Conclusie
rechtsopvolgster van Porto Seguro Properties B.V.,
rechtsopvolgster van A.I.M. Aardolie Investeringsmaatschappij B.V.,
1.Inleiding en samenvatting
Bij deze wil ik graag een locatie onder uw aandacht brengen. Onze locatie, [a-straat 1] te [plaats] , naast de nieuw te bouwen Lidl is mogelijk zeer geschikt voor vestiging van een tankstation van Tamoil.”.
(...) Zoals u terecht opmerkte is een benzine servicestation (zonder LPG) opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten onder milieucategorie 2. Dit betekent dat binnen de bestemming “Gemengd" een Benzineservicestation (Zonder LPG) direct is toegestaan. (...)"
IN AANMERKING NEMENDE ALS VOLGT:
De reden van de opzegging is dat er, zoals u bekend is, door het bevoegde gezag geen vergunning is verleend voor het vestigen van een tankstation ter plekke. Het is voor ons derhalve niet mogelijk om het tankstation te exploiteren."
Bij deze wil ik graag een locatie onder uw aandacht brengen. Onze locatie, [a-straat 1] te [plaats] , naast de nieuw te bouwen Lidl is mogelijk zeer geschikt voor vestiging van een tankstation van Tamoil.”;
''Verhuurder staat ervoor in dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan vestiging van het Tankstation en een wasgelegenheid toestaat.” Het commentaar namens P.S.P. op deze concept-bepaling luidde (e-mail van 29 januari 2015, productie 6 bij inleidende dagvaarding): "
2.3 Hier kan worden toegevoegd dat verhuurder inmiddels beschikt over de instemming van de gemeente waaruit volgt vestiging van een Tankstation en een wasgelegenheid zoals in deze verklaring van de gemeente (bijvoegen) beschreven zal worden toegestaan. Om dat niet in de toekomst kan worden gekeken dient te worden opgenomen dat deze garantie alleen geldt bij ondertekening van deze overeenkomst."
Deze reactie van P.S.P. heeft geleid tot de door A.l.M. voorgestelde wijziging van het concept waarbij artikel 2.3 is vervallen; in plaats daarvan is opgenomen artikel 2.1: "
De gemeente heeft inmiddels vergunning verleend voor de vestiging van het Tankstation en een wasgelegenheid." (…).
Dat betekent dat, zoals reeds in 6.7.6. in aansluiting op 6.7.2. is overwogen, er sprake is van wederzijdse dwaling die leidt tot honorering van de vernietiging van de huurovereenkomst bij brief van 25 juli 2016 (…); grief I in incidenteel appel is gegrond, het vonnis van de rechtbank dient te worden vernietigd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
1.1-2.3), als opmaat voor de rechtsklachten uit
onderdeel 2.4en de motiveringsklachten uit de
onderdelen 2.5-2.8. Alle onderdelen klagen er in de kern genomen over dat het hof in rov. 6.7.6 TA en rov. 9.5.3 EA en de daarop voortbouwende rov. 6.8.2 TA en rov. 9.6-9-8 en het dictum EA enkele toepassingsvoorwaarden voor een geslaagd beroep op wederzijdse dwaling heeft miskend, althans dat het hof zijn oordeel daaromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep is terecht voorgesteld.
onderdeel 2.4en de motiveringsklachten uit
onderdelen 2.5 (i) en 2.6-2.8zien op vereiste (ii) van causaal verband tussen de onjuiste voorstelling van zaken en het aangaan van de overeenkomst. De tweede rechtsklacht uit
onderdeel 2.4en de motiveringsklacht uit
onderdeel 2.5 (ii)hebben betrekking op vereiste (vi) dat de vernietiging van de overeenkomst niet kan worden gegrond op een dwaling die voor rekening van de dwalende behoort te blijven.
onderdeel 2.5 (i)dat het hof voorbij is gegaan aan haar essentiële stellingen dat (a) Tamoil de overeenkomst ook zou zijn aangegaan indien zij zou hebben geweten dat de vergunning slechts zou worden verleend wanneer het tankstation aan de [b-straat] zou worden verplaatst, omdat zij er op dat moment zelf ook van uitging dat dat tankstation ontmanteld zou (kunnen) worden [23] , hetgeen (b) ook blijkt uit het feit dat Tamoil ook nadat duidelijk werd dat de voorwaarde van verplaatsing aan de verlening van de vergunning werd gesteld, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om haar aandeelhouders te informeren teneinde de goedkeuring aan de huurovereenkomst te onthouden [24] .
Onderdeel 2.6klaagt dat, voor zover aangenomen moet worden dat het hof wel op deze stelling heeft gerespondeerd in rov. 9.5.3 tweede zin EA, die overweging onvoldoende begrijpelijk is. De in feitelijke instantie ingenomen stelling houdt immers in dat het voor de beoordeling niet relevant is dat Tamoil pas na het aangaan van de huurovereenkomst met de door de gemeente gestelde voorwaarde van verplaatsing bekend is geraakt, omdat de huurovereenkomst ook zou zijn aangegaan wanneer Tamoil daarvóór al wetenschap had gehad van deze voorwaarde.
Onderdelen 2.7-2.8voeren vervolgens aan dat de volgende door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat de voorwaarde van verplaatsing geenszins strijdig was met de plannen van Tamoil ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst: (1) nadat [A] overging tot opzegging van de overeenkomst met Tamoil is het (aanvankelijke) idee om op beide locaties een tankstation te exploiteren omgeslagen in de strategie om het tankstation te verplaatsen [25] , (2) Tamoil wilde het tankstation (dus) verplaatsen en de gemeente had aangegeven daaraan haar medewerking te willen verlenen [26] , (3) Tamoil is de huurovereenkomst aangegaan in de veronderstelling dat zij haar oude tankstation zou mogen afbreken en op de nieuwe locatie een nieuw tankstation zou gaan oprichten en exploiteren [27] en (4) Tamoil ging ervan uit dat zij haar tankstation mocht verplaatsen totdat daar met succes een stokje voor werd gestoken door [A] [28] . In dit licht kan de enkele vaststelling dat Tamoil ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet wist van de voorwaarde van verplaatsing het oordeel van het hof niet dragen dat sprake is van wederzijdse dwaling, aldus de klacht.
onderdeel 2.4naar ik meen (in eerste lezing) doel: dat het pas na sluiting van de huurovereenkomst bekend worden van de verplaatsingseis van de gemeente al wederzijdse dwaling op zou leveren hier, houdt geen rekening met de voorwaarde dat naast een onjuiste voorstelling van zaken ook vast moet staan dat die overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Dat laatste lijkt het hof niet voldoende kenbaar te hebben onderzocht. Dat dit zou zijn beoordeeld in rov. 6.7.2 TA, zoals Tamoil bij s.t. 9 aanvoert, lijkt mij (met Goudhoed) niet juist. Terecht geeft Goudhoed bij repliek aan dat het hier
nietgaat om de vraag of Tamoil de overeenkomst niet zou hebben gesloten wanneer zij had geweten dat in het gehuurde geen tankstation zou kunnen worden gevestigd – dat dat dan niet zou zijn gebeurd, is in confesso – maar om de
meer toegespitste vraagof deze overeenkomst door Tamoil niet zou zijn aangegaan als zij had geweten dat daarvoor de voorwaarde zou gelden dat het tankstation dat zij eerst exploiteerde in haar (voormalige) huurverhouding met [A] , zou moeten worden
verplaatstnaar het gehuurde. In dat licht klaagt Goudhoed terecht dat het hof had moeten beoordelen in rov. 6.7.6 TA en 9.5.3 EA of Tamoil niet zou hebben gecontracteerd als zij al ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst op de hoogte zou zijn geweest van deze verplaatsingsvoorwaarde. Er is zijdens Goudhoed betoogd dat dat niet had uitgemaakt, omdat Tamoil in de (voor haar risico komende onjuiste) veronderstelling verkeerde dat zij zou kunnen verplaatsen en dat die voorwaarde van gemeentezijde in dat licht dus niet had uitgemaakt. Daar heeft het hof niets (expliciet) over geoordeeld. In deze eerste lezing slaagt de eerste rechtsklacht van subonderdeel 2.4 en zou dat op die grond tot cassatie moeten leiden.
implicietverworpen in rov. 9.5.3. Met die mogelijkheid houdt de motiveringsklacht uit
onderdeel 2.6rekening. Deze positie van Goudhoed (dat bij tijdige wetenschap van de verplaatsingseis toch zou zijn gecontracteerd) geeft het hof immers in rov. 9.5.2 EA eerst weer, om die vervolgens (samen met het eveneens in rov. 9.5.2 EA weergegeven argument van Goudhoed dat de onjuiste inschatting van Tamoils rechtspositie tegenover [A] althans voor risico van Tamoil moet blijven) in rov. 9.5.3 EA te verwerpen; rov. 9.5.3 begint met: ‘Het hof volgt P.S.P. niet in dit betoog.’, hetgeen verwijst naar rov. 9.5.2, waarna de redenen daarvoor volgen in rov. 9.5.3. Mocht deze tweede lezing hier moeten worden gevolgd – ik denk het niet, omdat het hof dit verkeerd inschatten van Tamoils rechtspositie onder haar contract met [A] in rov. 9.5.3
integraalin de sleutel lijkt te plaatsen van: dat kan wel wezen, maar neemt niet weg dat pas na sluiting van de huurovereenkomst van de verplaatsingsvoorwaarde van de gemeente is gebleken, zodat het hof deze hier besproken voorwaarde lijkt te miskennen, aldus de hiervoor in 4.12 uiteengezette eerste lezing – dan heeft te gelden dat onderdeel 2.6 terecht klaagt dat dán rov. 9.5.3 EA geen begrijpelijke respons vormt op de stelling van Goudhoed dat Tamoil de overeenkomst ook zou zijn aangegaan bij tijdige wetenschap van de verplaatsingsvoorwaarde. Daar zegt het hof namelijk niets concreets over en dat had lijkt mij wel gemoeten, nu het betoog van Goudhoed erop neerkomt dat het pas na aangaan van de huurovereenkomst bekend worden van de verplaatsingsvoorwaarde niet relevant is, omdat ook zou zijn gehuurd als Tamoil dat daarvóór al had geweten. In de hier bedoelde tweede lezing leidt de motiveringsklacht uit subonderdeel 2.6 dan tot cassatie.
onderdeel 2.5 (i)eerste gedeelte is op zich terecht voorgesteld. Die klacht staat in de sleutel dat de rechtsklacht uit rov. 2.4 niet slaagt (net als onderdeel 2.6). Ik kan daar kort over zijn. Er is dan zoals hiervoor al besproken inderdaad onvoldoende gerespondeerd op Goudhoeds stelling dat ook zou zijn gecontracteerd bij wetenschap van de verplaatsingseis van de gemeente, omdat Tamoil ervan uitging dat zij het tankstation van de [b-straat] zou kunnen verplaatsen – wat er verder zij van het tweede deel van de klacht dat dat ook zou blijken uit het niet informeren van Tamoils aandeelhouders over goedkeuring van de huurovereenkomst. Op die laatste stelling hoefde het hof niet in te gaan, omdat die is ingenomen in het kader van het debat over art. 2.1 van de huurovereenkomst en de voor dwaling vereiste onjuiste voorstelling van zaken door Tamoil [29] , maar niet ten betoge dat geen causaal verband bestaat tussen die onjuiste voorstelling en het sluiten van de huurovereenkomst.
onderdelen 2.7-2.8zijn als daar aan zou worden toegekomen terecht voorgesteld. De motiveringsklacht van onderdelen 2.7 en 2.8 beklaagt het hofoordeel dat sprake is van wederzijdse dwaling nog langs andere lijnen. Uit de in onderdeel 2.7 opgesomde omstandigheden (hiervoor in 4.11 onder (1) t/m (4) weergegeven) die door het hof bij EA zijn vastgesteld, volgt dat het ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst bestaande plan van Tamoil om het tankstation aan de [b-straat] te verplaatsen naar het gehuurde aansloot bij de door de gemeente (uiteindelijk) gestelde voorwaarde van verplaatsing. Dan kan de enkele vaststelling in rov. 9.5.3 EA dat Tamoil pas na ondertekening van de huurovereenkomst feitelijk wist van de door de gemeente gestelde verplaatsingsvoorwaarde het oordeel van het hof niet dragen dat sprake is van wederzijdse dwaling. Daarvoor had het hof mede in het licht van zijn eigen vaststellingen dat de aanvankelijke strategie van Tamoil van twee tankstations op beide locaties was vervangen door verplaatsing van het tankstation aan de [b-straat] naar het gehuurde en dat de gemeente had aangegeven aan verplaatsing te willen meewerken, terwijl Tamoil in de veronderstelling verkeerde dat zij het oude tankstation zou mogen afbreken en verplaatsen en onder die veronderstelling de huurovereenkomst is aangegaan, hetgeen pas werd gefrustreerd toen [A] met succes verplaatsing wist te voorkomen, moeten beoordelen of Tamoil de huurovereenkomst ook zou hebben gesloten wanneer zij al op het moment van sluiting van de huurovereenkomst feitelijk op de hoogte was geweest van de gemeentelijke verplaatsingsvoorwaarde. Nu dat niet is gebeurd, is ook zo bezien sprake van een ontoereikende motivering.
onderdeel 2.4is dat, voor zover aangenomen moet worden dat Tamoil de huurovereenkomst ook bij een juiste voorstelling van zaken zou hebben gesloten, resteert dat de vernietiging van de overeenkomst niet gegrond kan worden op een dwaling die in verband met de
aardvan de overeenkomst, de
verkeersopvattingenof de
omstandigheden van het gevalvoor rekening van de dwalende behoort te blijven, hetgeen is miskend. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, klaagt
onderdeel 2.5 (ii)dat het hof voorbij is gegaan aan Goudhoeds essentiële stellingen dat de dwaling voor rekening van Tamoil moet blijven vanwege de
contractuele risicoverdeling,
schendingvan Tamoils
onderzoeksplichten de
verhouding tussen partijen [30] . Wat betreft de contractuele risicoverdeling wijst Goudhoed erop dat het hof wel is ingegaan op haar stelling over art. 5.3 van de huurovereenkomst [31] , maar niet op die over art. 5.2 van de conceptovereenkomst [32] .
nietdat de dwaling ook niet vanwege de aard, verkeersopvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van Tamoil moet blijven, waar Goudhoed een onderbouwd beroep op heeft gedaan. Anders dan Tamoil bij s.t. 11 stelt, blijkt dat namelijk niet uit deze overwegingen (of uit rov. 6.7.2 TA). Op de hier bedoelde
andere(essentiële) stellingen dan gebaseerd op art. 5.3 van de huurovereenkomst is het hof niet (voldoende kenbaar) ingegaan en dat zou moeten leiden tot het slagen van de tweede rechtsklacht uit onderdeel 2.4.
risicoverdelingin de huurovereenkomst, geïllustreerd aan de hand van het door Goudhoed verworpen art. 5.2 uit het concept, waarin Goudhoed zou moeten garanderen dat er geen (publiekrechtelijke) belemmeringen zijn voor gebruik en inrichting van het tankstation, zodat dit risico zodoende bij Tamoil is komen te liggen en zij om die reden geen beroep op dwaling toekomt [33] . Het betreft verder de onderbouwde stelling dat Tamoil haar
onderzoeksplichtheeft geschonden [34] en dat zij met ruim 200 tankstations in Nederland en meerdere gespecialiseerde bedrijfsjuristen in dienst een professionele partij is, goed ingevoerd in de relevante wet- en regelgeving binnen de brandstofsector, in tegenstelling tot Goudhoed, een kleine onderneming met slechts enkele onroerende zaken in eigendom, die onbekend is met dat veld. Daaruit volgt volgens Goudhoed dat Tamoil het beste in staat was om haar (juridische) positie in te schatten en het op haar weg had gelegen om nader onderzoek te doen naar de bestemming van het perceel, zodat de dwaling voor haar rekening dient te blijven [35] . Dit één en ander is een beroep op de
omstandigheden van het geval.Door op dit alles niet (voldoende kenbaar) te responderen, is hier volgens mij geen sprake van een toereikende motivering. Als de rechtsklacht al geen doel zou treffen, dan slaagt onderdeel 2.5 (ii).