ECLI:NL:PHR:2024:186

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
16 februari 2024
Zaaknummer
23/04275
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.4 SvArt. 5.4.10 SvArt. 6 VEUArt. 17 Handvest EUArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid van Europees onderzoeksbevel ondanks eigendomsrechtelijke bezwaren

De zaak betreft een cassatieberoep van een klager die bezwaar maakte tegen het beslag op modeltreinen, gelegd op basis van een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd door Duitse autoriteiten in een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het klaagschrift ongegrond, stellende dat de uitvoering van het EOB niet onverenigbaar is met het eigendomsrecht van de klager. Dit omdat noch artikel 17 van Pro het Handvest van de EU, noch artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM een absoluut eigendomsrecht garanderen; beperkingen zijn mogelijk in het algemeen belang.

De klager stelde dat de overdracht aan Duitsland een flagrante schending van zijn eigendomsrecht inhoudt, mede door verschillen in civielrechtelijke eigendomsregels en het ontbreken van garanties voor teruggave. De Hoge Raad oordeelt dat het systeem van het EOB gebaseerd is op wederzijds vertrouwen tussen lidstaten en dat inhoudelijke eigendomsverweren uitsluitend in de uitvaardigende staat kunnen worden behandeld.

De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het cassatieberoep faalt. Het subsidiaire verzoek om voorwaarden te verbinden aan de overdracht wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de modeltreinen blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04275 Br
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 oktober 2023 het op grond van art. 5.4.10 jo art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen voorwerpen, ongegrond verklaard. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Aanleiding en verloop van de procedure

2.1
Op 10 augustus 2022 is door het Duitse openbaar ministerie bij de arrondissementsrechtbank te München in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: de Duitse autoriteiten) een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal van modellocomotieven en -wagons. Naar aanleiding van dit bevel is op 4 april 2023 onder de klager een aantal modeltreinen in beslag genomen op de voet van art. 94 lid 1 Sv Pro (om de waarheid aan de dag te brengen).
2.2
De Duitse autoriteiten hebben om geheimhouding van dit EOB gevraagd. Het EOB en de onderliggende stukken zijn daarom niet aan de verdediging verstrekt.
2.3
Namens de klager is op 19 april 2023 een op art. 5.4.10 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen goederen. Het klaagschrift is op 27 september 2023 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam heeft op 11 oktober 2023 het beklag ongegrond verklaard.
2.4
Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het EOB niet verenigbaar is met het eigendomsrecht van de klager.

3.De beschikking

3.1
De rechtbank heeft het standpunt van klager voor zover relevant voor de bespreking van het middel als volgt weergegeven:
“Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen en teruggave aan de klager van de in beslag genomen goederen: Daartoe is het volgende aangevoerd. Overdracht aan de Duitse autoriteiten van de inbeslaggenomen goederen levert een flagrante schending van het eigendomsrecht van klager op omdat de Duitse autoriteiten de goederen waarschijnlijk niet zullen retourneren aan klager. De vraag of klager eigenaar van de goederen is, is een civielrechtelijke kwestie die uitgezocht dient te worden wanneer de goederen aan klager zijn geretourneerd. Klager verzet zich niet tegen het onderzoek dat verricht dient te worden, maar wil de goederen daarna terug. Subsidiair is daarom het verzoek gedaan aan de uitvoering van het EOB de voorwaarde te verbinden dat de goederen aan klager worden geretourneerd.”
In aanvulling hierop maak ik melding van hetgeen de raadsman blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting op 27 september 2023 naar voren heeft gebracht:

De raadsmanwordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en deelt mee:
De vraag die voorligt is of er sprake is van een flagrante schending van het eigendomsrecht van mijn cliënt. Opgemerkt moet worden dat - anders dan de officier van justitie in het schriftelijk standpunt stelt - die schending er wel is. Het eigendomsrecht is een fundamenteel recht. De Hoge Raad zegt dat bij de beantwoording van de vraag de rechter niet behoort te treden in burgerlijke eigendomsgeschillen en bezitskwesties.
We weten helemaal niet of de beste man in Duitsland wel de rechtmatige eigenaar van de modeltreinen was. Dit is bij uitstek een burgerlijke kwestie die bij de civiele rechter thuishoort. Vaststaat dat mijn cliënt te goeder trouw heeft gehandeld. Bij geen van zijn aankopen heeft hij enige twijfel gehad. Alleen bij de laatste aankoop heeft hij na de afronding van de koop bij de fabrikant geïnformeerd. Zo is het balletje gaan rollen. Als hij niets gezegd had was er geen agent aan te pas gekomen. Ik wil met name het uitgangspunt uit artikel 116 Sv Pro opmerken. Spullen moeten terug naar de beslagene. Het Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) is bedoeld om de waarheid aan de dag te leggen, maar het is niet de bedoeling dat de Duitse autoriteiten kunnen bepalen dat de treinen terug moeten naar de Duitse eigenaar. Als dat wel het gevolg is, dan is er sprake van een flagrante schending van het eigendomsrecht van mijn cliënt. De Duitse wet kent geen regeling zoals de Nederlandse wet. Het Duitse recht zet mijn cliënt op achterstand. Het laatste wat ik wil opmerken is dat uit de e-mails blijkt dat de Duitsers voornemens zijn om de spullen terug te geven aan de eigenaar. Er wordt in de e-mail van 2 augustus jl. gezegd dat als blijkt dat de producten niet van diefstal afkomstig zijn, mijn cliënt de spullen terug zou krijgen. Met andere woorden: indien de spullen wel van diefstal afkomstig blijken te zijn, dan krijgt mijn cliënt ze niet terug. Dan kan mijn cliënt zelfschade gaan verhalen in Duitsland op degene die de spullen gestolen heeft. Mijn cliënt heeft gedaan wat van een goede burger verwacht wordt: hij heeft zelf de politie gebeld. Hij verzet zich ook niet tegen verder onderzoek, maar hij wil daarna de treinen terug. Ik heb ook nog gevraagd of het onderzoek in Nederland gedaan kan worden, maar dat gaat niet. Daarom wil mijn cliënt de treinen graag terug als het onderzoek klaar is, en dan kan er eventueel een civielrechtelijke procedure worden gestart.
(…)
De voorzitterhoudt voor dat noch artikel 17 van Pro het Handvest noch artikel 1 van Pro het 1 e. Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) een absoluut eigendomsrecht kent.
De raadsmanreageert:
Dat ontken ik ook niet, Ook het 1e Protocol van het EVRM is van toepassing door artikel 6 van Pro het EVRM. Er zijn natuurlijk altijd mogelijkheden om dat recht in te perken, maar dat neemt niet weg dat heel veel van die rechten bij wet kunnen worden beperkt De vraag is of, wanneer dat als weigeringsgrond is opgenomen, die bepalingen er dan toe leiden dat het eigendomsrecht kan worden ingeperkt en of je dan daardoor niet een soort dode letter creëert. We kunnen dan niets meer.”
3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:

ToetsingskaderGelet op hetgeen de Hoge Raad hierover in zijn beschikking van 21 december 2021 (ECLLNL:HR:2021:1940) heeft overwogen, wordt het volgende voorop gesteld.
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten van de Europese Unie. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41 /EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten.
Bij de behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 juncto artikel 552a Sv doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB waarvan de uitvoering heef geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid S Sv). De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid I Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagnemingen van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich, gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is - anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve vaneen Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden - dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat - in de zin van het belang van de uitvaardigende staat bij de uitvoering van het EOB en de overdracht van de resultaten daarvan ten behoeve van de strafrechtelijke procedure in de uitvaardigende staat - wordt verondersteld aanwezig te zijn.
OverwegingenDe rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar de diefstal van een hoeveelheid modeltreinen. Dit EOB is door de officier van justitie erkend. De inbeslagneming die naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden, heeft overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94 en 96 Sv, plaatsgevonden. De inzet van deze bevoegdheid is naar Nederlands recht rechtmatig geschied.
De inbeslaggenomen goederen betreffen het bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en hetgeen de Duitse autoriteiten met dit EOB beogen te verkrijgen. Deze goederen zijn dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Duitse strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek loopt nog en daarmee is het belang van strafvordering gegeven.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat zich geen weigeringsgronden op grond van de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 Sv voordoen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU Pro en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie(HvEU) op Nederland als uitvoerende staat rusten, meer specifiek met het eigendomsrecht van klager. Artikel 17 van Pro het HvEU noch artikel 1 van Pro het eerste protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) erkennen een absoluut eigendomsrecht. In beide gevallen is bepaald dat het recht kan worden beperkt in het algemeen belang en in gevallen en onder voorwaarden bij wet voorzien. Op voorhand bij de Duitse autoriteiten bedingen dat de goederen na het onderzoek aan de klager dienen te worden geretourneerd zou dan ook vooruitlopen op de feiten zijn, en misschien ook een schending van andermans eigendomsrecht kunnen betekenen.
Gelet op het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard en zal ook het subsidiaire verzoek van de klager om te bepalen dat de goederen na het onderzoek door de Duitse autoriteiten aan hem dienen te worden geretourneerd, worden afgewezen.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de klager zich, na overdracht van deze goederen, (alsnog) tot de Duitse autoriteiten kan wenden met een verzoek tot teruggave van deze goederen of de officier van justitie kan verzoeken deze wens van klager bij overdracht aan de Duitse autoriteiten te vermelden.”

4.Het middel

4.1
Het middel bevat twee deelklachten die gezamenlijk kunnen worden besproken. De klachten hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.4. Sv voordoen die in de weg staan aan de overdracht van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de autoriteiten van Duitsland en dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig art. 6 Verdrag Pro betreffende de Europese Unie (VEU) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie(Handvest EU) op Nederland als uitvoerende staat rusten, “meer specifiek met het eigendomsrecht van klager”. Volgens de steller van het middel miskent de rechtbank met dit oordeel dat art. 6 VEU Pro in verbinding met art. 17 Handvest Pro EU en art. 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM maken dat het eigendomsrecht van de klager een “mensenrecht” is dat op grond van de in art. 5.4.4. lid 1 aanhef en onder f geformuleerde weigeringsgrond beschermd dient te worden.

5.Wets- en verdragsartikelen

5.1
Voor ik de bespreking van het middel zijn de navolgende bepalingen van belang:
- Art. 6 VEU Pro:
“1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.
De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen.
De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassíng ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht genomen worden.
2. De Unie treedt toe tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Die toetreding wijzigt de bevoegdheden van de Unie, zoals bepaald in de Verdragen, niet.
3. De grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.”
- Art. 17 Handvest Pro EU:
“1. Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.
2. Intellectuele eigendom is beschermd.”
- Art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM:
"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."
- Artikel 5.4.4 lid 1 Sv:
“1. De erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt geweigerd, wanneer na overleg met de uitvaardigende staat en nadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om onverwijld aanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat:
(…)
f. er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU Pro en het Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten.”

6.Bespreking van het middel

6.1
De vraag die voorligt is of het eigendomsrecht een weigeringsgrond als bedoeld in art. 5.4.4. lid 1 onder f Sv oplevert en dient te worden beschouwd als een fundamenteel recht dat maakt dat moet worden afgezien van erkenning en uitvoering van het onderhavige EOB.
6.2
Vooropgesteld moet worden dat het systeem van het EOB is gebaseerd op wederzijdse erkenning en het daarmee verbonden beginsel van onderling vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie. Het onderlinge vertrouwen biedt volgens het Hof van Justitie (HvJ) de mogelijkheid “om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Dit beginsel vereist, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen”. [2] Dat brengt met zich dat de mogelijkheid om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
6.3
Alleen als één van de – imperatieve – weigeringsgronden van artikel 5.4.4 Sv zich voordoet, wordt de erkenning van het EOB geweigerd. [3] De grond waar de steller van het middel een beroep op doet is art. 5.4.4. lid 1 onder f Sv: indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het EOB niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die art. 6 van Pro VEU en het Handvest EU aan Nederland stelt. In de praktijk wordt er door lidstaten zelden een beroep op deze weigeringsgrond gedaan, hetgeen niet verwonderlijk is nu het systeem van het EOB als uitgangspunt huldigt dat iedere lidstaat de grondrechten respecteert. [4]
6.4
De rechtbank heeft vastgesteld dat zich in onderhavige zaak geen weigeringsgronden voordoen en meer specifiek dat de uitvoering van het EOB niet onverenigbaar is met het eigendomsrecht van de klager omdat art. 17 Handvest Pro EU en art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM geen absoluut recht op eigendom bevatten. In beide gevallen is bepaald dat het recht kan worden beperkt in het algemeen belang en in gevallen en onder voorwaarden bij wet voorzien. Verder heeft de rechtbank in dit verband benadrukt dat de goederen eerst door de Duitse autoriteiten moeten worden onderzocht voordat beslissingen met betrekking tot het eigendom en eventuele teruggave van de voorwerpen aan de orde zijn. Hieruit leid ik af dat de rechtbank onder ogen heeft gezien dat in art. 17 Handvest Pro EU en art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM een proportionaliteitsvereiste ligt besloten dat overeenkomstig het door haar vooropgestelde juridisch kader niet aan de orde is bij een beklag als het onderhavige.
6.5
In de cassatieschriftuur wordt aangevoerd dat Duitsland en Nederland verschillende regelgeving kennen wat betreft de civielrechtelijke eigendomsverkrijging en de daarop van toepassing zijnde bewijslastverdeling. Door het overbrengen van de goederen naar Duitsland, wordt Duits recht van toepassing waardoor de klager in een nadeliger positie komt te verkeren. Gesteld wordt dat de klager daardoor evident in zijn eigendomsrecht wordt geschaad en nu er geen voorwaarden kunnen worden verbonden aan de overdracht van goederen in het kader van een EOB, het maar de vraag is of de klager ooit zijn spullen terugkrijgt dan wel gecompenseerd wordt voor zijn schade. Dat is volgens de steller van het middel een dermate flagrante schending van het eigendomsrecht van de klager dat de uitvoering van het EOB niet verenigbaar is met het recht van de klager en om die reden moet worden geweigerd.
6.6
Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. De rechtsbescherming die in de uitvoerende lidstaat kan worden geboden aan degene die wordt getroffen door in het kader van een EOB uitgevoerde opsporingsbevoegdheden is als gevolg van het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals hiervoor al opgemerkt, zeer beperkt. Dat betekent dat inhoudelijke verweren ten aanzien van (een schending van) het eigendomsrecht alleen ten overstaan van de rechter in de uitvaardigende lidstaat gevoerd kunnen worden. De rechter in de uitvoerende lidstaat kan en mag zich hierover niet uitlaten. Dat zou ook niet kunnen gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure en de beperkte informatie waarover de rechter in de uitvoerende lidstaat beschikt. De regeling van het EOB is volledig gestoeld op het uitgangspunt dat de betrokkene in de uitvaardigende staat een effectief rechtsmiddel ter beschikking staat, om voor zijn (grond)rechten op te komen. [5]
6.7
De conclusie is dan ook dat de beslissing van de rechtbank geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd. [6]

7.De conclusie

7.1
Het middel faalt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Tevens is het subsidiair gedane verzoek tot overdracht van de goederen onder de voorwaarden van teruggave aan de klager afgewezen.
2.HvJ 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2454, NJ 2015/410, m.nt. E.A. Alkema (advies over de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verenigbaarheid van dit ontwerp met het VEU en het VWEU), par. 191. Zie uitgebreider over het interstatelijke vertrouwensbeginsel AG Paridaens in haar conclusie voorafgaand aan HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, m.nt. J.M. Reijntjes randnr. 5.3 en de HR in rov. 6.13.
3.Zie ook uitgebreider hierover: T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning”, NTS 2022, nr. 3., p. 142.
4.Verslag Commissie over de uitvoering van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, COM/2021/409 final, 20 juli 2021, p. 13.
5.Dat de praktijk mogelijk weerbarstiger is dan de theorie, kan de klager in deze beklagprocedure niet helpen;T.M. de Groot en P. van Glabbeek, a.w. suggereren op p. 152 dan ook, nadat zij zich hebben afgevraagd of de betrokkene wel zijn weg weet te vinden in een hem juridisch onbekend landschap, dat het aanbeveling verdient dat de officier van justitie de betrokkene hierbij actief op weg helpt.
6.Zie ook: HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1153 waarin werd geklaagd dat de overdracht van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Belgische autoriteiten "een wezenlijke belemmering van eigendomsrechten" van de betrokkene opleverde. Deze klacht, in wezen een beroep op het proportionaliteitsbeginsel, gaf naar het oordeel van de Hoge Raad blijk van miskenning van de in rov. 2.3 weergegeven maatstaf te weten dat “als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien een verzoek als het onderhavige is gegrond op een verdrag - zoals hier het geval is - op grond van art. 552k, eerste lid, Sv aan dat verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, NJ 2002/580)”; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:511.