Conclusie
1.Feiten
overeenkomstig het gestelde in het besluit Sociaal Beleidskader-ABP 1994”.
2.Procesverloop
Hoofdzaak
dat [eiser] ingaande 1 juni 2000 recht heeft op een uitkering conform de Regeling Wachtgeld en Uitkering bij Privatisering (WUP) door Vesteda te betalen”. Voorts heeft het hof voor recht verklaard dat Vesteda aansprakelijk is voor de niet-betaling van de uitkering conform de WUP en bepaald dat Vesteda gehouden is aan [eiser] alle schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van de niet-betaling heeft geleden en/of lijdt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan.
met ingang van 1 januari 1996en een duur heeft van 9 jaar, 8 maanden en 27 dagen en dat Vesteda aan [eiser] wachtgeld dient te betalen over de periode 1 juni 2000 tot en met 27 september 2005 (rov. 3.6.10 en 3.5.3). Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat een deskundige benoemd zal moeten worden om te berekenen welk bedrag aan wachtgeld [eiser] op grond van art. 4 WUP Pro toekomt en hoeveel de wettelijke rente hierover tot 1 oktober 2011 bedraagt (rov. 3.19).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ingangsdatumvan het recht op wachtgeld van [eiser] . Deze ingangsdatum is van belang in verband met de afbouw van het wachtgeld. Kort gezegd heeft [eiser] betoogd dat hij
vanaf juni 2000recht had op wachtgeld, dat vanaf dat moment na anderhalf jaar zou afbouwen van 80%, met een tussenstap op 75%, naar 70%. [18] Vesteda heeft daarentegen betoogd, [19] en het verwijzingshof heeft dat betoog overgenomen, dat [eiser]
vanaf januari 1996aanspraak had op wachtgeld. Ook dan gold die afbouw in de eerste periode, maar omdat [eiser] vóór juni 2000 inkomsten had, werd het wachtgeld niet uitgekeerd. Langs deze lijnen geredeneerd zou [eiser] dan vanaf juni 2000 70% ontvangen en dus minder dan [eiser] meent.
dat [eiser] ingaande 1 juni 2000 recht heeft op een uitkering conform de Regeling Wachtgeld en Uitkering bij Privatisering (WUP) door Vesteda te betalen”.
een en ander tegen de achtergrond van de omstandigheid dat partijen in feite niet van standpunt verschillen over de kwestie dat de uitbetaling eerst per 1 juni 2000 aan de orde is gekomen” kan de beslissing van het verwijzingshof ook logischerwijs niet dragen; dat zegt immers niets omtrent de vraag of niet (ook) de aanspraak op de wachtgelduitkering per die datum is ontstaan. Onbegrijpelijk is dan ook (voorts) de overweging van het verwijzingshof dat het met Vesteda van oordeel is dat dit dictum in het licht van de overwegingen van het arrest bezwaarlijk anders kan worden gelezen dan dat de betalingsverplichting is ingegaan in 2000, maar niet (ook) dat de aanspraak op een uitkering is ingegaan per 1 juni 2000 en dat dat ook beter zou aansluiten bij artikel 4 WUP Pro, waarop de aanspraak van uitkering van [eiser] is gegrond en welke bepaling door het hof ’s-Hertogenbosch is geciteerd in de overwegingen die aan het voormelde dictum voorafgaan, aldus [eiser] . Wat [eiser] ter staving daarvan verder nog aanvoert, komt hierna voor zover nodig nog aan de orde.
[eiser]ingaande1 juni 2000recht heeft opeen uitkering conform de Regeling Wachtgeld en Uitkering bij Privatisering(…)”. “Ingaande” en “recht heeft op” wijzen op het eerste gezicht toch wel duidelijk op het moment vanaf wanneer er een recht bestond op wachtgeld, zoals ik ook in mijn conclusie uit 2017 constateerde. [21] Aangezien het gaat om een verklaring voor recht, waarvan de inhoud nauw luistert, mag behoudens aanwijzingen voor het tegendeel worden verondersteld dat over de redactie daarvan is nagedacht. Hierbij is nog aan te tekenen dat het hof op dit punt niet het petitum, dat het in rov. 2.1 van het bedoelde arrest heeft aangehaald, [22] heeft gecopy-pastet. De verklaring voor recht is dus door het hof destijds – naar men in beginsel mag veronderstellen: bewust – zo geformuleerd.
destijdskenbaar bedoelde. Voortschrijdend inzicht kan hier dus geen rol spelen.
dat het voorgaande dictum is opgenomen in een in kracht van gewijsde uitspraak in de hoofdzaak die tussen partijen gezag van gewijsde heeft, zoals [eiser] heeft betoogd, […] dit oordeel niet anders [maakt]”. Dat maakt het wél anders, omdat de rechtszekerheid in het geding is. Daardoor is bijzonder weinig ruimte om met
hineininterpretierentot een andere uitleg van het dictum te komen dan die de tekst daarvan – gelezen in samenhang met de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid – toelaat. De tekst van het dictum is dus van essentieel belang, zoals ik in 2017 ook tot uitgangspunt nam. [26]
uitbetaalden niet zo zeer dat het recht op wachtgeld op die datum
inging?
Wachtgeld op grond van de WUP?
dat hem op 13 februari 1996 door ABP Woningfonds de functie van project leider is toegezegd en dat [eiser] deze functie feitelijk nimmer heeft vervuld.
het ontbindingsverzoek van [eiser] worden gelijkgesteld met ontslag op eigen verzoek zoals genoemd in art. 3 WUP Pro.
af te leiden dat met “ontslag” in dat artikel mede wordt gedoeld op “al dan niet op eigen verzoek ontslagen”). [eiser] kan dus aan de regeling in art. 4 een Pro wachtgeldaanspraak ontlenen. Daarmee faalt het door Vesteda in eerste aanleg subsidiair aangevoerde verweer. (…)”
dat aan de materiële criteria van art. 3 WUP Pro is voldaan.” Daarop heeft [eiser] ook gewezen. [29] Het hof zet vervolgens uiteen dat, kort samengevat, [eiser] na de reorganisatie en privatisering geen passende functie heeft gekregen. Vervolgens oordeelt het hof dat “
het ontbindingsverzoek van [eiser] [moet] worden gelijkgesteld met ontslag op eigen verzoek zoals genoemd in art. 3 WUP Pro”, waarna het constateert dat “
[h]et “ontslag” van [eiser][dus in de zin van art. 3 WUP Pro, AG]
heeft plaatsgevonden op 31 mei 2000, derhalve buiten de in art. 3 genoemde Pro termijn van 2 jaar.” [eiser] heeft erop gewezen dat het gerechtshof ’sHertogenbosch een probleem heeft gezien in de tweejaarstermijn van art. 3 WUP Pro en dáárom acht heeft geslagen op art. 4 WUP Pro. [30] Dat is inderdaad wat in rov. 4.13 te lezen is. Het lijkt er inderdaad op dat er voor het hof moeilijkheid schuilde in het gegeven dat, hoewel ruimschoots binnen de termijn van twee jaar was gebleken dat [eiser] geen passende functie had gekregen, zijn ontslag buiten de tweejaarstermijn had plaatsgevonden, wat het hof – overigens vermoedelijk ten onrechte [31] – als een obstakel heeft gezien voor de toepassing van art. 3 WUP Pro. Voor dit (schijn)probleem vindt het hof dan, zo begrijp ik het met [eiser] , een oplossing in toepassing van art. 4 WUP Pro, maar met de ontslagdatum 31 mei 2000 conform art. 3 WUP Pro, te weten “
de dag van dat ontslag”. Het hof verwijst daarbij naar de nota van toelichting en overweegt onder andere dat “
uit die toelichting is(…)
af te leiden dat met “ontslag” in dat artikel[dus art. 4 WUP Pro, A-G]
mede wordt gedoeld op “al dan niet op eigen verzoek ontslagen””. Hoewel het hof dus van oordeel was dat materieel art. 3 WUP Pro van toepassing was, heeft het hof – naar het nu dus lijkt: onnodig – heil gezocht in art. 4 WUP Pro. Dat strookt ook met de tekstuele inhoud van de verklaring voor recht en het ontbreken daarin van een verwijzing naar een bepaling uit de WUP. Of de benadering van het hof rechtens juist is, kan in het midden blijven; waar het om gaat is welke kenbare bedoeling het hof had blijkens zijn overwegingen. Naar mijn mening zijn er in rov. 4.13 van het 2006-arrest géén aanknopingspunten te vinden voor de gedachte dat het hof simpelweg art. 4 WUP Pro heeft toegepast; dan zou het ook nogal moeilijk te verklaren zijn waarom het hof meer dan een halve pagina wijdt aan de toepassing van art. 3 WUP Pro. Daar komt dan nog bij dat de verklaring voor recht ook niets vermeldt over art. 4 WUP Pro.
vergaand” is aan de door [eiser] verdedigde uitleg. De implicaties daarvan ten aanzien van de hiervoor in 3.3 bedoelde afbouw zijn in ieder geval niet vergaand. Het is ook niet “
vergaand” in het licht van de tekst van rov. 4.13 van het 2006-arrest. Dat het hof toen wellicht niet alle subtiliteiten rondom de implicaties van de ingangsdatum onder ogen heeft gezien, maakt dit niet anders. Evenmin is relevant dat partijen in feite niet van standpunt verschillen over de kwestie dat de uitbetaling eerst per 1 juni 2000 aan de orde is gekomen; dit heeft immers geen betrekking op de uitleg van het dictum in het licht van de overwegingen waarop het berust. Dat de nu door het verwijzingshof bereikte uitleg “
ook beter aan[sluit] bij art 4 WUP Pro waarop de aanspraak van uitkering van [eiser] is gegrond en welke bepaling door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is geciteerd in de overwegingen die aan het voormelde dictum voorafgaan” is in het licht van al het voorgaande niet overtuigend. Het gaat er immers om wat het hof ‘s-Hertogenbosch
kenbaarbedoelde met het dictum en niet om wat het – volgens het verwijzingshof – rechtens had moeten bedoelen. Overigens had het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in rov. 4.13 van het 2006-arrest óók art. 3 WUP Pro geciteerd en daar meer dan een halve pagina aan gewijd. Het is daarmee bepaald niet evident dat art. 4 WUP Pro moest worden toegepast en dat het hof ’s-Hertogenbosch dat onverkort heeft willen doen.
[eiser] (…) zijn vordering aan gederfd wachtgeld over het tijdvak juni 2000 t/m juli 2011 [heeft] bepaald op € 385.141,82 bruto, en daarmee – zo begrijpt het hof – het door hemzelf berekende bedrag van € 382.130,72 tot dit bedrag vermeerderd.”
van € 385.141,82, AG] is het bedrag opgenomen, dat Vesteda heeft betaald aan Abp, in verband met de eerder door USZO (kennelijk voor rekening van Abp) aan [eiser] uitbetaalde uitkeringen (€ 68.723,42), die hij ingevolge de procedure van Abp tegen hem aan Abp heeft moeten terugbetalen (en eigenlijk van Vesteda had moeten ontvangen). Daarmee is een en ander “vereffend”. Over het betreffende bedrag heeft Abp – en Vesteda – de volledige wettelijke rente (willen) ontvangen, zoals [eiser] hiervoor reeds heeft opgemerkt.”
Daarop komt in mindering het door Vesteda betaalde bedrag van € 71.502,05 bruto. Daarmee resteert € 312.497,95 (aan wachtgeld).” Zie ook reeds de samenvatting in rov. 2.2 van het eindarrest.
na verrekening van het voorschot van € 68.723,42 d.d. 17 april 2014”, lijkt het over het hoofd te hebben gezien dat in de opstelling van [eiser] dit bedrag reeds in mindering was gebracht. Door alsnog € 71.502,05 in mindering te brengen, is het bedrag dus twee keer in mindering gebracht.
Vesteda mag daarop, bij voorkeur gemotiveerd en zo mogelijk onderbouwd door een eigen deskundigenbericht,
reageren en moet zich voorts uitlaten over het bedrag dat zij in die periode aan pensioenpremie had moeten afdragen. Partijen dienen zich verder uit te laten omtrent de schadestaat. [eiser] heeft weliswaar een nieuwe schadestaat in het geding gebracht (zie memorie na verwijzing productie 5) maar ook deze is inmiddels niet meer als actueel te beschouwen.
dient daarom een geactualiseerde schadestaat, die aansluit bij hetgeen in dit arrest is overwogen en beslist, in het geding te brengen. Vesteda mag daarop reageren.
6. De beslissing
voordat [eiser] zijn akte had genomen, met hem te delen. Dit is ook door het hof overwogen (rov. 2.10). [eiser] heeft dit echter niet opgepakt en heeft inhoudelijk niets ingebracht tegen de berekening van APG (rov. 2.11). Hij heeft volstaan met een eigen berekening, die verder niet van een toelichting was voorzien. Overigens is het niet ongebruikelijk dat partijen informatie die zij in het geding willen brengen, of zelfs een concept-processtuk, op voorhand met de wederpartij delen, soms ook op uitdrukkelijke instructie van de rechter. Het doel is uiteraard om te voorkomen dat een nieuwe aktewisseling noodzakelijk is.
een deskundigenbericht te gelasten om (in het bijzonder) het gederfde wachtgeld te berekenen”. Het hof stond dus duidelijk voor ogen om éérst te proberen zonder deskundige de procedure tot een einde te brengen. Bovendien dacht het hof niet voor de pensioenschade maar voor het gederfde wachtgeld aan het inwinnen van een deskundigenbericht.
aan [eiser]te voldoen (en niet aan ABP). Daarmee is het verwijzingshof volgens [eiser] buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en/of heeft het zijn taak als appel- en verwijzingsrechter miskend. [eiser] betoogt dat de kantonrechter in rov. 3.11.8 van zijn vonnis van 12 juni 2013 heeft geoordeeld, met een door mij toegevoegde onderstreping, dat “
de subsidiaire vordering tot betaling door Vestedaaan Stichting Pensioenfonds ABPvan achterstallige pensioenpremies over de periode 1 juni 2000 tot en met 27 september 2005 ten gunste van [eiser] wordt(…)
toegewezen” en dat geen van partijen daartegen in appel heeft gegriefd, zodat het verwijzingshof daaraan was gebonden, hetgeen het heeft miskend. Het belang voor [eiser] schuilt, als ik zijn opmerkingen op p. 6 van de procesinleiding goed begrijp, volgens hem in de fiscale gevolgen van de betaling van dat bedrag aan [eiser] nu het als belastbaar inkomen zal worden aangemerkt.
ABP. Daarbij betrekt het hof, zo blijkt uit rov. 4.21, dat [eiser] geen grief had gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het vonnis van 12 juni 2013, dat de achterstallige pensioenpremies aan Stichting Pensioenfonds ABP moeten worden betaald. Daarmee lag nog slechts open de vraag
welk bedragVesteda aan achterstallige premies had moeten afdragen aan ABP (zie ook rov. 4.72 van het tussenarrest, geciteerd onder 3.28).
Recapitulatie”) en het dictum van het eindarrest niet in stand kunnen blijven. Nu de klachten I, II en IV slagen, slaagt ook dit onderdeel.