Conclusie
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2020, p. 18 e.v. van het dossier met nummer PL0600-2020211408, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - : als verklaring van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1987:
Standpunt verdediging
eerstedeelklacht ziet op het bewijs van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde handelingen van de verdachte wat betreft het daarvoor redengevend gebruik van het relaas van verbalisant [verbalisant 1] (bewijsmiddel 9), nu daaruit niet (zonder meer) blijkt welke beschuldigingen de verdachte zou hebben erkend. Volgens de
tweededeelklacht heeft het hof ten onrechte niet gerespondeerd op het verweer c.q. uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat de enige getuige die volgens de aangeefster tijdens de vermeende handelingen aanwezig was ([betrokkene 1]) heeft verklaard dat zij nooit iets gemerkt heeft. De
derdedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer c.q. uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat uit chatberichten blijkt dat de verdachte en zijn partner op meerdere momenten op de twee kinderen van de aangeefster hebben gepast terwijl zij in 2013 een intakegesprek heeft gehad om aangifte te doen tegen de verdachte wegens seksueel misbruik en haar verklaring dat haar herinneringen aan de beweerdelijk door de verdachte gepleegde feiten tijdens haar zwangerschap (in 2010) naar boven zouden zijn gekomen zodat ook uit de omstandigheid dat de aangeefster haar kinderen bij de verdachte heeft laten logeren volgt dat de verklaringen van de aangeefster niet juist zijn. Ik meen dat deze drie deelklachten zich voor een gezamenlijke bespreking lenen.
[verbalisant 1]volgt dat de verdachte, in reactie op een brief van de aangeefster, zijn deel van het verhaal op papier had gezet, maar dit niet met de politie wilde delen omdat hij daarin “enkele beschuldigingen van [slachtoffer] aan zijn adres erkent”. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de verdachte daarbij in het midden heeft gelaten om welke beschuldigingen het volgens hem precies gaat. Dat neemt niet weg dat naar mijn inzicht dit relaas – bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen – wel degelijk redengevend is voor het bewijs en dat het oordeel van het hof daarover niet onbegrijpelijk is. Ik neem daarvoor allereerst in aanmerking dat de verdachte met betrekking tot die beschuldigingen in meervoud spreekt en de aangeefster in haar aangifte (bewijsmiddel 1) en in haar brief (bewijsmiddel 3) het voornamelijk heeft over ‘vingeren op de clitoris’ en ‘eenmaal met zijn tong op de clitoris’. Voorts betrek ik daarbij nog twee andere bewijsmiddelen, te weten (i) de verklaring van [betrokkene 1] inhoudend kort gezegd dat zij de verdachte heeft geconfronteerd met het Whattsapp-gesprek van [slachtoffer] dat zij gevingerd was en de verdachte dit toen beaamd heeft (“het vingeren [was] inderdaad waar”; bewijsmiddel 8) en (ii) het relaas van
[verbalisant 2]van het telefonisch gesprek waarin de verdachte tegen deze verbalisant zei dat hij de “seksuele handelingen” bij [slachtoffer] niet als misbruik en ernstig zag (bewijsmiddel 10). Ook al zou het hierboven genoemde relaas van verbalisant
[verbalisant 1]worden weggedacht, waarvoor naar mijn mening geen reden is, dan nog is er meer dan voldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster en is derhalve de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed door het hof. De zijdens de verdediging ter ’s hofs terechtzitting gevoerde betogen die in de tweede deelklacht respectievelijk de derde deelklacht worden belicht, heeft het hof kennelijk – en naar het mij voorkomt niet onbegrijpelijk – in beide gevallen niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, zodat het hof in dat verband niet gehouden was tot een nadere motivering als in die bepaling bedoeld. Overigens laat de weerlegging van deze betogen van de verdediging zich genoegzaam afleiden uit de bewijsvoering van het hof, met name uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) jaren.