Conclusie
1.Vereniging Westermeerwindgroep (hierna: ‘de vereniging’)
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
[eiser 3](hierna: ‘ [eiser 3] ’)
1.Feiten
near shore)-windpark ontwikkeld, bestaande uit het buitendijkse gedeelte van het grotere Windpark Noordoostpolder. Het deel van dat park dat door Westermeerwind is ontwikkeld omvat drie lijnopstellingen van in totaal 48 windturbines in het water van het IJsselmeer, twee parallel aan de Westermeerdijk en één parallel aan de Noordermeerdijk (hierna: ‘het project’).
e initiatiefnemers van de diverse projecten zullen moeten kunnen participeren in de projecten voor de Noordermeerdijk en Westermeerdijk (buitendijks)”, zulks “
als vorm van “compensatie” van de afwijzingen die kunnen voortvloeien uit de voorgenomen besluitvorming”over
“het integrale beleid windenenergie”. Daarbij is tevens de bereidheid uitgesproken om in te stemmen met de beleidsvoornemens van de gemeente, waarbij is opgemerkt dat “
indien alle onderscheidene initiatieven gebundeld kunnen worden in de reeds lopende activiteiten en initiatieven van de Westermeerwind B.V., (…) dan kan binnen dit project naar rato van de bestaande initiatieven geparticipeerd worden.” [5]
onze projecten” een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan met Siemens Nederland N.V. (hierna: ‘Siemens’). Voorts schrijft Westermeerwind dat zij van gedachten wil wisselen over de verdere inrichting en voortgang van “
ons participatieproject” en dat zij wil komen “
tot een formele bekrachtiging van uw deelname in onze projecten”, alsmede dat zij aandacht vraagt voor het feit dat de formele wijziging van het planologische beleid van de gemeente het definitieve einde betekent van de mogelijkheid tot de bouw van solitaire en clustergewijze opstellingen van windmolens zonder dat van gemeentewege “
(harde) compensaties” daartegenover zijn gesteld, “
terwijl de formele aanspraken verloren zijn gegaan”.
A-G] in principe vertegenwoordigt. Ten tweede geldt dat ook voor het te ontwikkelen participatiemodel, waarin de individuele (ex)initiatiefnemers van windenergieprojecten benoemd en geplaatst zullen moeten worden.
Deelname verklaring in projecten Westermeerwind B.V. te Creil” (hierna: ‘de deelnameverklaring’), [9] heeft Westermeerwind tijdens de bijeenkomst op 11 januari 2000 uitgedeeld en zij is door de aanwezigen op de bijeenkomst ondertekend en door anderen daarna. In de presentatie “
Realisatie buitendijkse windenergieprojecten in het IJsselmeer, gemeente Noordoostpolder, Voor en door de polder, planopzet” van Westermeerwind en Siemens van augustus 2000 is onder meer vermeld: [10]
(...) Een hoofddoelstelling binnen de projecten is de realisatie op basis van financiering door middel van brede participatie door de initiatiefnemers die eerder hun plannen zagen stranden na afschaffing van het voormalig windenergiebeleid binnen de NOP[Noordoostpolder,
A-G]
(…).”;
“(...) De leden van deze groep zien de deelname in de Westermeerwind-projecten als een volwaardig alternatief voor hun eerdere plannen. Dit, tegen de achtergrond van de door de gemeente gewenste planologische beleidswijziging heeft – onder voorwaarden van substantiële compensatie – mede dankzij de instemming van de leden van de Westermeerwindgroep tot stand kunnen komen. De leden van de Westermeerwindgroep zien de toezeggingen van de gemeente om hen te compenseren in de gevolgen van de afschaffing van het solitaire beleid het best vertaald in directe deelname binnen het samenwerkingsverband Westermeerwind B.V./Siemens.
(…) De compensatieverplichting die de gemeente ten opzichte van veel initiatiefnemers heeft, wordt geheel binnen het Westermeerwind initiatief tot stand gebracht. De Westermeerwindgroep, waarin een groot aantal initiatiefnemers binnen het voormalig gemeentelijk windenergiebeleid zijn verenigd, schaart zich achter het initiatief van Westermeerwind. (...)”.
zoals met u overeengekomen”, heeft vastgehouden aan de participatiebasis voor de leden van de Groep van – in ieder geval – 1 megawatt (hierna: ‘MW’) per deelnemer.
2.
namens” die deelnemers kon instemmen, op die dag zal worden ondertekend omdat de platformpartijen – met uitzondering van de partij die nog niet over de vereiste rechtsvorm beschikt – tot onvoorwaardelijke overeenstemming zijn gekomen. Daarbij heeft Westermeerwind aangetekend dat zij erop vertrouwt dat het convenant onvoorwaardelijk door de gemeente zal worden geaccepteerd en dat zij een gezamenlijke bijeenkomst zal beleggen zodra zij nadere informatie kan verstrekken.
Convenant betreffende realisatie windenergie in de gemeente Noordoostpolder” (hierna: ‘het convenant’) [21] is gesloten tussen Acousticon Windpark B.V., Essent Energie B.V., [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , Samenwerkingsverband Zuidermeerdijk, Vereniging Windenergie Westermeerweg, Westermeerwind en Windpark Creil C.V. i.o. [22] VWIJ heeft het convenant voor akkoord ondertekend.
A-G], als beleidsinzet zal ondersteunen.” [23]
= herbevestiging Convenant”). Als discussiepunten zijn onder meer genoemd “
Moment van verdere uitwerking participatiemogelijkheden” en “
Voorschriften AFM (...)”. [27]
overeenkomst betreffende participaties met betrekking tot de ontwikkeling van windmolenparken in de gemeente Noordoostpolder” gesloten (hierna: ‘de participatieovereenkomst’). Deze houdt in, voor zover relevant: [28]
A-G). [31]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Participatie-verdeling (financiëel)” [lees: financieel,
A-G], maar daarin wordt slechts het aandeel van de Groep in megawatts en het percentage van dat aandeel ten opzichte van het totaal aantal megawatts uitgedrukt. Enige verwijzing of aanwijzing dat WMW dit aandeel tegen kostprijs aan de leden van de Groep dient aan te bieden en dat daaraan gelijke rechten moeten zijn verbonden als aan de aandelen voor de initiatiefnemers, bevat die tabel en ook de Participatienotitie niet. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de door VWIJ c.s. in dit verband aangehaalde uitnodiging van WMW van 30 december 1999 voor de bijeenkomst op 11 januari 2000, de brief van 22 januari 2000, de conceptantwoorden van WMW van 18 januari 2002 op vragen van de Gemeente over de status van de Groep. Over een prijs voor het door de leden van de Groep mogelijk te nemen belang of de daaraan verbonden rechten wordt in die stukken evenmin gerept. In haar brief aan de leden van de Groep van 5 december 2001 (zie (…)) [42] heeft WMW voor het eerst een koppeling gemaakt tussen de maximale participatie van 1 mW per lid van de Groep en een investeringsbedrag met het verzoek aan elk Groepslid om tijdens de bijeenkomst op 20 december 2001 aan te geven in welke mate men “
daadwerkelijk” zal deelnemen en waar die deelname “
zich definitief op richt”, zulks om de “
intentie tot deelname minder vrijblijvend te laten zijn.” In dat verband werd als “
het te investereneigenvermogen” bij een deelname van 1 mW gesteld op “
maximaal € 50.000,00” met de aantekening dat dit bedrag “
globaal genomen” is. Verder werd elk lid in die fase van het Project verzocht de deelname te onderschrijven voor 10% van het door hem “
– naar de schatting van dit moment – uiteindelijk in te brengen eigen vermogen op de investering.” Tijdens de bijeenkomst op 20 december 2001 is een en ander tezamen met een concept van de Participatienotitie aan de orde geweest en is daarmee ingestemd, zoals WMW ook in haar brief van 18 januari 2002 aan de leden van de Groep heeft bevestigd (zie (…)). [43] Niet duidelijk is echter of die instemming ook betrof dat de leden van de Groep hun individuele belang tegen kostprijs kunnen verwerven. Dit volgt niet uit laatstgenoemde brief, waarbij immers is meegedeeld dat WMW nog geen nadere gegevens kan verstrekken op basis waarvan de leden van de Groep definitief kunnen beslissen. Ook in de brief van 5 december 2001 is niet vermeld dat het bij de daar genoemde bedragen als investering op het eigen vermogen om de kostprijs van de participatie gaat. Over de aan de aandelen verbonden rechten is in of blijkens deze stukken echter niets vermeld. Dat is niet anders doordat WMW op 15 april 2002 heeft ingestemd met het Convenant en de daarbij behorende Participatienotitie, die wat betreft de verdeling inhoudelijk overeenstemde met het concept waarmee op 20 december 2001 is ingestemd. Ook de bevestiging van WMW aan de leden van de Groep van 1 november 2002 in aansluiting op het besluit van de raad van de Gemeente dat de Gemeente het Convenant “
onvoorwaardelijk” heeft geaccepteerd, leidt niet zonder meer tot die slotsom. Dat besluit ziet immers op het Convenant en de Participatienotitie als onderdeel daarvan en daarin wordt, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet gerept over participatie tegen kostprijs, noch over de daaraan verbonden rechten. De mededeling van WMW in laatstgenoemde brief dat de participatie en de omvang daarvan met het besluit van de Gemeente vast ligt, ziet dan blijkens de inhoud en strekking van de hier besproken correspondentie op de
maximaledeelname van elk lid van de Groep via een daartoe op te richten entiteit voor 1 mW, doch niet op de prijs waarvoor elk individueel lid van de Groep zijn participatie kan verwerven, noch op de aan die participatie verbonden rechten. Wat betreft die rechten kan de rechtbank zich voorstellen dat het voor de (organisatie)structuur van de projectvennootschap fiscaal of anderszins voordelig(er) kan zijn om verschillende typen aandelen uit te geven met verschillende zeggenschaps- en/of winst- en/of andere rechten worden verbonden, waarmee onder instandhouding van het hiervoor genoemde basisprincipe zowel kan worden bereikt dat de participanten, meer in het bijzonder de leden van de Groep, kan worden aangeboden om een aandelenbelang van maximaal 75% respectievelijk 30% in de projectvennootschap te nemen, alsook dat tegemoet kan worden gekomen aan het verlangen van de bank om een ‘change of control’ in de projectvennootschap bij uitgifte van de aandelen te voorkomen.”
grief 2 in het incidenteel hoger beroepen een aantal subgrieven (hoewel zij op zich geen bezwaar hebben tegen de participatie als zodanig, waartoe de rechtbank hen heeft veroordeeld, aan welke veroordeling zij hebben voldaan en die zij niet zullen terugdraaien; in zoverre is niet helemaal duidelijk waarom WMW c.s. hierover incidenteel appelleren). Het belang van de vereniging c.s. bij een oordeel hierover lijkt overigens gering zonder een voor hen gunstige beslissing over de prijs voor een participatie.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
gestelde toezegging” niet is gedaan. [54] Het onderdeel betoogt dat het hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de leden van de Groep tegen kostprijs kunnen participeren. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen die voornamelijk de begrijpelijkheid van dit oordeel aanvallen.
gestelde toezegging” niet is gedaan. [55] Volgens het subonderdeel heeft het hof in deze rechtsoverwegingen een onbegrijpelijk beperkte uitleg gegeven aan de stellingen van de vereniging c.s., althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De vereniging c.s. hebben aangevoerd dat indien (onder meer) de brief van Westermeerwind van 5 december 2001 al niet kwalificeerde als een toezegging, Westermeerwind met (onder meer) deze brief in ieder geval het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de leden van de Groep tegen kostprijs konden participeren (art. 3:35 BW Pro). De vereniging c.s. hebben erop gewezen dat als Westermeerwind toch nog alle opties open wilde houden, terwijl zij concrete informatie deelde die erop duidde dat zij de participatie tegen kostprijs aan de Groep zou aanbieden (waaronder de brief van 5 december 2001), Westermeerwind dit duidelijk had moeten maken. De vereniging c.s. hebben voorts gesteld dat het voor Westermeerwind duidelijk had moeten zijn dat de leden van de Groep uitgingen van een dergelijke participatie, gelet op wat Westermeerwind wél had gezegd en gedaan en gezien het uitgangspunt dat het project een volwaardig alternatief was voor hun opgegeven projecten. [56] Volgens het subonderdeel kan dit betoog niet anders worden begrepen dan dat de vereniging c.s. zich (mede) op de brief van 5 december 2001 hebben beroepen ter onderbouwing van (niet alleen hun primaire standpunt dat ook Westermeerwind uitging van participatie tegen kostprijs, maar ook) hun subsidiaire standpunt dat de leden van de Groep op een dergelijke participatie mochten vertrouwen. Althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door dit op art. 3:35 BW Pro gebaseerde betoog van de vereniging c.s. daarin niet kenbaar te betrekken. Daaraan voegt het subonderdeel nog toe dat een deugdelijke motivering evenmin kan worden gelezen in rov. 4.23 en 4.24 van het tussenarrest omdat het hof zich daar – in het bijzonder blijkens de motivering van zijn beslissing om [betrokkene 3] te horen – eveneens concentreert op, kort gezegd, welke
bedoeling bij Westermeerwind voorzat.
ofeen rechtshandeling tot stand is gekomen, maar ook bij de in het verlengde hiervan liggende vraag
welke inhoudzij heeft. [62] Of een rechtshandeling tot stand is gekomen en, zo ja, welke inhoud zij heeft, is volgens vaste rechtspraak van Uw Raad afhankelijk van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [63] De beoordeling van de vraag of een rechtshandeling tot stand is gekomen en, zo ja, met welke inhoud is in hoge mate feitelijk en leent zich daarom slechts beperkt voor toetsing in cassatie. Als de rechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd, kan de uitleg in cassatie alleen worden getoetst op zijn begrijpelijkheid. Daarbij geldt dat een uitleg niet reeds onbegrijpelijk is als een andere uitleg ook mogelijk zou zijn geweest. [64]
A-G):
De vorderingen van de vereniging c.s. zijn gestoeld op een contractuele grondslag: zij stellen dat met WMW een overeenkomst over participatie tegen kostprijs is gesloten,dan wel dat WMW een rechtens afdwingbare toezegging tot een dergelijke participatie heeft gedaan, waarop de leden van de Groep gerechtvaardigd hebben mogen vertrouwen.”
De vereniging c.s. hebben verschillende juridische grondslagen gesteld op grond waarvan volgens hen jegens WMW door/voor de leden van de Groep het recht op participatie (in, inmiddels, het aandelenfonds) kan worden afgedwongen, doordat WMW zich daartoe heeft verbonden. Zij baseren zich voor een dergelijke verbintenis onder meer op (een derdenbeding in) het Convenant, op een met WMW gesloten overeenkomst,dan wel op door WMW gedane toezeggingen over participatie waarop de leden van de Groep gerechtvaardigd mochten vertrouwen.”
A-G):
“(…) Zo van een overeenkomst geen sprake is, is tegen de achtergrond van de in 4.15 geschetste context en ontwikkelingen, in ieder geval een rechtsverhouding ontstaan op grond waarvan de door WMW gedane uitlatingen als een bindende toezegging van WMW tot participatie aan de leden van de Groep kunnen worden gekwalificeerd,waarop zij in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd hebben mogen vertrouwen. Op grond van die toezegging kan in dit geval een rechtens afdwingbare verbintenis worden aangenomen.”
WMW baseert haar standpunt dat van een dergelijke verbintenis geen sprake is mede op de deelnemingsverklaring die de leden van de Groep in januari 2000 hebben ondertekend. (…) De verklaring kan dan ookniet afdoen aan het gerechtvaardigde vertrouwen dat bij de leden is gewekt dat zij konden participeren in het project op basis van een bindende toezegging daartoe van WMW.”
A-G):
(…) Tegen die achtergrond is het niet zonder meer vanzelfsprekend of logisch om een participatie door de leden van de Groep toe te staan die ertoe leidt dat tegen een fractie van het door anderen ingelegde bedrag dividend uitkeringen in dezelfde orde van grootte als die anderen kunnen worden ontvangen.Dat WMW toch een toezegging tot participatie tegen kostprijs met een dergelijk gevolg heeft beoogd te doen - - is op voorhand niet aannemelijk.”
(…) Het door de vereniging c.s. geïntroduceerde en nader gedefinieerde begrip ‘kostprijs’ komt in de brief van 5 december 2001 als zodanig niet voor. Niet blijkt dat deze term met de daaraan volgens de vereniging c.s. toekomende betekenis van WMW afkomstig is.Op grond daarvan kan dus evenmin geoordeeld worden dat WMW heeft bedoeld een dergelijke toezegging te doen, waarop de leden van de Groep gerechtvaardigd hebben mogen vertrouwen.”
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in 4.3.26 van het tussenvonnis van 20 december 2017 datuit geen van de overgelegde stukken met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat aan de leden van de Groep is toegezegd dat zij hun (individuele) aandeel tegen kostprijs kunnen verkrijgen.”
Het hof ziet aanleiding dat bewijsaanbod – het horen van [betrokkene 3] – te honoreren, omdat verklaringen van [betrokkene 3]dat bij de mededelingen van de zijde van WMW tijdens de bijeenkomst van 20 december 2001 de bedoeling voorzat om de participatie tegen kostprijs aan te bieden mogelijk een ander licht werpen op wat tijdens die bijeenkomst is besproken en wat van het daarvan opgemaakte verslag begrepen moet worden.”
Afgezien van het feit dat de vereniging c.s. pas in dit stadium van de procedure aantekeningen van [eiser 2] in het geding brengen, overweegt het hof dat ook deze aantekeningen niet bijdragen aan bewijs van de stelling van de vereniging c.s. dat bij de mededelingen van de zijde van WMW tijdens de bijeenkomst van 20 december 2001 de bedoeling voorzat om de participatie tegen kostprijs aan de leden van de Groep aan te bieden. (…) Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit zonder meer tegen kostprijs zou zijn,of waarom WMW hiermee het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de leden van de Groep in het gezamenlijke project tegen kostprijs zouden participeren.”
bedoelingbij Westermeerwind voorzat. Het hof heeft zich niet enkel geconcentreerd op de vraag welke bedoeling bij Westermeerwind voorzat, maar ook beoordeeld in hoeverre de leden mochten vertrouwen op met de wil (bedoeling) van Westermeerwind afgelegde verklaringen/gedragingen. Bij de uitleg van de toezegging tot participatie van Westermeerwind heeft het hof, conform de in randnummer 3.7 genoemde maatstaf, beoordeeld of de leden van de Groep een toezegging tot participatie tegen
kostprijsis gedaan door Westermeerwind, dan wel of zij redelijkerwijs konden vertrouwen dat Westermeerwind hen een toezegging tot participatie tegen
kostprijsheeft willen doen. Daarbij wordt uiteraard (ook) de bedoeling van Westermeerwind betrokken. Het gaat bij de uitleg van een rechtshandeling immers om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen omtrent hun wederzijdse
bedoelingenhebben mogen afleiden en wat hen op die grond kan worden toegerekend. [66] Ten overvloede merk ik nog op dat het gezien het bewijsaanbod van de vereniging c.s. en VWIJ ook niet onbegrijpelijk is dat het hof zich in rov. 4.24 bij zijn motivering om [betrokkene 3] te horen, heeft gericht op welke “
bedoeling” bij Westermeerwind voorzat. In eerste aanleg hebben de vereniging c.s. en VWIJ namelijk aangeboden om [betrokkene 3] te horen omdat hij zou kunnen verklaren dat Westermeerwind c.s. “
er ook vanuit ging datde Groep tegen Kostprijs zou participeren” (onderstreping toegevoegd door mij,
A-G). [67]
subonderdeel 2.2keert het middel zich tegen rov. 4.21, 4.22 en 4.23 van het tussenarrest. Het bestaat in wezen uit drie sub-subonderdelen.
eerste sub-subonderdeelstelt dat het hof in deze rechtsoverwegingen slechts de afzonderlijke uitlatingen van Westermeerwind ieder voor zich heeft beoordeeld en daarom heeft miskend dat verbintenissen ook kunnen voortvloeien uit meerdere verklaringen en/of gedragingen in onderlinge samenhang, óók in die zin dat de wederpartij dit samenstel heeft mogen opvatten als uiting van de wil tot een verbintenis (art. 3:35 BW Pro).
tweede sub-subonderdeel, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door de afzonderlijke uitlatingen van/zijdens Westermeerwind ieder voor zich te beoordelen, zonder kenbare aandacht voor de onderlinge samenhang daarvan. [68]
derde-sub-subonderdeelgeldt dit in het bijzonder voor drie uitingen/gedragingen (waaronder nalaten) van Westermeerwind. Volgens het sub-subonderdeel sluiten deze zodanig naadloos [69] op elkaar aan, dat zonder een daarop toegesneden motivering niet is in te zien dat zij niet minstens in onderling verband beschouwd grond boden voor een toezegging van Westermeerwind als door de verenging c.s. is gesteld, althans dat de groepsleden daarop mochten vertrouwen. Het gaat dan om de volgende uitlatingen van Westermeerwind:
ons project") een volwaardig alternatief/compensatie zou bieden voor de eigen projecten die de groepsleden opgaven door geen bezwaar te maken tegen het nieuwe beleid van de gemeente, zodat Westermeerwind de gemeente aan haar zijde zou krijgen; [70]
door u" (het aangeschreven groepslid) uiteindelijk in te brengen eigen vermogen op de investering, welk eigen vermogen uiteen zou lopen van € 5.000 bij 100 kW (5% van een investering van € 100.000) tot € 50.000 bij 1 MW (5% van een investering van € 1.000.000). Uitgaande van een inbreng van 10% van het uiteindelijk in te brengen vermogen vroeg Westermeerwind in deze brief vast een betaling van € 500 tot € 5.000. Dit sloot aan bij het gebruik dat het te storten eigen vermogen ca. 5% bedroeg van het totaal benodigde kapitaal voor een bepaalde hoeveelheid kW/MW en dat voor elke MW een totaal kapitaal nodig was van ca. € 1 miljoen (zie nader subonderdeel 2.3); [71]
geen van de overgelegde stukken met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat aan de leden van de Groep is toegezegd dat zij hun (individuele) aandeel tegen kostprijs kunnen verkrijgen.” In rov. 4.3.26. van het bedoelde tussenvonnis heeft de rechtbank de verschillende door de vereniging c.s. aangedragen stukken besproken en deze ook in hun onderlinge samenhang bezien. Het gaat om de volgende stukken: de concept participatienotitie bij het concept convenant, de in dat verband door de vereniging c.s. aangehaalde uitnodiging van Westermeerwind van 30 december 1999 voor de bijeenkomst van 11 januari 2000, de brief van 22 januari 2000, de conceptantwoorden van Westermeerwind van 18 januari 2002 op vragen van de gemeente over de status van de Groep, de brief van Westermeerwind aan de leden van de Groep van 5 december 2001, het verhandelde bij de bijeenkomst van 20 december 2001 (zoals het in de brief van 5 december 2001 genoemde “
te investeren eigen vermogen” en de concept participatienotitie), de brief van Westermeerwind aan de leden van de Groep van 18 januari 2002, het definitief instemmen van Westermeerwind op 15 april 2002 met het convenant en de daarbij horende participatienotitie en de bevestiging van Westermeerwind aan de leden van de Groep van 1 november 2002 in aansluiting op het besluit van de gemeenteraad dat de gemeente het convenant “
onvoorwaardelijk” heeft geaccepteerd. Dat de rechtbank in rov. 4.3.26. de verschillende stukken in onderlinge samenhang heeft bezien, blijkt ook uit het volgende citaat waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de mededeling van Westermeerwind in de brief van 1 november 2002 dat de participatie en de omvang daarvan met het besluit van de gemeente vast ligt, “
blijkens de inhoud en strekking van de hier besproken correspondentie” [onderstreping toegevoegd door mij,
A-G] ziet “
op de maximale deelname van elk lid van de Groep via een daartoe op te richten entiteit voor 1 mW, doch niet op de prijs waarvoor elk individueel lid van de Groep zijn participatie kan verwerven, noch op de aan die participatie verbonden rechten.”
context”. [75] Daaruit valt af te leiden dat het hof beide uitlatingen van (de zijde van) Westermeerwind in samenhang met andere uitlatingen/omstandigheden heeft beoordeeld. Verder wijs ik op rov. 4.24. Na in rov. 4.21-4.23 de door de vereniging c.s. aangedragen omstandigheden die zouden wijzen op een participatie tegen kostprijs te hebben beoordeeld, begint het hof rov. 4.24 met “
Bij deze stand van zaken kan het hof (nog) niet tot het oordeel komen dat de door de vereniging c.s. gestelde toezegging (of aanbod) is gedaan.” In deze tussenconclusie ligt besloten dat het hof de in rov. 4.21-4.23 beoordeelde omstandigheden, zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang, als onvoldoende heeft beoordeeld om (op dat moment) tot de conclusie te komen dat Westermeerwind participatie tegen kostprijs heeft toegezegd. Deze tussenconclusie heeft het hof in rov. 2.10 van het eindarrest herhaald waarna het in rov. 2.19 van het eindarrest definitief tot deze conclusie is gekomen.
niet minstensin onderling verband beschouwd grond boden voor een toezegging van Westermeerwind als door de vereniging c.s. is gesteld, althans dat de groepsleden daar op mochten vertrouwen” (onderstreping toegevoegd door mij,
A-G) maakt de uitleg van het hof dat Westermeerwind geen toezegging tot participatie tegen kostprijs heeft gedaan nog niet onbegrijpelijk. Ik zie daarbij ook niet in hoe de stelling dat de door het derde sub-subonderdeel genoemde uitingen/gedragingen van Westermeerwind volgens de vereniging c.s. “
zodanig op elkaar aansluiten” de door het hof gegeven uitleg onbegrijpelijk maakt of dat om die enkele reden van het hof mocht worden verwacht dat het een daarop toegesneden motivering had moeten geven. Zoals ik heb toegelicht in randnummers 3.11 en 3.20-3.22, heeft het hof in rov. 4.20-4.24 de verschillende door de vereniging c.s. aangedragen omstandigheden zowel afzonderlijk als in samenhang bezien en kenbaar betrokken bij zijn uitleg van de toezegging tot participatie van Westermeerwind. Het heeft daarbij op een begrijpelijke wijze geoordeeld dat Westermeerwind geen toezegging tot participatie tegen kostprijs heeft gedaan en dat de leden van de Groep er ook niet op mochten vertrouwen dat zij konden participeren tegen kostprijs.
in de context van de bijeenkomst” onvoldoende is om daaruit af te leiden dat Westermeerwind een toezegging tot participatie tegen kostprijs heeft gedaan. Dat het hof daarin niet expliciet aandacht heeft besteed aan de stelling van de vereniging c.s. dat Westermeerwind niet heeft gemeld dat de besproken rendementsprognoses alleen zouden gelden voor de initiatiefnemers van het project en niet voor de leden van de Groep, die voor de bijeenkomst waren uitgenodigd, maakt dit oordeel nog niet onbegrijpelijk. Deze stelling doet namelijk niets af aan de verschillende door het hof in rov. 4.23 genoemde feiten en omstandigheden die bij de context van de bijeenkomst zijn betrokken en die het oordeel van het hof dragen dat het niet voor de hand lag dat Westermeerwind, in de fase waarin het project zich bevond, tijdens de bijeenkomst aan de leden van de Groep een toezegging over de prijs heeft gedaan, laat staan dat is toegezegd dat kan worden geparticipeerd tegen de kostprijs. Voor zover het sub-subonderdeel verwijst naar subonderdeel 2.4, deelt het hetzelfde lot als dat subonderdeel. Zie daarover randnummers 3.37-3.42 hierna.
samenhang” besproken, zij het niet met de door het middel beoogde resultaat. Het derde sub-subonderdeel kan daarom niet worden gevolgd in zijn stelling dat het hof een op de samenhang van deze aangedragen uitlatingen toegesneden motivering had moeten geven om begrijpelijk te maken waarom niet is in te zien dat de aangedragen uitlatingen niet minstens in onderling verband beschouwd grond boden voor een toezegging van Westermeerwind als door de vereniging c.s. gesteld, althans dat de leden van de Groep daar gerechtvaardigd op mochten vertrouwen.
referentie aan het eigen vermogen” was, aldus het hof,
in die contextbedoeld om het drempelbedrag te kunnen bepalen. Ik meen dat deze context voldoende duidelijk uit de brief blijkt: [87]
Betreft:uitnodigingbijeenkomst 20 december” (aanhef);
de positie van de Westermeerwindgroep behoorlijk ter discussie heeft” gesteld. Omdat Westermeerwind heeft ingezet op een vaste maximum claim van 1 MW per lid van de Groep maakte de gemeente zich zorgen dat er “
te weinig vermogen resteert voor derden die nu de wens tot deelname kenbaar zullen maken” (tweede alinea);
meerdere modellen” voor de “
mogelijke participatie” en dat Westermeerwind met de leden van de Groep daarover graag in gesprek gaat zodat die opties verder kunnen worden uitgewerkt, wordt specifiek het andere doel van de aankomende bijeenkomst genoemd, namelijk om “
de daadwerkelijke omvang van de participatie” van de leden van de Groep helder te krijgen zodat dit “
naar de gemeente toe inzichtelijk” kon worden gemaakt (vierde alinea);
in de bandbreedte van 100 kW tot 1 mW” de deelname van de leden van de Groep zich definitief op richt (vijfde alinea);
intentie tot deelname minder vrijblijvend te laten zijn” heeft Westermeerwind voorgesteld dat de leden van de Groep “
in deze fase van het project” hun deelname onderschrijven door 10% van het door hen “
naar de schatting van dit moment” uiteindelijk in te brengen eigen vermogen op de investering inbrengen (zesde alinea);
Globaal genomen” zou het te investeren eigen vermogen uiteenlopen van minimaal € 5000 bij 100 kW tot maximaal € 50.000 bij 1 MW (zevende alinea);
zal worden gebruikt in de projectontwikkelfase, doch als een voorschot op uw uiteindelijke werkelijke participatie zal worden beheerd”(negende alinea).
onmiskenbaar” uitging van een investering tegen kostprijs is door het hof gemotiveerd verworpen. Uit de brief kan niet worden afgeleid dat aan de leden van de Groep is toegezegd dat zij konden participeren tegen kostprijs. Dat het destijds gebruikelijk zou zijn dat 5% van het vermogen door aandeelhouders bijeen werd gebracht en de overige 95% door verschaffers van vreemd vermogen en dat het te investeren eigen vermogen voor de groepsleden daarom goed te plaatsen is, maakt de uitleg die het hof aan de brief heeft gegeven nog niet onbegrijpelijk. De door het hof gegeven uitleg van deze brief blijft staan: de koppeling tussen het eigen vermogen en het drempelbedrag moet worden gezien in de context van de brief. Het te betalen drempelbedrag was bedoeld om de participatie minder vrijblijvend te maken en om de omvang van de participatie naar de gemeente toe inzichtelijk te maken. Ten aanzien van de laatste stelling van de tweede alinea van het subonderdeel, het uitgangspunt van de participatie was dat het project een volwaardig alternatief zou zijn voor de door de leden van de Groep opgegeven eigen windprojecten, miskent het subonderdeel wat het hof daarover in rov. 4.21 heeft geoordeeld. Volgens het hof kon de enkele omstandigheid dat de leden van de Groep hun plannen voor een eigen windmolen hebben opgegeven nog niet aantonen dat dit met een participatie tegen kostprijs moest worden gecompenseerd en dat Westermeerwind een dergelijke compensatie heeft toegezegd. Daarvoor zijn de door de vereniging c.s. gebruikte termen ‘volwaardig alternatief’ en ‘compensatie’ als zodanig onvoldoende precies en bepaald; zij sluiten participatie tegen een andere, hogere, prijs ook niet uit. Daarbij waren de plannen van de leden van de Groep in veel gevallen verre van concreet en het daarmee te behalen rendement onzeker. Deze stelling kan dus ook niets aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 4.22 afdoen.
5 % Financiering met Eigen Vermogen". De presentatie noemt vervolgens voor een realistisch, een positief en een negatief scenario het "
Rendement op Eigen Vermogen" van 15,7%, 21,2%, respectievelijk 8%. [91] De vereniging c.s. hebben toegelicht dat het onzinnig zou zijn om stil te staan bij deze rendementen als die niet relevant waren voor de mensen die op 20 december 2001 waren uitgenodigd (de groepsleden). Westermeerwind had, als dat toch haar bedoeling was, moeten uitspreken dat de rendementsprognoses alleen voor haar golden en niet voor de leden van de Groep. [92] Gelet op een en ander maakt de enkele omstandigheid dat op 20 december 2001 nog sprake was van de door het hof genoemde onzekerheid over het realiseren van het windpark, welke financiering daarvoor nodig was en wat het tijdpad daarvoor was, niet begrijpelijk waarom de leden van de Groep hadden moeten weten dat de toen besproken rendementen geen betrekking hadden op de door hen te verrichten investering. Het is niet (zonder meer) begrijpelijk dat deze onzekerheden een afwijking van de toegezegde investering tegen kostprijs zouden rechtvaardigen; zij konden er hooguit toe leiden dat de kostprijs zelf hoger of lager uit zou vallen. [93]
de enkele omstandigheid dat op 20 december 2001 nog sprake was van de door het hof genoemde onzekerheid over het realiseren van het windpark, welke financiering daarvoor nodig was en wat het tijdpad daarvoor was” nog andere omstandigheden in aanmerking heeft genomen op basis waarvan het heeft geoordeeld dat “
de leden van de Groep hadden moeten weten dat de toen besproken rendementen geen betrekking hadden op de door hen te verrichten investering.” In rov. 4.23 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat in de presentaties tijdens de betreffende bijeenkomst over rendementen is gesproken onvoldoende was om “
op basis daarvan,in de context van de bijeenkomst, de door de vereniging c.s. bedoelde toezegging af te leiden” (onderstreping toegevoegd door mij,
A-G). In deze context moeten niet alleen de hiervoor genoemde ‘onzekerheden’ worden meegenomen, maar ook hetgeen het hof verder in rov. 4.23 heeft geoordeeld. Het gaat dan om de volgende, niet door het subonderdeel bestreden, omstandigheden waaruit volgens het hof evenmin kan worden afgeleid dat Westermeerwind een dergelijke toezegging heeft gedaan: uit het gespreksverslag van de bijeenkomst blijkt dat een dergelijke toezegging niet is gedaan, de bijeenkomst was niet specifiek gericht op het bespreken van de prijs voor participatie maar de nadruk lag op het participatievolume, Westermeerwind heeft tijdens de bijeenkomst geen concreet voorstel gedaan tegen welke prijs kan worden geparticipeerd, er is tijdens de bijeenkomst ook niet gesproken over de wijze waarop de definitieve prijs zou worden vastgesteld, in andere brieven die na de bijeenkomst zijn verstuurd wordt op geen enkele wijze gerefereerd aan de door de vereniging c.s. gestelde ‘kostprijs’, geen van de leden heeft erop aangedrongen dat het besproken drempelbedrag ook daadwerkelijk werd betaald of daarover nadere informatie werd verstrekt en uit het dossier bleek dat geen van de betrokkenen na de bijeenkomst van 20 december 2001 nog is teruggekomen op het te betalen drempelbedrag.
scenario’s” waren. [94] Dat er gedurende de bijeenkomst over rendementen werd gesproken, was dus wel degelijk relevant voor de aanwezige leden, zij het dat het bedoeld was om de leden te overtuigen dat het project in algemene zin rendabel zou zijn en dat de geschetste rendement-scenario’s gepaard gingen met grote onzekerheden en aannames.