schoonheidsprijs; de specifieke passages waar nu in cassatie beroep op wordt gedaan (nrs. 61 en 62 uit die plta HB KG) hadden beter geciteerd kunnen worden in de pleitnota in deze bodemzaak, zeker als de wederpartij er zo’n punt van maakt dat het [deskundige 1] -rapport alleen op de ST3D ziet. Een andere uitkomst is zodoende ook denkbaar en dan slaagt deze motiveringsklacht niet. Dat ik hier toch cassatie bepleit, heeft mede de maken met mijn gevoeligheid voor de kritische verzuchting van Huydecoper in zijn annotatie onder het hofarrest [78] in onze zaak, waarin hij over deze wijze van afdoening van het hof (‘in de stelplicht persen’) het volgende opmerkt: ‘Rechters wordt wel eens verweten dat zij door het hanteren van een te hoge maatstaf voor de stelplicht, zich lastige beslissingen gemakkelijker maken. Zij slagen er niet altijd in, die gedachte overtuigend te ontkrachten.’
tweede en derde (rechts)klachtenin subonderdeel III.18 zijn in wezen vervolgklachten op wat het hof in de ogen van Philips met verdiscontering van haar stellingen over de inbreukargumentatie gebaseerd op de Arcitec had behoren te doen: ten onrechte zijn door het hof de punten van overeenstemming tussen de Arcitec en de Silvercrest niet in aanmerking genomen waar Philips blijkens de passages uit de appel kortgeding pleitnota op heeft gewezen bij de vraag of de totaalindrukken van de Arcitec en de Silvercrest met elkaar overeenstemmen en dat maakt ’s hofs beslissing onjuist, want in strijd met art. 9 en Pro/of 12 BC en art. 13 Aw Pro. Mocht het hof dit wel gedaan hebben, dan is volgens de
laatste klachtsprake van een motiveringsgebrek.
subonderdelen III.15, III.16 en III.18(deels) doel treffen en tot cassatie leiden. Mocht de klacht van subonderdeel III.18 niet opgaan, dan blijft rov. 4.25 zelfstandig dragend overeind voor wat betreft Philips’ subsidiaire auteursrechtelijke grondslag en ontbreekt belang bij de klachten uit de subonderdelen III.15 en III.16.
Hyster Karry Krane [80] vormgegeven. Naast de hierover verschenen literatuur [81] verwijs ik naar de relevante inleidende delen hierover in mijn conclusies in de zaken
My Little Pony [82] ,
Ajax/Lezer [83] ,
Mi Moneda [84] ,
Capri Sun [85] ,
Digital Revolution c.s./Samsung [86] en
Airwair/Van Haren [87] .
Lego/Mega Brands [88] uit 2009 en
Mi Moneda(ook wel aangeduid als:
Allround/Simstars) [89] uit 2017 blijkt de volgende uitkristallisatie tot nu toe. Nabootsing van een stoffelijk product staat in beginsel vrij als het niet (langer) wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom. Dit lijdt uitzondering wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te voorkomen dat door de gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. In dat geval is nabootsing een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden opgekomen. Van verwarring kan pas sprake zijn indien dat product een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt.
totaalindrukkenvan het nagebootste product en van de nabootsing moeten worden vergeleken. Het hof heeft niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken de in rov. 4.17 onder i) genoemde punten van overeenstemming tussen de ST3D en de Silvercrest en ook niet de door Philips aangevoerde overeenstemming van de contouren van de voorkant van de apparaten, maar alleen de volgens het hof betrekkelijk kleine verschillen in vormgeving bedoeld in rov. 4.17 ii) en 4.17.1-4.17.7.
Mi Moneda-arrest:
Rummikub)). De rechter die heeft te beoordelen of in een concreet geval, gelet op de totaalindrukken van vergelijkbare producten, sprake is van een (gevaar voor) nodeloze verwarring bij het desbetreffende publiek, dient daarbij alle relevante omstandigheden van dat geval te betrekken. Daarbij behoeft hij niet als regel ervan uit te gaan dat voor de verwarringsvraag aan punten van overeenstemming meer gewicht toekomt dan aan punten van verschil. […]”
subonderdeel IV.21dat het oordeel dan ontoereikend is gemotiveerd. Dan wordt immers onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof gegeven om de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken [92] . Dit gebrek in de motivering wordt niet geheeld door de totaalindrukkenbeoordeling die het hof in het kader van het auteursrecht maakt (rov. 4.17 t/m rov. 4.19). Als het hof zou hebben bedoeld daarop voort te bouwen, dan had dat – ten minste – moeten zijn aangegeven door het hof. Het hof verwijst wel in rov. 4.26, maar alleen en specifiek naar ‘de hiervoor in het kader van de auteursrechtinbreuk geconstateerde verschillen’. Dat is in de slaafse nabootsingsleer onvoldoende, zoals wij hiervoor al hebben geconstateerd.
subonderdeel IV.23richt Philips nog een (geïsoleerde) klacht tegen rov. 4.28.3 dat het enkele voorkomen van het Silvercrest-merk op de verpakking al aan verwarringsgevaar in de weg staat. Daarbij bestaat volgens mij geen belang, omdat dit al sneuvelt tengevolge de slagende klachten in subonderdelen IV.20 en IV.21. Het verwijzingshof zal de hele slaafse nabootsingsbeoordeling opnieuw moeten doen door alle relevante omstandigheden, waaronder de omstandigheden besproken in rov. 4.28.3, in de juiste sleutel van de totaalindruk te wegen.
IV.20 tot en met IV.22terecht voorgesteld.
subonderdeel V.24een louter voortbouwende klacht tegen rov. 4.32-4.34 en het dictum die zelfstandige betekenis ontbeert en onbesproken kan blijven.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
forum rei). Art. 7 biedt Pro ter aanvulling op de hoofdregel een alternatieve bevoegdheidsregel. Deze biedt de eiser de mogelijkheid zijn vordering bij een andere rechter aan te brengen dan die volgens de hoofdregel bevoegd is. In onze zaak staat het tweede lid van dit artikel centraal, waarin voor verbintenissen uit onrechtmatige daad de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen (het
forum delicti) wordt aangewezen:
Artikel 7
prima facie-onderzoek zonder het geding ten gronde te onderzoeken [99] . Dit volgt bijvoorbeeld uit het arrest
Universal Music/Schilling c.s. [100] waaruit ik citeer (verwijzingen weglatend):
maar moet hij ook acht slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde(zie HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449). Hieruit volgt dat die rechtsmacht niet mag worden bepaald op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van zijn vordering.”
onderdeel 1.1richt Lidl klachten tegen rov. 4.2 en rov. 4.6. Die oordelen zijn volgens Lidl onjuist en onbegrijpelijk. Ik citeer deze passages hier nog even voor het (lees)gemak:
Universal Music), rov. 44.] Die aanknopingspunten zijn er.
subonderdeel 1.1.3klaagt Lidl dat het onjuist is dat het hof in rov. 4.6. het daar weergegeven verweer van Lidl passeert. Om te komen tot bevoegdheid op grond van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis moet het hof volgens Lidl beoordelen of het feitelijk handelen van Lidl Stiftung en Kompernaß kwalificeert als een onrechtmatige daad.
prima faciebevoegd kan vinden, maar zich niet alsnog onbevoegd hoeft te verklaren indien het onderzoek ten gronde uitwijst dat de aangevoerde grondslag de ingestelde rechtsvordering niet kan dragen [107] .
op het eerste gezicht de grondslag zouden kunnen vormenvoor het oordeel dat Lidl Stiftung en Kompernaß aansprakelijk zijn jegens Philips, zonder dat sprake is van een overeenkomst in de zin van art. 7 lid 1 Brussel Pro I-bis. Het is díe aansprakelijkheid die Philips in het geding wil brengen bij de Nederlandse rechter (zie hiervoor in 4.3 voor de Unierechtelijke toets van het begrip ‘onrechtmatige daad’). Daarmee zijn voldoende aanknopingspunten aanwezig voor het aannemen van bevoegdheid op grond van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis. Uitgaande van deze gestelde handelingen als basis, lijkt het mij ook redelijkerwijs voorzienbaar geweest voor Lidl Stiftung en Kompernaß dat zij voor een Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedaagd [108] . De vraag of deze handelingen van Lidl Stiftung en Kompernaß onrechtmatig zijn jegens Philips op grond van auteursrechtinbreuk of anderszins behoeft in dit kader geen beantwoording. Het beantwoorden van deze inherent complexe juridische vraag zou indruisen tegen het uitgangspunt van het HvJ EU dat de rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn internationale bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken [109] . Het hof heeft in mijn ogen dan ook terecht in rov. 4.6. overwogen dat deze juridische kwalificatie van de handelingen niet in de bevoegdheidsbeoordeling thuishoort.
subonderdeel 1.1.4klaagt Lidl dat het hof het arrest
Universal Music/Schilling c.s.heeft miskend omdat:
Universal Music/Schilling c.s.van het HvJ EU en behalve tegen rov. 4.6 ook gericht tegen rov. 4.2 waar het hof een overweging uit dit Luxemburgse arrest aanhaalt. Uit de bespreking van subonderdeel 1.1.3 en het daaraan vooraf gaande juridisch kader blijkt al dat het hof dit arrest niet heeft miskend. In de kern lijkt Lidl er aan voorbij te zien dat een verplichting tot het steeds expliciet meewegen van álle inhoudelijke betwistingen en daarover een
in extensogemotiveerde beslissing te nemen, de beantwoording van de bevoegdheidsvraag
de factotot een onderzoek ten gronde zou maken, waartoe de rechter volgens het HvJ EU in dat kader juist niet is gehouden [110] .
Universal Music/Schilling c.s.Dit is een motiveringsklacht gericht tegen een rechtsoordeel (een impliciet oordeel over de inhoud van het geldende recht zoals geïnterpreteerd door het HvJ EU), zodat deze klacht bij gebrek aan belang faalt [111] . Bovendien onderbouwt het hof met deze verwijzing alleen een juridisch uitgangspunt voor de bevoegdheidsbeoordeling op grond van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis (in rov. 4.2 toegespitst op deze beoordeling in onze zaak), dat wel degelijk ter aangehaalde plaatse te vinden is.
subonderdeel 1.1.5nog dat rov. 4.6 ontoereikend gemotiveerd is, omdat deze overweging strijdig is met de nadrukkelijke juridische kwalificatie van het hof in rov. 4.3. Deze overweging luidt zo:
prima facietoetsing waarbij de betwistingen van Lidl worden meegenomen. Vooruitlopend op die toetsing oordeelt het hof in rov. 4.3 dat uitgaande van de stellingen van Philips deze handelingen schadebrengende feiten
in Nederlandzijn die de bevoegdheid van de Nederlandse rechter als
forum delictirechtvaardigen. Dat zegt niets over de vraag of die handelingen daadwerkelijk ook inbreukmakend of onrechtmatig zijn. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag.
onderdeel 1.2klaagt Lidl over rov. 4.2 (laatste zin) en rov. 4.3. Het hof oordeelt daar respectievelijk dat er aanknopingspunten zijn met Nederland die bevoegdheid op grond van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis rechtvaardigen en dat de door Philips gestelde handelingen in Nederland onmiskenbaar schadebrengende feiten zijn in de zin van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis die de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op die grond rechtvaardigen.
Universal Music/Schilling c.s.Deze lezing van het arrest is onjuist. Het hof vindt de aanknopingspunten met forumstaat Nederland in de gestelde handelingen (de feitelijke grondslag) en niet in het door Philips op de feiten geplakte juridische etiket (de rechtsgronden). Het hof oordeelt in het kader van de bevoegdheidsbeoordeling niet over de vraag of de gestelde handelingen daadwerkelijk onrechtmatig zijn, maar doet dat in zijn oordeel ten gronde (zie rov. 4.6). De klachten ketsen hierop af.
eerste klachtin
subonderdeel 1.2.2bestaat uit een betoog dat de gestelde handelingen (zoals beschreven in rov. 4.4 en rov. 4.5) geen handelingen zijn die auteursrechtinbreuk of anderszins onrechtmatig handelen opleveren. Zoals al is besproken (zie m.n. 4.8 aan het einde), hoefde het hof deze vraag naar (kort gezegd) inbreuk niet te beantwoorden in het kader van de bevoegdheidsbeoordeling. Daar strandt deze klacht op.
tweede klachtover strijdigheid tussen rov. 4.3 en rov. 4.6 is gebaseerd op dezelfde verkeerde lezing van rov. 4.3 als in subonderdeel 1.2.1 (zie hiervoor in 4.14), zodat ook voor deze klacht het doek valt.
derde klachtvoert Lidl aan dat indien en voor zover in rov. 4.3 (gelezen in samenhang met rov. 4.6) besloten zou liggen dat van een onmiskenbaar schadebrengend feit in de zin van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis sprake kan zijn indien het gestelde handelen niet inbreukmakend op auteursrechten of anderszins onrechtmatig is, dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is. Met deze klacht miskent Lidl het verschil tussen de bevoegdheidsbeoordeling en de beoordeling ten gronde. De rechter kan zich
prima faciebevoegd vinden, maar het (gedetailleerdere) onderzoek ten gronde kan uitwijzen dat de aangevoerde grondslag de ingestelde rechtsvordering niet kan dragen (zie hiervoor in 4.7). Dit zal dan leiden tot een afwijzing van de vordering en niet (alsnog) tot een onbevoegdheidsverklaring. De klacht slaagt dus niet.
vierde klachtbetoogt Lidl dat indien en voor zover de gestelde handelingen al schadebrengende feiten in de zin van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis zouden zijn, dat in ieder geval niet ‘onmiskenbaar’ is zoals het hof heeft geoordeeld in rov. 4.3. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Het belang bij deze klacht ontbreekt. Zelfs als ‘onmiskenbaar’ zou wegvallen, zou het oordeel van het hof dat sprake is van schadebrengende feiten in de zin van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis overeind blijven. De klacht kan dus niet tot cassatie leiden.
onderdeel 1.3valt Lidl het oordeel in rov. 4.4 aan, dat het door Philips gestelde handelen van Kompernaβ (het in Nederland leveren van Silvercrest scheerapparaten aan Lidl Nederland) als onvoldoende bestreden vaststaat. Dit oordeel is volgens de klacht ontoereikend gemotiveerd en onjuist [112] . Philips zou dit niet hebben gesteld, zodat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Bovendien volgt uit de door het hof aangehaalde verklaring van Lidl (dat Lidl Nederland de Silvercrest scheerapparaten afneemt van Kompernaβ) niet dat Kompernaβ deze apparaten levert aan Lidl Nederland. Deze klachten zijn geformuleerd in de
subonderdelen 1.3.1 en 1.3.10.
producties 6b en 44). Kompernass is ook houdster van een Gebrauchsmuster voor het al uitvoerig besproken Bandje voor de Silvercrest shavers (
productie 6c).”
Kompernaβverkoopt en levert de Inbreukmakende Shavers aan haar hoofdafnemer Lidl voor de verkoop aan consumenten in o.a. Nederland.” In diezelfde voetnoot wordt erop gewezen dat Lidl bij mva 3.11 erkent dat Lidl Nederland de Inbreukmakende Shavers van Kompernaβ afneemt. Ik citeer het relevante deel van die paragraaf uit de mva en de door het hof in rov. 4.4 ook vermelde mva 3.16.2 onder c en 3.18.1 onder b):
Kompernaβ als importeur[…] Bovendien miskent Philips dat het zijn van importeur niet resulteert in het verrichten van inbreukmakende handelingen. Daarvoor is – kort gezegd – “
distributie onder het publiek door verkoop” vereist en dat is niet wat Kompernaβ doet. Het distribueren onder het publiek in Nederland is datgene wat alleen Lidl Nederland als afnemer van Kompernaβ doet, zodat Kompernaβ geen mogelijk inbreukmakende of anderszins onrechtmatige handelingen in Nederland verricht. Dat Kompernaβ de scheerapparaten in Nederland onder het publiek zou distribueren wordt door Philips ook niet gesteld of onderbouwd.
Kompernaβ.Voor Kompernaβ geldt ook dat deze geen mogelijk inbreukmakende handelingen heeft verricht, aangezien het in de Europese Unie importeren en vervolgens leveren aan Lidl Nederland van Silvercrest scheerapparaten niet is aan te merken als verveelvoudigen of openbaar maken in de zin van de artikelen 1, 12 of 13 Aw en niet is aan te merken distributie onder het publiek in de zin van artikel 4 van Pro de Auteursrichtlijn. […]
in Nederlandlevert aan Lidl Nederland of dat dit uit de passages volgt, maar dat overweegt het hof ook niet. Het hof vindt deze passage een erkenning van het feit dat Lidl Nederland de Silvercrest scheerapparaten afneemt van Kompernaβ. Dat lijkt mij gelet op de citaten ook zonneklaar. Na de constatering van deze erkenning door Lidl overweegt het hof: “en niet, althans niet voldoende onderbouwd betwist dat de levering in Nederland plaatsvindt.” Het gestelde element ‘in Nederland’ is dus volgens het hof weliswaar niet erkend, maar wel onvoldoende betwist door Lidl.
subonderdeel 1.4zijn gericht tegen rov. 4.5 [113] . Het hof overweegt daar dat Lidl Stiftung in Nederland een non-food distributiecentrum in Venlo beheert van waaruit Silvercrest scheerapparaten zijn of dreigen te worden geleverd aan groepsvennootschappen. Philips heeft dit volgens Lidl niet gesteld, zodat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Als het oordeel gebaseerd zou zijn op wat Philips tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld, is dat in strijd met art. 347 Rv Pro en de daarin besloten liggende tweeconclusieregel. Verder miskent het hof dat er voor een dreiging van onrechtmatig handelen in de zin van art. 7 lid 2 Brussel Pro I-bis sprake moet zijn van een
serieuzedreiging van inbreuk, zoals aangevoerd bij mva 3.4.3. Ten slotte heeft het hof miskend wat Lidl bij mva 3.10 heeft gesteld over de rolverdeling binnen het Lidl concern, waaruit zou volgen dat Lidl Stiftung geen handelsactiviteiten verricht. Deze klachten zijn geformuleerd in de
subonderdelen 1.4.1 en 1.4.7.
Grief 1 – feitelijke overwegingen
rov. 2.8[van het rechtbankvonnis, A-G] staat dat Lidl Nederland de distributie voor de Lidl-winkels in Nederland verzorgd. Zoals hierna bij de bespreking van Philips’ grieven ten aanzien van de bevoegdheid en de inbreuk nader zal worden toegelicht, is die overweging onvolledig. Ten eerste verzorgt niet alleen Lidl Nederland, maar ook Lidl Stiftung de distributie van non-food artikelen zoals de inbreukmakende shavers, en ten tweede doen zij dat beidenniet alleen in, maar ook buiten Nederland vanuit hun in Nederland gevestigde Europese distributiecentra. Om dezelfde reden dient bij rov. 2.9 te worden aangevuld dat niet alleen Lidl Nederland, maar ook Lidl Stiftung de Silvercrest op de markt heeft gebracht.”
productie 5A). Dat heeft er mee te maken dat Lidl Stiftung de Europese distributie van Lidl via haar Nederlandse distributiecentra laat lopen (
producties 33 en 59), waaronder in Hazeldonk in Breda waar Lidl Stiftung volgens de Nederlandse KvK haar hoofdvestiging heeft. Lidl Stiftung zit blijkens recente mediaberichten ook achter het (nieuwe) non-food distributiecentrum in Venlo (
productie 59B).
producties 5B en 31) en op de websites van Lidl Stiftung (
productie 3 en 5C), via de distributiecentra van Lidl Stiftung (
producties 33 en 59B) en in vele Nederlandse winkels van haar dochter Lidl Nederland (
producties 3, 5D, p. 7 en 8, 4A en 30) zijn gepromoot en verhandeld in o.a. Nederland, totdat Philips tegen Lidl Nederland en Lidl Stiftung in eerste aanleg een verbod behaalde. Daaruit blijkt ook dat Lidl Stiftung in staat is de inbreukmakende handelingen tot een halt te roepen.
onderdeel 1.5(tegen rov. 4.7) en
onderdeel 1.6(tegen rov. 4.32 en het dictum onder 5.1) kunnen daarom ook niet slagen.