Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiser sub 3],
[eiser sub 4],
7 [gedaagde sub 7] ,
[gedaagde sub 8],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 8 juni 2016 (het tussenvonnis)
- de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis en akte houdende overlegging van producties
- de conclusie van dupliek
- het op 18 juli 2017 opgemaakte proces-verbaal van de comparitie op 22 mei 2017
- de brieven van mr. Van Dam van 26 juli 2017 en van mr. Katan van 27 juli 2017 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie.
2.De feiten
‘near shore’-windpark bestaande uit het buitendijkse gedeelte van het Windpark Noordoostpolder. Het omvat drie lijnopstellingen van in totaal 48 windturbines in het water van het IJsselmeer, twee parallel aan de Westermeerdijk en één parallel aan de Noordermeerdijk. Deze lijnopstellingen worden ontwikkeld door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft de ontwikkeling van het Project vanaf 2007 uitbesteed aan [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), van wie de heer [A] (zoon van [gedaagde sub 8] , hierna ook: [A] ) jr. en mevrouw [B] (dochter van [gedaagde sub 8] ) bij oprichting aandeelhouder waren en via [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. bestuurder zijn.
“[d]e initiatiefnemers van de diverse projecten zullen moeten kunnen participeren in de projecten voor de Noordermeerdijk en de Westermeerdijk (buitendijks)”, zulks
“als vorm van ‘compensatie’ van de afwijzingen die kunnen voortvloeien uit de voorgenomen besluitvorming”over
“het integrale beleid windenenergie”. Daarbij is tevens de bereidheid uitgesproken om in te stemmen met de beleidsvoornemens van de Gemeente, waarbij is opgemerkt dat
“indien alle onderscheidene initiatieven gebundeld kunnen worden in de reeds lopende activiteiten van [ [gedaagde sub 1] ], dan kan binnen dit project naar rato van de bestaande initiatieven geparticipeerd worden.”Ook werd volgens die verklaring in de door de Gemeente voorgenomen besluitvorming in samenhang met de aansluiting bij de reeds bestaande initiatieven en de rechtsvorm van [gedaagde sub 1] een basis gezien voor samenwerking en
“goede mogelijkheden om de eigen initiatieven te verlaten en de krachten te bundelen en ruimte te bieden voor de brede participatiegedachte.”
“onze projecten”een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan met Siemens Nederland B.V. (hierna: Siemens). Voorts schrijft [gedaagde sub 1] dat zij van gedachten wil wisselen over de verdere inrichting en voortgang van
“ons participatieproject”en dat zij wil komen
“tot een formele bekrachtiging van uw deelname in onze projecten.”,alsmede dat zij aandacht vraagt voor het feit dat de formele wijziging van het planologische beleid van de Gemeente het definitieve einde betekent van de mogelijkheid tot de bouw van solitaire en clustergewijze opstellingen van windmolens zonder dat van gemeentewege
“(harde) compensaties”daartegenover zijn gesteld,
“terwijl de formele aanspraken verloren zijn gegaan.”
“Deelname verklaring in projecten [ [gedaagde sub 1] ] te Creil”(hierna: de Deelnameverklaring), heeft [gedaagde sub 1] tijdens de bijeenkomst op 11 januari 2000 uitgedeeld en zij is door de aanwezigen op de bijeenkomst ondertekend en door anderen daarna. De Deelnameverklaring houdt in:
Ondergetekende,
- de realisering van windenergieprojecten langs de Wester- en de Noordermeerdijk (buitendijks) in de gemeente Noordoostpolder;
- het ontwikkelen van een participatiemodel gericht op deelname in de [gedaagde sub 1] -projecten door deelnemers in de Westermeerwindgroep en inwoners van de Noordoostpolder;
- het voorstaan/behartigen van de belangen van de tot de Westermeerwindgroep behorende initiatiefnemers van windenergieprojecten in de gemeente Noordoostpolder bij het gemeentebestuur van Noordoostpolder, waaronder met name de planologische belangen;
- deze verklaring wordt gezien als een
- [ [gedaagde sub 1] ] kan en zal door ondergetekende niet aansprakelijk worden gesteld in het kader van deze deelnamebevestiging en de daaruit voortvloeiende belangenbehartiging van ondergetekende;
- aan deze verklaring en de daaruit voortvloeiende verbintenis kunnen geen rechten worden ontleend;
- rechten worden pas verkregen na vaststelling van het definitieve participatiemodel en de overeenkomst(en) die op basis daarvan zullen worden aangegaan.”
“info VWIJ-bijeenkomst”bericht [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 3] , lid van de Groep, met betrekking tot de voortgang van een en ander dat zij wat betreft de oprichting van het
“platform windenergie, waarin wij ook u vertegenwoordigen, helaas nog geen concrete voortgang [kunnen] melden.”
“Realisatie buitendijkse windenergieprojecten in het IJsselmeer, gemeente Noordoostpolder, Voor en door de polder, planopzet”van [gedaagde sub 1] en Siemens van augustus 2000 is onder meer vermeld:
“zoals met u afgesproken”, heeft vastgehouden aan de participatiebasis voor de leden van de Groep van – in ieder geval – 1 mW per deelnemer, alsmede dat het model voorziet in een entiteit voor de leden van de Groep binnen de totale planopzet/organisatiestructuur van het project.
eigenvermogen uiteenlopen van:
- minimaal € 5.000,- bij 100 kW (5% van een investering van € 100.000,-) tot
- maximaal € 50.000,- bij 1 mW (5% van een investering van plm. € 1.000.000,-)
- € 500,- als minimum en
- € 5.000,- als maximum.
“namens”die deelnemers kon instemmen, op die dag zal worden ondertekend omdat de Platformpartijen - met uitzondering van de partij die nog niet over de vereiste rechtsvorm beschikt - tot onvoorwaardelijke overeenstemming zijn gekomen. Daarbij tekent [gedaagde sub 1] aan dat zij erop vertrouwt dat het convenant onvoorwaardelijk door de Gemeente zal worden geaccepteerd en dat zij een gezamenlijke bijeenkomst zal beleggen zodra zij nadere informatie kan verstrekken.
A. Participatievormen
- 75% van het gerealiseerde vermogen komt beschikbaar voor participatie.
- Van de overige 25% is een klein deel (4 MW) bestemd voor [gedaagde sub 8] / [gedaagde sub 7] ter compensatie van het opgeven van hun belangen aan de Westermeerdijk binnendijks.
- Het resterende deel van de 25% zal ten goede komen aan de initiatiefnemers:
- Bij Westermeerdijk buitendijks zijn dit [ [gedaagde sub 1] ] (8 MW) en Essent (8 MW);
- Bij Noordermeerdijk buitendijks zijn dit [ [gedaagde sub 1] ] (1,6 MW***) en Windpark Creil CV i.o. (6 MW)
- [gedaagde sub 1] Groep (40%)
- Groep ‘Overige Agrariërs’ (45%)
- Bewoners NOP (15%)
“de planvorming zoals deze is weergegeven in de overeenkomst[toevoeging rechtbank: het Convenant]
, als beleidsinzet zal ondersteunen.”Dit besluit heeft zij genomen met inachtneming van de daaraan voorafgaande overwegingen, onder meer:
“overeenkomst betreffende participaties met betrekking tot de ontwikkeling van windmolenparken in de gemeente Noordoostpolder”gesloten (hierna: de Participatieovereenkomst). Deze houdt in, voor zover relevant:
1.UITGANGSPUNTEN
3.PROSPECTUS
“= herbevestiging Convenant”). Als discussiepunten zijn onder meer genoemd
“Moment van verdere uitwerking participatiemogelijkheden”en
“Voorschriften AFM (…)”.
“pijnpunten”worden weggenomen. Verder deelt VWIJ mee dat zij overweegt om zich met de Vereniging WMWG te verenigen in een procedure indien [gedaagde sub 1] niet binnen 14 dagen bevestigt dat zij bereid is tot dat overleg, noch de
“pijnpunten”zal wegnemen.
3.Het geschil
primair) een totaalbelang van 12,3% van de economische en juridische eigendom van het Project, vertaald in 12,3% van de aandelen in [gedaagde sub 1] , althans (
subsidiair) een percentage van de economische en juridische eigendom van het Project dat de rechtbank in goede justitie geraden acht;
primair) 0,9375% dan wel (
subsidiair) een belang van 0,6944% van het totale aandelenkapitaal in [gedaagde sub 1] althans het Project tegen betaling van de kostprijs van het aangeboden belang, welke prijs (in geval het primaire wordt toegewezen) € 34.659,00 bedraagt, dan wel (in geval het subsidiaire wordt toegewezen) € 25.671,73 bedraagt, althans een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige te bepalen kostprijs;
“rechthebbende van het derdenbeding.”Daarnaast is sprake van een overeenkomst tussen de leden van de Groep en [gedaagde sub 1] op basis waarvan de leden van de Groep individueel aanspraak hebben op een aandelenbelang van 0,9375%, althans 0,6944% tegen kostprijs en met dezelfde rechten als zijn verbonden aan het maximale aandelenbelang van 12,3% dat [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 8] direct en indirect in het Project kunnen nemen.
4.De beoordeling
“ [gedaagde sub 1] initiatief”tot stand wordt gebracht (zie 2.1.16). Een en ander heeft [gedaagde sub 1] meegenomen in de onderhandelingen over het Convenant. Deze zijn in september 2001 uitgemond in een concept, dat voorzag in een deelname van in ieder geval 1 mW per deelnemer en een entiteit voor de leden van de Groep naast [gedaagde sub 1] in de planopzet/organisatiestructuur. De Gemeente heeft vervolgens over de door haar als bevoorrecht gevoelde positie van de Groep vragen aan [gedaagde sub 1] heeft gesteld. Voorts volgt uit de bevestiging van [gedaagde sub 1] aan de leden van de Groep op 6 november 2001 dat zij conform de met de leden daarover gemaakte afspraak tegenover de op dat moment toekomstige partijen bij het Convenant en de Gemeente zal vasthouden aan de participatiebasis voor de leden van de Groep van in ieder geval 1 mW per deelnemer en een participatiemodel dat voorziet in een entiteit voor de leden van de Groep binnen de totale planopzet en organisatiestructuur van het Project (zie 2.1.17). Blijkens de daarop volgende contacten en het Convenant met bijbehorende Participatienotitie (zie 2.1.19 tot en met 2.1.27), heeft [gedaagde sub 1] dit ook daadwerkelijk gedaan. Mede om naar de Gemeente inzichtelijk te maken en ook zelf duidelijkheid te verkrijgen in welke omvang vanuit de Groep zou worden deelgenomen in het Project heeft [gedaagde sub 1] de leden van de Groep verzocht op te geven voor welk deel (minimaal 100 kW, maximaal 1 mW) men wilde deelnemen, waarbij zij tevens het bedrag noemde (€ 5.000,00 bij 100 kW; € 50.000,00 bij 1 mW) dat een lid van de Groep daarvoor dan globaal genomen, naar haar schatting op dat moment, aan eigen vermogen/kapitaal van de in het leven te roepen entiteit zou moeten inbrengen. Tijdens de bijeenkomst op 20 december 2001 ontbraken concrete gegevens op basis waarvan de leden van de Groep definitief konden beslissen en hebben zij op basis van de toen beschikbare informatie daarmee ingestemd. Bedoelde inbreng door elk van de leden van de Groep van de hiervoor genoemde globale bedragen in het kapitaal van de op te richten entiteit in relatie tot de opgegeven participatie in het (energie)vermogen in het kapitaal van de op te richten entiteit heeft overigens niet plaatsgevonden. Uiteindelijk wordt op 15 april 2002 het Convenant gesloten, waarbij [gedaagde sub 1] als partij en ondertekenaar mede namens de leden van de Groep de garantieverplichting op zich heeft genomen om overeenkomstig de daarbij gevoegde Participatienotitie de mogelijkheid tot participatie te bieden. In de Participatienotitie is neergelegd dat driekwart van het gerealiseerde vermogen aan energie (82,5 mW bij een totaal van 110 mW) beschikbaar is voor participatie, waarvan 40% voor de leden van de Groep, en voorts dat de participatie zal worden georganiseerd en gerealiseerd door middel van een structuurvennootschap, tenzij een andere structuur fiscaal of anderszins, met instandhouding van de basisprincipes, gunstiger voor de onderneming is. In oktober 2002 heeft de raad van de Gemeente besloten het Convenant als beleidsinzet te zullen ondersteunen, zulks met de voorwaarde dat zij op basis van onder meer de haar in concept voorgelegde prospectus en het participatiemodel zal beoordelen of wordt voldaan aan de uitwerking van de participatie zoals de Gemeente die voorstaat. Daarop heeft [gedaagde sub 1] aan de leden van de Groep op 1 november 2002 schriftelijk bevestigd dat de Gemeente met dat besluit onvoorwaardelijk met het Convenant heeft ingestemd en dat de verdeling zoals vastgelegd in de Participatienotitie behorend bij het Convenant en daarmee de participatie van de leden van de Groep en de omvang daarvan, zulks afhankelijk van het uiteindelijk te realiseren vermogen, vastligt.
“de initiatiefnemers”met instandhouding van
“de basisprincipes”gewijzigd kan worden
“[i]ndien fiscaal of anderszins een andere structuur gunstig is voor de onderneming.”
“als beleidsinzet zal ondersteunen.”Dit is ook in lijn met haar besluit van 25 februari 1999, waarbij zij het voorstel van B&W heeft aangenomen. In dat voorstel is immers vermeld dat B&W het niet verstandig achten om tevens partij te zijn bij de voorbereiding van de projecten, doch slechts faciliterend willen zijn door participatie te bevorderen en daartoe partijen bij elkaar te brengen. Daarbij komt dat de leden van de Groep blijkens de aan hen gerichte brief van [gedaagde sub 1] van 5 december 2001 en de daarbij gevoegde concept-beantwoording van door de Gemeente gestelde vragen ermee bekend waren dat de Gemeente naar aanleiding van het voor opneming in het Convenant voorgestelde participatiemodel de status en positie van de leden van de Groep in vergelijking tot andere groepen van potentiële participanten ter discussie stelde omdat de Groep daarmee een voorkeursbehandeling ten deel zou vallen. Onder deze omstandigheden kan dit besluit naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een toetreding van de Gemeente tot het Convenant waarbij zij ten behoeve van de (leden van de) Groep heeft bedongen dat die leden ter zake van participatie in het Project jegens de andere partijen bij het Convenant, in het bijzonder [gedaagde sub 1] , aanspraak op de door hen gestelde participatie kunnen maken. Voorts kan uit het verloop van de contacten, onder meer de mededeling in de brief van [gedaagde sub 1] van 18 januari 2002 dat vanwege de onzekerheden nog geen concretere gegevens kunnen worden verstrekt op basis waarvan de leden van de Groep over hun definitieve deelname en de grootte van hun participatie kunnen beslissen (zie 2.1.21), niet worden afgeleid dat bij de totstandkoming van het Convenant in april 2002 de prestatie waarop de leden van de Groep volgens hun stelling als derden individueel aanspraak zouden kunnen maken in voldoende mate bepaald of bepaalbaar was.
jegens [gedaagde sub 1]een aanspraak kunnen ontlenen om in het Project deel te nemen.
“Abwicklungsgeschäft”).
volumeverschilt: van de voor participatie beschikbare 75% van het gerealiseerde (energie)vermogen is 40% beschikbaar voor de Groep, 45% voor de Overige Agrariërs en 15% voor de bewoners van de Noordoostpolder. De Participatienotitie opent tevens de mogelijkheid om gelegenheid te bieden tot het aantrekken van vreemd vermogen en dat [gedaagde sub 1] (de initiatiefnemers) onder instandhouding van de basisprincipes kunnen besluiten tot een andere structuur indien dat fiscaal of anderszins gunstig is voor de onderneming. Voorts bepaalt de Participatienotitie dat de verdere uitwerking van de participatie wat betreft organisatie en regelingen geschiedt op een open en transparante wijze in overleg met de Gemeente, NLTO en VWIJ. Ter zake van de participaties heeft [gedaagde sub 1] op 26 mei 2010 met de Gemeente de Participatieovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde sub 1] zich jegens de Gemeente heeft verplicht om binnen 18 maanden na de realisatie van het Project participaties conform de bepalingen in het Convenant uit te geven. De Groep is daarover op 25 februari 2010 geïnformeerd. De Participatieovereenkomst schept uitsluitend rechten en plichten voor [gedaagde sub 1] en doet niets af aan de rechten van de partijen bij het Convenant. Medio 2013 heeft [gedaagde sub 1] vorenbedoeld overleg over uitvoering en regelingen gestart. Op basis van de uitkomsten van een door haar geïnitieerd marktonderzoek en de wensen van de externe financiers ten aanzien van de structuur van de participatie met het oog op een te verstrekken financiering, heeft [gedaagde sub 1] de Voortgangsrapportage opgesteld. Daarin is toegelicht welke participatiestructuur (de vennootschappelijke structuur en de zeggenschapsverhoudingen) [gedaagde sub 1] voor ogen had, alsmede op welke punten en om welke redenen deze afwijkt van de structuur die in het Convenant is neergelegd.
“Participatiestructuur”als onderdeel van de Participatienotitie bij het Convenant is weergegeven dat de initiatiefnemers rechtstreeks deelnemen in het kapitaal van een vennootschap Windpark B.V. waar het project wordt ingebracht (hierna ook: de projectvennootschap) en dat de participanten in het kapitaal van de projectvennootschap deelnemen door tussenkomst van een zelfstandige entiteit die hun aandelen beheert. Die opzet is op zichzelf – wat betreft de structuur, doch niet wat betreft de omvang van de deelneming in het kapitaal van de projectvennootschap – in essentie niet gewijzigd wanneer wordt gekozen voor het aandelenfonds als participatievorm die in de Voortgangsrapportage als een van de opties voor participatie wordt genoemd (conclusie van antwoord, productie 13, p. 5).
“gerealiseerde”vermogen beschikbaar komt voor participatie. In de
“Tabel Participatie-verdeling (financiëel)”is eveneens opgenomen dat de participatie van de leden van de Groep maximaal 75% is. Daarbij is in voetnoot *** opgemerkt dat het aandeel van [gedaagde sub 1] uitkomt op minder dan het uitgangspunt van 10% per initiatiefnemer om 75% participatie te garanderen en dat de initiatiefnemers bij een realisering van meer megawatts in onderling overleg zullen bezien of,
“met behoud van de 75% participatie”,de extra ruimte kan worden aangewend om het uitgangspunt van 10% per initiatiefnemer ook voor [gedaagde sub 1] te realiseren. Hieruit leidt de rechtbank af dat aan het Convenant en de Participatienotitie als basisprincipe (mede) ten grondslag ligt dat 75% van het totaal gerealiseerde vermogen voor participatie door de Groep, de Overige Agrariërs en de inwoners van de Noordoostpolder beschikbaar is, waarvan 40% voor de Groep.
“financiëel”wordt gebruikt (zie 2.1.26). Daarbij komt dat [gedaagde sub 1] in de uitnodiging van 5 december 2001 voor de bijeenkomst op 20 december 2001 van de leden van de Groep een financieel commitment heeft gevraagd ter zake van de investering in het eigen vermogen van het Project op basis van een deelname van maximaal 1 mW per lid van de Groep. Voorts is van betekenis dat de definitieve tekst van de Participatienotitie op dit punt overeenstemt met het concept daarvan waarop de leden van de Groep op 20 december 2001 een instemmend geluid hebben laten horen nadat hun, naar VWIJ c.s. onvoldoende weersproken heeft gesteld, is toegelicht dat de initiatiefnemers voor 25% zouden deelnemen in het kapitaal van de entiteit die alle aandelen houdt in de projectvennootschap en de participanten voor 75%, waarvan 40% voor de Groep met een maximum van 1 mW per lid van de Groep (dagvaarding, productie 35), dat [gedaagde sub 1] op 15 april 2002 heeft bevestigd daarmee
“namens”de Groep heeft ingestemd en voorts dat [gedaagde sub 1] bij brief van 1 november 2002 aan de leden van de Groep heeft bevestigd dat hun participatie en de omvang daarvan met de onvoorwaardelijke aanvaarding van het Convenant door de raad van de Gemeente vast ligt. Ook in de Voortgangsrapportage wordt dit nog eens bevestigd (zie 2.1.35). Voor de verhouding tussen [gedaagde sub 1] en (de leden van) de Groep brengt dit mee, gelet op de zin die aan die verklaringen en gedragingen in redelijkheid kan worden toegekend, dat tussen [gedaagde sub 1] en de leden van de Groep een overeenkomst bestaat, waarbij [gedaagde sub 1] zich jegens de participanten (de Groep, de Overige Agrariërs, de inwoners NOP) respectievelijk de leden van de Groep heeft verbonden tot het bieden van de mogelijkheid om, door tussenkomst van een zelfstandige entiteit, voor ten hoogste 75% onderscheidenlijk 30% deel te nemen in het eigen vermogen van de projectvennootschap en voor wat betreft de leden van de Groep met een maximum dat correspondeert met 1 mW per lid van het uiteindelijk met het Project gerealiseerde vermogen in megawatt.
“met instandhouding van de basisprincipes”. Hiervoor is overwogen dat een basisprincipe dat (mede) aan het Convenant en de Participatienotitie ten grondslag ligt, inhoudt dat 75% van het totaal gerealiseerde vermogen voor participatie door de Groep, de Overige Agrariërs en de inwoners van de Noordoostpolder beschikbaar is, waarvan 40% voor de Groep, en dat dit ook geldt voor deelneming in het aandelenkapitaal van de projectvennootschap (4.3.14, 4.3.15). Dan klemt dat, zoals ter comparitie van de zijde van [gedaagde sub 1] (de heer [F] ) is verklaard, de Voortgangsrapportage vanuit de positie van [gedaagde sub 1] is geschreven zonder acht te slaan op het Convenant en de in de daarbij behorende Participatienotitie weergegeven verhoudingen, alsmede de daaraan ten grondslag liggende basisprincipes, doch is voortgegaan op de suggestie van de banken om te voorkomen dat bij uitgifte van de participaties een
‘change of control’zou plaatsvinden, alsook dat is uitgegaan van het door [gedaagde sub 1] uitgevoerde marktonderzoek. Daarbij valt op dat bij de uitwerking van de participatie in de Voortgangsrapportage aanstonds wordt afgeweken van het hiervoor genoemde basisprincipe. Met name springt in het oog dat zulks is geschied zonder voorafgaand overleg of overeenstemming met de Groep wier belangen [gedaagde sub 1] toch had behartigd met als resultaat de verdeling in de Participatienotitie en de daarover tussen [gedaagde sub 1] en de leden van de Groep gesloten overeenkomst (zie 4.3.14, 4.3.15), en voorts zonder dat met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat zulks fiscaal of anderszins voordeliger is
voor de projectvennootschapdan in het geval de participatie vorm en inhoud zou worden gegeven met toepassing van dat basisprincipe en op zodanige wijze dat de kennelijk gevreesde
‘change of control’bij uitgifte van de participaties wordt voorkomen door bijvoorbeeld een structuur waarbij verschillende typen aandelen met verschillende zeggenschaps- en/of winst- en/of andere rechten worden uitgegeven. Dit zou ook onverlet laten dat de projectvennootschap door uitgifte van obligaties (vreemd) vermogen kan aantrekken. Het aanbieden aan de leden van de Groep van deelname in een obligatiefonds, ook wanneer zij bestaat uit de mogelijkheid om deel te nemen in een combinatie van een participatie via een aandelenfonds en het inleggen in een obligatiefonds, is gelet op het kleinere belang dan 75% althans 30% dat daarmee in de projectvennootschap door alle participanten (de Groep, de Overige Agrariërs en inwoners NOP), onderscheidenlijk de leden van de Groep maximaal kan worden verkregen derhalve een participatievorm die in strijd is met hetgeen waartoe [gedaagden c.s.] zich jegens de leden van de Groep heeft verbonden.
“onvoorwaardelijk”was dan [gedaagde sub 1] aan de leden van de Groep op 1 november 2002 zonder voorbehoud heeft bevestigd (zie 2.1.28). Deze omstandigheid dient echter voor rekening en risico van [gedaagden c.s.] te komen en deze kan zij niet aan VWIJ c.s. tegenwerpen. Dit is redelijk gezien het feit dat de Groep is ontstaan als uitvloeisel van een samenwerking tussen [gedaagde sub 1] en VWIJ om de initiatiefnemers van diverse (kleinere) projecten in het Project te kunnen laten participeren (mede) ter compensatie voor de individuele projecten die de leden van de Groep hebben opgegeven in verband met de door de Gemeente gewenste wijziging van haar beleid ter zake van windturbines waarbij [gedaagde sub 1] de belangen van de Groep behartigde en gezien het feit dat het in dat kader gevolgde traject heeft geleid tot instemming van de Groep met de in de Participatienotitie neergelegde opzet waaraan meergenoemd basisprincipe ten grondslag ligt (zie 2.1.7 en volgende, 2.1.16 tot en met 2.1.28. Het is dan aan [gedaagde sub 1] om de participatie op zodanige wijze uit te werken dat deze niet alleen beantwoordt aan de overeenkomst tussen haar en de leden van de Groep en het daar geldende basisprincipe, maar tegelijkertijd aan wat zij daarover met de Gemeente in de Participatieovereenkomst is overeengekomen en in vervolg daarop met de Gemeente heeft besproken en afgesproken. Nu, zoals [gedaagden c.s.] terecht heeft opgemerkt, de Participatieovereenkomst slechts rechten en plichten voor [gedaagde sub 1] en de Gemeente in het leven kan roepen, kunnen die overeenkomst en de uitvoering daarvan, juist gelet op aard en inhoud van de Voortgangsrapportage en het vertrekpunt dat bij het opstellen van die rapportage is gehanteerd (zie 4.3.16), in de verhouding tussen [gedaagde sub 1] en de leden van de Groep niet ten nadele van laatstgenoemden strekken.
“Participatie-verdeling (financiëel)”, maar daarin wordt slechts het aandeel van de Groep in megawatts en het percentage van dat aandeel ten opzichte van het totaal aantal megawatts uitgedrukt. Enige verwijzing of aanwijzing dat [gedaagde sub 1] dit aandeel tegen kostprijs aan de leden van de Groep dient aan te bieden en dat daaraan gelijke rechten moeten zijn verbonden als aan de aandelen voor de initiatiefnemers, bevat die tabel en ook de Participatienotitie niet. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de door VWIJ c.s. in dit verband aangehaalde uitnodiging van [gedaagde sub 1] van 30 december 1999 voor de bijeenkomst op 11 januari 2000, de brief van 22 januari 2000, de conceptantwoorden van [gedaagde sub 1] van 18 januari 2002 op vragen van de Gemeente over de status van de Groep. Over een prijs voor het door de leden van de Groep mogelijk te nemen belang of de daaraan verbonden rechten wordt in die stukken evenmin gerept. In haar brief aan de leden van de Groep van 5 december 2001 (zie 2.1.19) heeft [gedaagde sub 1] voor het eerst een koppeling gemaakt tussen de maximale participatie van 1 mW per lid van de Groep en een investeringsbedrag met het verzoek aan elk Groepslid om tijdens de bijeenkomst op 20 december 2001 aan te geven in welke mate men
“daadwerkelijk”zal deelnemen en waar die deelname
“zich definitief op richt”, zulks om de
“intentie tot deelname minder vrijblijvend te laten zijn.”In dat verband werd als
“het te investereneigenvermogen”bij een deelname van 1 mW gesteld op
“maximaal € 50.000,00”met de aantekening dat dit bedrag
“globaal genomen”is. Verder werd elk lid in die fase van het Project verzocht de deelname te onderschrijven voor 10% van het door hem
“– naar de schatting van dit moment – uiteindelijk in te brengen eigen vermogen op de investering.”Tijdens de bijeenkomst op 20 december 2001 is een en ander tezamen met een concept van de Participatienotitie aan de orde geweest en is daarmee ingestemd, zoals [gedaagde sub 1] ook in haar brief van 18 januari 2002 aan de leden van de Groep heeft bevestigd (zie 2.1.21). Niet duidelijk is echter of die instemming ook betrof dat de leden van de Groep hun individuele belang tegen kostprijs kunnen verwerven. Dit volgt niet uit laatstgenoemde brief, waarbij immers is meegedeeld dat [gedaagde sub 1] nog geen nadere gegevens kan verstrekken op basis waarvan de leden van de Groep definitief kunnen beslissen. Ook in de brief van 5 december 2001 is niet vermeld dat het bij de daar genoemde bedragen als investering op het eigen vermogen om de kostprijs van de participatie gaat. Over de aan de aandelen verbonden rechten is in of blijkens deze stukken echter niets vermeld. Dat is niet anders doordat [gedaagde sub 1] op 15 april 2002 heeft ingestemd met het Convenant en de daarbij behorende Participatienotitie, die wat betreft de verdeling inhoudelijk overeenstemde met het concept waarmee op 20 december 2001 is ingestemd. Ook de bevestiging van [gedaagde sub 1] aan de leden van de Groep van 1 november 2002 in aansluiting op het besluit van de raad van de Gemeente dat de Gemeente het Convenant
“onvoorwaardelijk”heeft geaccepteerd, leidt niet zonder meer tot die slotsom. Dat besluit ziet immers op het Convenant en de Participatienotitie als onderdeel daarvan en daarin wordt, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet gerept over participatie tegen kostprijs, noch over de daaraan verbonden rechten. De mededeling van [gedaagde sub 1] in laatstgenoemde brief dat de participatie en de omvang daarvan met het besluit van de Gemeente vast ligt, ziet dan blijkens de inhoud en strekking van de hier besproken correspondentie op de
maximaledeelname van elk lid van de Groep via een daartoe op te richten entiteit voor 1 mW, doch niet op de prijs waarvoor elk individueel lid van de Groep zijn participatie kan verwerven, noch op de aan die participatie verbonden rechten. Wat betreft die rechten kan de rechtbank zich voorstellen dat het voor de (organisatie)structuur van de projectvennootschap fiscaal of anderszins voordelig(er) kan zijn om verschillende typen aandelen uit te geven met verschillende zeggenschaps- en/of winst- en/of andere rechten worden verbonden, waarmee onder instandhouding van het hiervoor genoemde basisprincipe zowel kan worden bereikt dat de participanten, meer in het bijzonder de leden van de Groep, kan worden aangeboden om een aandelenbelang van maximaal 75% respectievelijk 30% in de projectvennootschap te nemen, alsook dat tegemoet kan worden gekomen aan het verlangen van de bank om een ‘change of control’ in de projectvennootschap bij uitgifte van de aandelen te voorkomen.
5.De beslissing
10 januari 2018te deponeren en VWIJ c.s. van beide gelijktijdig een gewaarmerkte kopie te verstrekken;
21 februari 2018voor het nemen van aan akte aan de zijde van VWIJ bedoeld onder 4.3.27., dan wel 4.3.28.;