ECLI:NL:PHR:2024:291

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
12 maart 2024
Zaaknummer
23/00205
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:239 SrArt. 260 SrNAArt. 2:154 SrSMArt. 2:155 SrSMArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor vrouwenhandel, mensenhandel, vrijheidsberoving en mensensmokkel in Sint Maarten

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot 3 jaar en tien maanden gevangenisstraf, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, wegens medeplegen van vrouwenhandel, mensenhandel, opzettelijke vrijheidsberoving, mensensmokkel en illegale tewerkstelling van vrouwen in twee bordelen in Sint Maarten.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen de werkwijze van het Openbaar Ministerie, het gebruik van verklaringen van niet-gehoorde getuigen, de bewezenverklaring van mensenhandel met uitbuitingsoogmerk, mensensmokkel, illegale tewerkstelling, wederrechtelijk verblijf en opzettelijke vrijheidsberoving. De Hoge Raad concludeerde dat het hof de werkwijze van het OM voldoende had beoordeeld, dat het gebruik van verklaringen van niet-gehoorde getuigen niet in strijd was met het recht op een eerlijk proces, en dat de bewezenverklaringen voldoende waren gemotiveerd en wettig waren.

De bewezenverklaring van mensenhandel rustte op het werven, vervoeren en huisvesten van vrouwen uit Colombia en de Dominicaanse Republiek, die in kwetsbare posities verkeerden, met het oogmerk hen uit te buiten in de prostitutie. Het hof achtte bewezen dat de vrouwen onder dwangmiddelen stonden, waaronder beginschulden, huisvesting in bordelen met strikte regels, boetesystemen en beperking van bewegingsvrijheid. Ook werd bewezen verklaard dat de vrouwen illegaal verbleven en tegen betaling van hoge bedragen gehuisvest werden, wat winstbejag opleverde.

De opzettelijke vrijheidsberoving bestond uit het opsluiten van vrouwen na sluitingstijd door het sluiten van toegangshekken en buitendeuren, waardoor zij niet vrij waren hun wil te bepalen. De Hoge Raad vond de motivering en bewijsvoering van het hof overtuigend en verwierp het cassatieberoep.

De zaak illustreert de toepassing van het strafrecht op complexe mensenhandelzaken in Caribisch Nederland, waarbij het belang van het recht op een eerlijk proces en de zorgvuldige bewijswaardering centraal staan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van vrouwenhandel, mensenhandel, opzettelijke vrijheidsberoving, mensensmokkel en illegale tewerkstelling wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00205 C

Zitting19 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij vonnis van 15 december 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens onder 1 “medeplegen van vrouwenhandel, meermalen gepleegd” en “medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd”, onder 2 primair “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd”, onder 3 “medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd” en onder 4 “medeplegen van een ander, die zich wederrechtelijk verblijf in Sint Maarten heeft verschaft, krachtens overeenkomst arbeid doet verrichten, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en tien maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Er bestaat samenhang met de strafzaak van [medeverdachte 1] (23/00207 C), de straf- en ontnemingszaak van [medeverdachte 2] (23/00208 C en 23/00209 PC) en met de ontnemingszaak van de verdachte (23/00206 PC). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
In deze zaak zijn verschillende feiten tenlastegelegd die de verdachte en zijn medeverdachten in vereniging zouden hebben begaan bij het exploiteren van twee bordelen in Sint Maarten ( [bordeel 1] en [bordeel 2] ). Het gaat kort gezegd om mensen-/vrouwenhandel, vrijheidsberoving, mensensmokkel en illegale tewerkstelling ten aanzien van een groot aantal vrouwen die werkten in een van beide bordelen.
Het eerste middel klaagt over de werkwijze van het openbaar ministerie in de vervolging en het gegeven dat het Hof de verdachte daarvoor niet heeft gecompenseerd. Het tweede middel heeft te maken met verzoeken tot het horen van getuigen die de verdediging heeft gedaan en het gebruik voor het bewijs van verklaringen van getuigen die het Hof niet heeft doen horen. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel. Het vierde middel keert zich tegen de bewezenverklaringen van mensensmokkel en (kort gezegd) illegale tewerkstelling en het laatste middel klaagt over de bewezenverklaring van opzettelijke vrijheidsberoving.

Het eerste middel

6. Het middel bevat de klacht dat het Hof na (ambtshalve) te hebben vastgesteld dat de werkwijze van het openbaar ministerie in de onderhavige vervolging in die mate ‘een (..) complicerend effect heeft gehad, zowel wat betreft het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, als bij gelegenheid van de beraadslaging na de sluiting van dat onderzoek’, dat ‘de vergelijking met een zoekplaatje zich heeft opgedrongen’, er geheel aan is voorbijgegaan dat de gewraakte werkwijze dan ook een (minstens zo groot) complicerend, en dus nadelig, effect moet hebben gehad op de verdediging. Het Hof had volgens de steller van het middel toe moeten komen aan de vraag of de beschreven werkwijze van het openbaar ministerie niet zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging of, in ieder geval, niet dwong tot enigerlei vorm van compensatie.
7. Het bestreden vonnis bevat over de bedoelde werkwijze van het openbaar ministerie de volgende overweging:

Een terugblik op het onderzoek, de tenlastelegging, de bewijslevering en de ontnemingsprocedure
Het Hof wijst het openbaar ministerie nog op het volgende. De resultaten van het opsporingsonderzoek hebben de officier van justitie ertoe gebracht aan de verdachte en diens medeverdachten het verwijt van vrouwen-/mensenhandel te maken. De tenlastelegging, is toegesneden op het - reeds op zichzelf betrekkelijk gecompliceerde - misdrijf van artikel 2:239 Sr Pro (oud en thans geldend) en is gegoten in het vat van de "en/of-variant". Dit geldt zowel voor de reeks van de aan de verdachte verweten gedragingen als voor de 38, met name genoemde slachtoffers daarvan. De officier van justitie heeft als de steller van de tenlastelegging het daarbij gelaten en heeft aldus ervan afgezien om het aan de verdachte gemaakte strafrechtelijk verwijten toe te spitsen: welke van zijn gedragingen hebben betrekking op welke van die 38 slachtoffers. Anders gezegd: gedragingen en slachtoffers zijn op de spreekwoordelijke hoop gegooid en enig dwarsverband tussen gedragingen en slachtoffer is in die tenlastelegging niet gelegd.
In het licht van die redactie van de tenlastelegging was voorzienbaar dat het tijdens het strafgeding alsnog tot het leggen van die dwarsverbanden zou (moeten) komen. Terugblikkend moet worden vastgesteld dat het van die even wenselijke als noodzakelijke toespitsing van gedragingen op slachtoffers gedurende de loop van het strafgeding evenmin is gekomen. Niet in eerste aanleg bij gelegenheid van het requisitoir van de officier van justitie, niet in het vonnis waarvan beroep, en evenmin in hoger beroep door de advocaat-generaal. Het Hof stelt vast dat deze gang van zaken een nodeloos, complicerend effect heeft gehad, zowel wat betreft het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, als bij gelegenheid van de beraadslaging na de sluiting van dat onderzoek.
In wezen heeft hetzelfde te gelden voor de gang van zaken in de parallel gevoerde ontnemingsprocedure. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen. De officier van justitie is van die beslissing in hoger beroep gekomen en heeft in dat kader een nieuw ontnemingsrapport ingebracht. Echter, dat rapport beoogt niet het voorgaande rapport integraal te vervangen, maar verwijst soms hier en vervangt dan weer daar. De vergelijking met het zoekplaatje heeft zich aan het Hof opgedrongen. Mede bezien in het licht van de schaarste van middelen in het publieke domein en het belang dat moet worden gehecht aan een doelmatige procesvoering acht het Hof het aangewezen dit een en ander te verwoorden.”
8. De klacht treft geen doel. Dat heeft te maken met het volgende. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman geen punt gemaakt van de werkwijze van het openbaar ministerie, laat staan dat daarover een verweer is gevoerd met de strekking dat het openbaar ministerie onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het middel klaagt dat het Hof er in de genoemde omstandigheden wel toe was gehouden ambtshalve (nader) onderzoek te doen naar de gevolgen van de werkwijze van het openbaar ministerie voor de verdedigingsbelangen van de verdachte en dus naar de vraag of er onrechtmatig zou zijn gehandeld. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de feitenrechter slechts dan ervan blijk hoeft te geven onderzoek te hebben gedaan naar eventueel onrechtmatig handelen indien uit de stukken een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting (of strafuitsluiting) tot gevolg zou moeten hebben. [1] Dat vermoeden volgt niet uit bovenstaande overweging van het Hof, of overigens uit de stukken.
9. Het middel faalt.

Het tweede middel

10. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Ten eerste wordt geklaagd dat het Hof geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de verdediging om bepaalde belastende getuigen te horen, althans dat het Hof daar niet op heeft gereageerd, en toch verklaringen van deze getuigen voor het bewijs heeft gebruikt. Ten tweede klaagt het middel dat het Hof verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt van getuigen ten aanzien van wie het Hof het nader verhoor had gelast, maar die vervolgens niet door de rechter-commissaris zijn gehoord, zodat de verdachte ten aanzien van deze getuigen niet zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen.
11. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 17 en 20 oktober 2022 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman deelt mede:
Ik handhaaf het verzoek tot het horen van alle 15 toegewezen vrouwen als getuigen. Dat betekent dat er nog 10 vrouwen als getuige moeten worden gehoord. Ik verzoek echter niet om de zaken van mijn cliënten vandaag aan te houden, omdat de verdediging wenst dat de zaken vandaag inhoudelijk worden behandeld. Er is eindeloos geprobeerd om de vrouwen als getuige te horen maar dat is helaas niet in alle gevallen gelukt. Het Hof kan wat mij betreft vandaag oordelen dat de zaak niet nogmaals wordt aangehouden voor het horen van de vrouwen als getuigen.
[…]
Het Hof deelt mede dat zij voor nu de zaak inhoudelijk zal voortzetten en op een later moment een beslissing zal geven over het gedane verzoek.
[…]
De voorzitter onderbreekt het onderzoek tot 20 oktober 2022 om 09.00 uur.
De voorzitter hervat op 20 oktober 2022 om 09.00 uur het onderbroken onderzoek en stelt vast dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en hun raadsman in de zittingszaal zijn verschenen.
De voorzitter deelt ten aanzien van het verzoek van de raadsman tot het horen van de getuigen als beslissingen en overwegingen van het Hof mede:
De verdediging heeft verzocht dat het Hof de eerder opgegeven (15) getuigen die na verwijzing door de rechter-commissaris niet zijn gehoord (=10) (alsnog) als getuigen worden gehoord.
Het Hof betrekt bij de beoordeling van het op die 10 getuigen toegespitste verzoeken het volgende.
Eerder, ter terechtzitting van 13 april 2021, heeft het Hof beslist dat de 15 door de verdediging genoemde vrouwen als getuigen zullen worden gehoord in de zaken van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] . Daartoe heeft het Hof de zaak met het oog op hun verhoren naar de rechter-commissaris verwezen. Bij die gelegenheid heeft het Hof met zoveel woorden het belang van hun verhoren gemarkeerd en heeft het Hof ambtshalve de verwijzingsbeslissing gegeven in zaak tegen de verdachte [medeverdachte 1] . Voorts heeft het Hof ambtshalve de rechter-commissaris opgedragen, indien (het uitblijven van) de verhoren daartoe naar haar oordeel aanleiding geven, ook andere in de tenlastelegging genoemde personen als getuige(n) te horen.
De inspanningen van de rechter-commissaris hebben geresulteerd in het verhoor van 5 getuigen. In haar bericht aan het Hof van 14 oktober 2022 heeft zij beredeneerd uiteengezet dat en waarom er geen redelijk zicht bestaat op het verhoor van nog meer personen als getuigen. Thans ligt ter beslissing door het Hof voor het (niet andermaal onderbouwde) verzoek van de verdediging om het daarheen te leiden dat ook de eerder verzochte doch niet-gehoorde getuigen alsnog worden gehoord.
De verdediging heeft daaraan toegevoegd dat het Hof de behandeling van de zaken niet hoeft aan te houden, maar dat de verdediging een beslissing wenst op de eerder ter terechtzitting gedane verzoeken. De procureur-generaal heeft het belang van voortgezette behandeling van de zaken ter terechtzitting onderschreven, en waar het gaat om het verhoor van de verzochte getuigen heeft hij opgemerkt dat moet worden aangenomen dat daarmee veel tijd zal zijn gemoeid.
Het Hof stelt voorop wat het eerder, ter terechtzitting van 13 april 2021 heeft vooropgesteld: het belang dat bestaat bij het verhoor van de verzochte getuigen is evident. Het Hof verstaat de onderbouwing van de gedane verzoeken - die weliswaar door de verdediging niet met zoveel woorden is gegeven - aldus, dat de uitoefening van het ondervragingsrecht voor de verdachten van wezenlijk belang is.
Voorop staat dat uit het in artikel 6, derde lid sub d, Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde ondervragingsrecht (dat onderdeel is van het in artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces) volgt dat de rechter van het oproepen van een niet-verschenen getuige, om wiens oproeping door de verdediging is verzocht, mag afzien indien die oproeping volstrekt overbodig en/of nutteloos is. Van nutteloosheid zal sprake zijn als niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen. Bij de beoordeling van de vraag of verschijning binnen een aanvaardbare termijn onaannemelijk is, dient de rechter te beoordelen of met een redelijke waarschijnlijkheid te verwachten is dat de getuige op een nadere terechtzitting wel dan wel na verwijzing door het Hof bij de rechter-commissaris zal verschijnen. Bij dat oordeel kan mede worden betrokken de voorafgaande procesgang en de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep tot dan toe. Een doelmatige, snelle procesvoering kan dus een legitiem belang opleveren om het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid sub d, EVRM te beperken.
Het Hof stelt vast dat reeds in de gedingfase van de eerste aanleg inspanningen zijn verricht om het tot verhoren van getuigen te leiden. In hoger beroep zijn andermaal door de rechter-commissaris (ook langs de weg van internationale rechtshulp) inspanningen verricht, met het verhoor van 5 van de 15 getuigen als resultaat daarvan. Het Hof stelt voorts vast dat de feiten waarvoor de verdachten zijn veroordeeld dateren van 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016, dat het vonnis waarvan beroep is gewezen op 24 april 2019, dat het Hof ter terechtzitting van 13 april 2021 beslissingen heeft gegeven, op de getuigenverzoeken en ook ambtshalve. Voorts is van belang dat de beredeneerde prognose van de rechter-commissaris over het realiseren van getuigenverhoren somber is. Daarmee is gegeven dat er voor het Hof geen aanknopingspunten zijn, op grond waarvan moet worden aangenomen dat met een redelijke waarschijnlijkheid te verwachten is dat de getuigen na het andermaal verwijzen van de zaken naar de rechter-commissaris zullen verschijnen, reeds omdat zij niet (eenvoudig) kunnen worden opgeroepen met het oog op een getuigenverhoor. Bij die stand van zaken, en de tot dusver met de behandeling van de zaken gemoeide tijd - de gedingfase in hoger beroep beloopt thans ruim 3 jaren en 6 maanden - is het Hof van oordeel dat het belang van een snelle doelmatige procesvoering thans veel gewicht in de schaal legt. Het Hof wijst daarom de verzoeken af.
[…]
De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de vier door hem aan het Hof overgelegde pleitnota's, die in de dossiers zijn gevoegd en als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.”
12. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 17 en 20 oktober 2022 gehechte pleitnota (ten aanzien van feit 1) blijkt dat de raadsman bij gelegenheid van pleidooi het volgende naar voren heeft gebracht (zonder voetnoten):

“De verklaringen van getuigen die niet adversair zijn verhoord

Uit de zaak Schatschaschwili vs Germany blijken een aantal eisen voor het gebruik van verklaringen van getuigen die niet ter zijn gehoord. Er zijn drie vragen uiteengezet.
Ten eerste, of er een gerechtvaardigde reden is voor het niet kunnen horen van de getuige. Het gebruik van de eerdere verklaring wordt vooral problematisch wanneer het aan de justitiële autoriteiten te wijten valt dat de getuige niet adversair kon worden ondervraagd.
In de onderhavige zaak is de reden dat de getuigen niet gehoord kunnen worden te wijten aan de officier van justitie. Deze heeft benodigde informatie uit het ambtsedig proces-verbaal weg gestreept. Dat de getuigen niet gevonden kunnen worden is dus enkel aan hem te wijten.
Daarnaast is er nog een ander aspect: het blijkt dat er in eerste aanleg helemaal geen pogingen zijn ondernomen om getuigen te horen. Zie het rapport van de toenmalige RC. mw. mr. Giesen.

Althans: daarvan blijkt niet uit de stukken.

De stukken die beschikbaar zijn dateren van februari 2022 en dat gaat om het verzoek van RC in Sint Maarten (zie de stukken toegestuurd door de RC op zaterdag 15 oktober 2022) en dan nog specifiek voor Colombia.
Volgens prof. mr. J.M. Reijntjes en mr. C. Reijntjes-Wendenburg geldt als richtlijn dat buiten de terechtzitting afgelegde verklaringen zonder meer mogen worden gebruikt indien:
1. het adversair verhoor van de getuige niet door de verdediging is verlangd en/of zijn eerdere verklaringen onbetwist gebleven, het accent ligt daarbij bij de wensen van de verdediging;
2. indien de getuige in de loop van het voorbereidend onderzoek op behoorlijke wijze door de verdachte kon worden ondervraagd.
In de huidige zaak wordt het horen van de getuigen door de verdediging uitdrukkelijk verlangd, nu de verdediging de getuigenverklaringen op meerdere aspecten uitdrukkelijk betwist. Ook eerder in het onderzoek heeft de verdediging niet de gelegenheid gehad om de getuigen te horen.
De niet ter terechtzitting afgelegde verklaringen mogen dus niet zonder meer worden gebruikt.”
13. Het vonnis houdt het volgende in:

De bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van 10 vrouwen die niet als getuigen zijn gehoord
Het Hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep beslissingen gegeven op verzoeken van de raadsman tot het horen van 10 vrouwen als getuigen. Het hof heeft die verzoeken afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:
“De verdediging heeft verzocht dat het Hof de eerder opgegeven (15) getuigen die na verwijzing door de rechter-commissaris niet zijn gehoord (=10) (alsnog) als getuigen worden gehoord.
Het Hof betrekt bij de beoordeling van het op die 10 getuigen toegespitste verzoeken het volgende.
Eerder, ter terechtzitting van 13 april 2021, heeft het Hof beslist dat de 15 door de verdediging genoemde vrouwen als getuigen zullen worden gehoord in de zaken van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] . Daartoe heeft het Hof de zaak met het oog op hun verhoren naar de rechter-commissaris verwezen. Bij die gelegenheid heeft het Hof met zoveel woorden het belang van hun verhoren gemarkeerd en heeft het Hof ambtshalve de verwijzingsbeslissing gegeven in zaak tegen de verdachte [medeverdachte 1] . Voorts heeft het Hof ambtshalve de rechter-commissaris opgedragen, indien (het uitblijven van) de verhoren daartoe naar haar oordeel aanleiding geven, ook andere in de tenlastelegging genoemde personen als getuige(n) te horen.
De inspanningen van de rechter-commissaris hebben geresulteerd in het verhoor van 5 getuigen. In haar bericht aan het Hof van 14 oktober 2022 heeft zij beredeneerd uiteengezet dat en waarom er geen redelijk zicht bestaat op het verhoor van nog meer personen als getuigen.
Thans ligt ter beslissing door het Hof voor het (niet andermaal onderbouwde) verzoek van de verdediging om het daarheen te leiden dat ook de eerder verzochte doch niet-gehoorde getuigen alsnog worden gehoord. De verdediging heeft daaraan toegevoegd dat het Hof de behandeling van de zaken niet hoeft aan te houden, maar dat de verdediging een beslissing wenst op de heden ter terechtzitting gedane verzoeken. De procureur-generaal heeft het belang van voortgezette behandeling van de zaken ter terechtzitting onderschreven, en waar het gaat om het verhoor van de verzochte getuigen heeft hij opgemerkt dat moet worden aangenomen dat daarmee veel tijd zal zijn gemoeid.
Het Hof stelt voorop wat het eerder, ter terechtzitting van 13 april 2021 heeft vooropgesteld: het belang dat bestaat bij het verhoor van de verzochte getuigen is evident. Het Hof verstaat de onderbouwing van de gedane verzoeken - die weliswaar door de verdediging niet met zoveel woorden is gegeven - aldus, dat de uitoefening van het ondervragingsrecht voor de verdachten van wezenlijk belang is.
Voorop staat dat uit het in artikel 6, derde lid sub d, Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde ondervragingsrecht (dat onderdeel is van het in artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces) volgt dat de rechter van het oproepen van een niet-verschenen getuige, om wiens oproeping door de verdediging is verzocht, mag afzien indien die oproeping volstrekt overbodig en/of nutteloos is. Van nutteloosheid zal sprake zijn als niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen. Bij de beoordeling van de vraag of verschijning binnen een aanvaardbare termijn onaannemelijk is, dient de rechter te beoordelen of met een redelijke waarschijnlijkheid te verwachten is dat de getuige op een nadere terechtzitting wel dan wel na verwijzing door het Hof bij de rechter-commissaris zal verschijnen. Bij dat oordeel kan mede worden betrokken de voorafgaande procesgang en de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep tot dan toe. Een doelmatige, snelle procesvoering kan dus een legitiem belang opleveren om het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid sub d, EVRM te beperken.
Het Hof stelt vast dat reeds in de gedingfase van de eerste aanleg inspanningen zijn verricht om het tot verhoren van getuigen te leiden. In hoger beroep zijn andermaal door de rechter-commissaris (ook langs de weg van internationale rechtshulp) inspanningen verricht, met het verhoor van 5 van de 15 getuigen als resultaat daarvan. Het Hof stelt voorts vast dat de feiten waarvoor de verdachten zijn veroordeeld dateren van 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016, dat het vonnis waarvan beroep is gewezen op 24 april 2019, dat het Hof ter terechtzitting van 13 april 2021 beslissingen heeft gegeven, op de getuigenverzoeken en ook ambtshalve. Voorts is van belang dat de beredeneerde prognose van de rechter-commissaris over het realiseren van getuigenverhoren somber is. Daarmee is gegeven dat er voor het Hof geen aanknopingspunten zijn, op grond waarvan moet worden aangenomen dat met een redelijke waarschijnlijkheid te verwachten is dat de getuigen na het andermaal verwijzen van de zaken naar de rechtercommissaris zullen verschijnen, reeds omdat zij niet (eenvoudig) kunnen worden opgeroepen met het oog op een getuigenverhoor. Bij die stand van zaken, en de tot dusver met de behandeling van de zaken gemoeide tijd - de gedingfase in hoger beroep beloopt thans ruim 3 jaren en 6 maanden - is het Hof van oordeel dat het belang van een snelle doelmatige procesvoering thans veel gewicht in de schaal legt. Het Hof wijst daarom de verzoeken af. Het Hof zal na de sluiting van het onderzoek in deze zaken beoordelen of in het geval van bewijsgebruik van verklaringen van de getuigen wier verhoor is verzocht doch niet is gerealiseerd tot gevolg heeft dat de procedure in zijn geheel niet eerlijk is geweest, in de betekenis van artikel 6 EVRM Pro."
In het verlengde van het voorgaande heeft het Hof thans te onderzoeken of artikel 6 EVRM Pro in de weg staat aan dat bewijsgebruik.
Het Hof onderkent dat het, ondanks een herhaald gedaan verzoek, uitblijven van een verhoor van de even bedoelde 10 vrouwen als getuigen op zichzelf beschouwd een inperking oplevert van het ondervragingsrecht. Daarmee is evenwel nog niet gegeven dat de door die vrouwen in verhoor bij de politie afgelegde verklaringen niet voor bewijsgebruik door het Hof in aanmerking komen. Het antwoord op de vraag of deze inperking van het ondervragingsrecht tot een schending van artikel 6 EVRM Pro met het mogelijke gevolg van bewijsuitsluiting heeft te leiden hangt rechtstreeks samen met het soortelijk gewicht dat aan die verklaringen in het geheel van de bewijslevering toekomt. In het spoor van deze contextuele benadering stelt het Hof vast dat naast de door die 10 vrouwen afgelegde verklaringen ander voor de verdachte belastend steunbewijs voorhanden is, dat hem eveneens rechtstreeks in verband brengt met de aan hem verweten feiten. Het Hof merkt in dat kader in het bijzonder op dat de betwisting door de verdachte van het ten laste gelegde geenszins een integrale ontkenning van de aan hem verweten feitelijke gedragingen inhoudt, doch ziet op onderdelen van de door de officier van justitie gemaakte verwijten, als ook de juridische merites daarvan. Daarbij komt dat na verwijzing door het Hof het ten aanzien van 5 vrouwen wél tot getuigenverhoren is gekomen, waarbij de verdediging de gelegenheid is geboden het ondervragingsrecht uit te oefenen. Opmerking verdient, dat op grond van de tenlastelegging al deze vrouwen - zowel zij die wél als zij die niet als getuigen zijn gehoord - als slachtoffers van dezelfde strafbare feiten worden aangemerkt. Het Hof kent aan het in dossier voorhanden zijnde steunbewijs, waaronder het hiervoor specifiek genoemde, een zodanig gewicht toe dat zich niet het geval voordoet dat het bewijs dat de verdachte de aan hem verweten feiten heeft begaan uitsluitend of in beslissende mate op de verklaringen van de even bedoelde 10 vrouwen berust.
Bij die stand van zaken komt het bewijsgebruik van de door elk van die 10 vrouwen afgelegde verklaringen niet in strijd met artikel 6, derde lid, sub d van het EVRM, noch met het in het eerste lid van die verdragsbepaling aan hem gegarandeerde recht op een eerlijk proces.”
14. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding is het volgende op te maken over het procesverloop:
i. Het Hof heeft ter terechtzitting van 13 april 2021 het verzoek van de verdediging tot het horen van vijftien van de (in de tenlastelegging genoemde) vrouwen toegewezen en de zaak daartoe naar de rechter-commissaris verwezen.
ii. De rechter-commissaris heeft vijf van hen gehoord en in een bericht van 14 oktober 2022 beredeneerd uiteengezet dat geen redelijk zicht bestaat op het horen van de overige tien vrouwen als getuigen.
iii. De verdediging heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2022 verzocht dat de overige tien vrouwen alsnog worden gehoord (maar daarbij uitdrukkelijk niet om aanhouding van de zaak verzocht).
iv. Het Hof heeft dat verzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2022 afgewezen.
v. De verdediging heeft vervolgens bij gelegenheid van pleidooi aangegeven dat in de huidige zaak het horen van niet adversair gehoorde getuigen uitdrukkelijk wordt verlangd.
15. Het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (verder ook: SvSM) bevat, voor zover hier relevant, de volgende bepalingen:
Artikel 358:
“1. Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen of deskundigen […], die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen […].”
Artikel 371:
“Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.”
Artikel 373:
“1. Elke bevoegdheid, aan de verdachte bij deze titel toegekend, komt ook toe aan diens raadsman.”
De eerste deelklacht
16. Het middel in samenhang met de toelichting beschouwd, begrijp ik zo dat het middel klaagt over het uitblijven van een beslissing van het Hof op een verzoek dat de raadsman (in de visie van de steller van het middel) ter terechtzitting van 20 oktober 2022 bij gelegenheid van pleidooi heeft gedaan.
17. Zoals eerder weergegeven, heeft de raadsman op het onderzoek ter terechtzitting van 17 oktober 2022 het verzoek tot het horen van vijftien getuigen gehandhaafd, voor zover hieraan nog niet was voldaan. De raadsman heeft op die manier verzocht tot het oproepen en horen van de overgebleven tien vrouwen. Nadat het Hof dit verzoek had afgewezen op het onderzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2022, heeft de raadsman bij pleidooi onder meer het volgende naar voren gebracht:
“In de huidige zaak wordt het horen van de getuigen door de verdediging uitdrukkelijk verlangd, nu de verdediging de getuigenverklaringen op meerdere aspecten uitdrukkelijk betwist. Ook eerder in het onderzoek heeft de verdediging niet de gelegenheid gehad om de getuigen te horen. De niet ter terechtzitting afgelegde verklaringen mogen dus niet zonder meer worden gebruikt.”
18. De steller van het middel heeft op deze zinnen de stelling gebaseerd dat de raadsman heeft verzocht alsnog
allein de tenlastelegging genoemde en nog niet gehoorde (dus) 36 vrouwen op te roepen en te horen. Het onder 12 weergegeven onderdeel van het pleidooi waarin het bovenstaande citaat naar voren is gebracht, gaat over de vraag of het Hof de verklaringen van de getuigen die niet waren gehoord, voor het bewijs kon gebruiken. Gelet hierop en op de door de raadsman gebruikte bewoordingen vind ik het kennelijk oordeel van het Hof dat bovenstaande zinnen geen stellig en duidelijk verzoek tot het horen van getuigen (in de zin van art. 373, eerste lid, SvSM in verbinding met art. 371 SvSM Pro om toepassing te geven aan art. 358, eerste lid, SvSM) bevatten, niet onbegrijpelijk. De klacht mist in zoverre dus feitelijke grondslag.
19. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging geen stellig en duidelijk verzoek gedaan tot het oproepen en horen van de vrouwen die geen onderdeel uitmaakten van het op de terechtzitting van 13 april 2021 gedane verzoek tot het horen van vijftien vrouwen, dat ter zitting van 17 oktober 2022 is herhaald ten aanzien van tien vrouwen. [2] De verdediging heeft dus niet het nodige initiatief genomen hen te (doen) ondervragen en het Hof was voor wat betreft het gebruik van de verklaringen van deze getuigen voor het bewijs er niet toe gehouden te onderzoeken of en zo ja, welke gevolgen moesten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. [3]
20. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
21. In het Post-Keskin arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
NJ2021/173 m.nt. J.M. Reijntjes, heeft de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang, het volgende overwogen:
“2.9.5
Opmerking verdient verder dat de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin niet afdoet aan de eis die in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt gesteld en die ook aansluit bij de rechtspraak van het EHRM,21 dat als de verdediging een getuige wenst te ondervragen, zij hiertoe het nodige initiatief neemt. Dat houdt in dat de verdediging die wens kenbaar moet maken door een stellig en duidelijk verzoek te doen tot het oproepen en horen van een concreet aangeduide getuige.
[…]
Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
2.12.1
De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3
De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.
Verder heeft wat hiervoor onder 2.12.2 is overwogen ook betekenis voor de toetsing in cassatie van klachten die zich specifiek richten tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Het belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het ligt daarom in de rede dat, als een dergelijke klacht wordt aangevoerd, de schriftuur een toelichting bevat dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Afronding
2.13
Het voorgaande komt er in de kern op neer dat de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tot gevolg heeft dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In die gevallen zal indringender dan voorheen de vraag onder ogen moeten worden gezien of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd. Daarnaast onderstreept de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin het belang dat de rechter, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt, ongeacht de onder 2.9 genoemde factoren en het gewicht van die verklaring in het licht van de overige resultaten van het strafvorderlijke onderzoek.”
22. De raadsman heeft op het onderzoek ter terechtzitting van 17 oktober 2022 een stellig en duidelijk verzoek gedaan tot het oproepen en horen van tien vrouwen die een belastende verklaring hadden afgelegd en nog niet waren gehoord. Dit verzoek heeft het Hof afgewezen ter terechtzitting van 20 oktober 2022. Dat betekent dat het Hof, alvorens de verklaringen van deze vrouwen voor het bewijs te gebruiken, onder ogen diende te zien of de procedure desondanks in overeenstemming was met de in artikel 6 EVRM Pro gestelde eisen aan een eerlijk proces.
23. Het Hof heeft daartoe overwogen dat naast de door de tien vrouwen afgelegde verklaringen ander voor de verdachte belastend steunbewijs aanwezig is, dat hem rechtstreeks in verband brengt met de aan hem verweten feiten. Het Hof heeft in dat verband relevant geacht dat de verdachte een deel van de verweten feitelijke gedragingen heeft bekend. Ook heeft het Hof de verklaringen van de vijf vrouwen ten aanzien van wie de verdachte wel zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, aangemerkt als significant steunbewijs.
24. Dat de bewezenverklaring ook in aanmerkelijke mate berust op de bekennende verklaring van de verdachte spreekt voor zich. Die verklaring betreft, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, bijna alle feitelijke gedragingen in de bewezenverklaring. Het belang dat het Hof ziet in de verklaringen van de vijf als getuige gehoorde vrouwen als steunbewijs, begrijp ik daarnaast als volgt. Uit die verklaringen volgt dat zij werknemers waren in één van de twee bordelen waar ook de andere vrouwen werkten. Hun verklaringen over de omstandigheden waaronder zij daar werkten, biedt steun aan de verklaringen van de andere vrouwen nu zij in dat opzicht met elkaar overeenstemmen. Het ligt gezien de bedrijfsmatige werkwijze van de verdachten zonder meer voor de hand dat de voorwaarden voor de ene werknemer, ook op andere werknemers (onder meer de tien vrouwen die niet zijn gehoord) van toepassing waren. Dat het Hof de verklaringen van de vijf wel gehoorde vrouwen heeft gewaardeerd als bewijs dat de verdachte (ook) rechtstreeks in verband brengt met de feiten die ten aanzien van de
anderevrouwen zijn begaan, vind ik daarom evenmin onbegrijpelijk.
25. Het Hof heeft geoordeeld dat het bewijs van de aan de verdachte verweten feiten met betrekking tot de tien vrouwen die de verdediging ondanks het nodige initiatief daartoe niet heeft kunnen ondervragen, niet in beslissende mate berust op hun verklaringen. Dat oordeel vind ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk.
26. Hier komt bij dat het Hof, anders dan de steller van het middel aanvoert, wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak dat de vrouwen niet zijn gehoord. Bij de beoordeling van de ‘
fairness of the procedure as a whole’in het vonnis, heeft het Hof weergegeven wat zijn overwegingen waren bij de afwijzing op 20 oktober 2022 van het op 17 oktober 2022 gedane verzoek tot het horen van de tien vrouwen. Hieruit blijkt dat het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten waren op grond waarvan kon worden aangenomen dat met een redelijke waarschijnlijkheid viel te verwachten dat de (kennelijk onvindbare) getuigen zouden verschijnen bij een volgende verhoorgelegenheid, omdat zij niet (eenvoudig) op te roepen waren. Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk, gelet op het verloop van zaken (waaronder begrepen de inspanningen van de relevante autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren) zoals het Hof in de bedoelde overwegingen uiteen heeft gezet. [4] Daarmee ligt in de overwegingen van het Hof besloten dat sprake was van een ‘goede reden’ (als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad) voor het niet horen van de bedoelde getuigen. [5]
27. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de tien vrouwen niet in strijd komt met het in het eerste lid van art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op een eerlijk proces. Hoewel het voor de hand had gelegen als het Hof het bestaan van een ‘goede reden’ daar uitdrukkelijk bij had betrokken, vind ik het oordeel in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Dat het Hof niet is nagegaan in hoeverre factoren aanwezig waren die compensatie boden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, maakt dat in de onderhavige omstandigheden wat mij betreft niet anders. [6]
28. Ook de tweede deelklacht faalt en het middel faalt dus in zijn geheel.

Het derde middel

29. Het middel richt zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde en klaagt dat het Hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘mensenhandel’ en bij de beoordeling of sprake was van ‘uitbuiting’ onjuiste criteria heeft gehanteerd, dan wel de juiste criteria op onjuiste wijze toegepast.
30. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard:
“dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016, te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) heeft gehandeld in een of meerdere vrouwen, genaamd:
• G01 - [slachtoffer 1] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G02 - [slachtoffer 2] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G03 - [slachtoffer 3] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G04 - [slachtoffer 4] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G05 - [slachtoffer 5] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G06 - [slachtoffer 6] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G07 - [slachtoffer 7] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G08 - [slachtoffer 8] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G09 - [slachtoffer 9] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G10 - [slachtoffer 10] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G11 - [slachtoffer 11] (Colombia)[ElCapitan] en
• G12 - [slachtoffer 12] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G13 - [slachtoffer 13] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G14 - [slachtoffer 14] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G15 - [slachtoffer 15] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G16 - [slachtoffer 16] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G17 - [slachtoffer 17] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G20 - [slachtoffer 18] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G21 - [slachtoffer 19] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G22 - [slachtoffer 20] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G23 - [slachtoffer 21] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G25 - [slachtoffer 22] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G26 - [slachtoffer 23] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G27 - [slachtoffer 24] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G28 - [slachtoffer 25] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G29 - [slachtoffer 26] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G30 - [slachtoffer 27] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G31 - [slachtoffer 28] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G32 - [slachtoffer 29] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G33 - [slachtoffer 30] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G34 - [slachtoffer 31] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G35 - [slachtoffer 32] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G36 - [slachtoffer 33] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G37 - [slachtoffer 34] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G38 - [slachtoffer 35] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G39 - [slachtoffer 36] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G40- [slachtoffer 37] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G41 - [slachtoffer 38] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ]
en
hij tezamen en in vereniging met anderen voornoemde vrouwen
(sub a)
door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en/of gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde vrouwen
en
(sub c)
voornoemde vrouwen heeft aangeworven uit de Dominicaanse Republiek en/of Colombia, met het oogmerk die vrouwen in een nader land, te weten Sint Maarten, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling
en
(sub f)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van voornoemde vrouwen
en
(sub i)
voornoemde vrouwen, met een of meerdere van de onder sub a genoemde middelen heeft bewogen zich te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
door:
- de vrouwen G3, G6, G8 t/m G17, G20, G22, G23, G25 t/m 35 en G37 t/m 40 in de Dominicaanse Republiek en/of Colombia aan te (doen) werven voor prostitutiewerkzaamheden in het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] op Sint Maarten en
- (vervolgens) de vrouwen G3, G11, G15, G17, G22, G23, G25, G28, G29 en G31 t/m G40 naar Sint Maarten te (doen) vervoeren en/of (vervolgens), na aankomst op Sint Maarten, naar het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] te (doen) vervoeren en
- (aldaar) voornoemde vrouwen tegen betaling van een (fors) bedrag van 50/60 USD per dag ( [bordeel 1] ) dan wel 40/50 USD per dag ( [bordeel 2] ) te huisvesten in een van de slaapkamers van het bordeel en
- voornoemde vrouwen, een fors bedrag, variërend van ongeveer 1500 USD tot 1700 USD voor een kosten werk/verblijfsvergunning voor te schieten zodat een (begin)schuld ter hoogte van dat bedrag ontstaat, en
- voornoemde vrouwen, prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten in het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] en
- voornoemde vrouwen lange dagen van ongeveer 10-11 uren te laten werken en
- voornoemde vrouwen, te bewegen 7 dagen per week te werken, door een bedrag van USD 15 in mindering te brengen op de reguliere huisvestingskosten op dagen dat er gewerkt werd waardoor voornoemde vrouwen werden bewogen om ook te werken op hun vrije dag(en) en
- voornoemde vrouwen, per klant een bedrag variërend van 3-5 USD (overdag) tot 10 USD ('s avonds) per 20 minuten voor de sleutel van een werkkamer te laten betalen aan de club en
- voornoemde vrouwen, te verplichten om telkens USD 20 per klant af te dragen totdat de bij de club uitstaande kosten voortvloeiend uit de werk/verblijfsvergunning afgelost/verrekend waren en
- voornoemde vrouwen, in het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] te onderwerpen aan (leef)regels en G6, G11, G12, G15, G29, G31 t/m G33, G37, G39 t/m G41 te onderwerkpen aan een boetesysteem en
- voornoemde vrouwen, te beperken in hun bewegingsvrijheid door nachtelijke opsluiting en door hen zogenaamde "salidas" variërend van 110 USD (overdag) tot 160 USD ('s avonds) te laten betalen indien zij met een klant het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] verlieten en
- te bewegen om een groot deel van de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden af te staan en/of af te dragen middels de verplichte en kostbare huisvesting in het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] en ten aanzien van G6, G11, G12, G15, G29, G31 t/m G33, G37, G39 t/m G41: het boetesysteem en ten aanzien van voornoemde vrouwen: het aflossen van schulden aan de club (systeem van verrekening) en
terwijl die voornoemde vrouwen in een zwakke economische en/of financiële positie verkeerden en ten aanzien van G2 t/m G4, G6, G8 t/m G17, G20 t/m G23 en G25 t/m G28: de Engelse taal niet, althans onvoldoende, machtig waren en,, voornoemde vrouwen niet over eigen huisvesting in Sint Maarten beschikten en ten aanzien van G1 tot en met G5, G7 tot en met G10, G16, G17, G20 tot en met G23 en G25 tot en met G27 op 1 november 2017: illegaal in Sint Maarten verbleven en aldus bewerkstelligd heeft dat die voornoemde vrouwen van verdachte, en zijn mededaders afhankelijk waren.
31. Het bestreden vonnis bevat de volgende bewijsoverweging (zonder voetnoten):

Overwegingen omtrent het bewijs van feit 1
Aanleiding van het onderzoek
In juni 2013 is in de Dominicaanse Republiek het onderzoek Libano gestart. Tijdens dat onderzoek is gebleken dat sprake was van internationale mensenhandel, waarbij vrouwen vanuit onder andere de Dominicaanse Republiek naar bordelen in Sint Maarten werden gebracht en daar in de seksindustrie werden tewerkgesteld. Naar aanleiding daarvan is in Sint Maarten het onderzoek Pompeï gestart.
Het onderzoeksteam Pompeï heeft in september 2015, november 2015 en maart 2016 in de Dominicaanse Republiek 21 vrouwen als getuigen gehoord. Zij hebben in 2014 en 2015 in Sint Maarten in de bordelen [bordeel 1] , [bordeel 2] en [bordeel 3] gewerkt. Op 1 november 2016 hebben huiszoekingen plaatsgevonden in de bordelen [bordeel 1] en [bordeel 2] . Bij gelegenheid daarvan zijn in totaal zevenentwintig prostituees aangetroffen. Deze vrouwen zijn aldaar door de politie als getuigen gehoord. Voorts zijn tijdens het onderzoek taps geplaatst en diverse voorwerpen in beslag genomen.
Uit de onderzoeksbevindingen is bij de politie het vermoeden ontstaan dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] zich bezig hielden met het plegen van strafbare feiten, zoals vrouwen-/mensenhandel, mensensmokkel, wederrechtelijke vrijheidsberoving en illegale tewerkstelling. [betrokkene 1] is op 24 april 2019 door het Gerecht vrijgesproken van die feiten. Dat vonnis is inmiddels onherroepelijk. In hoger beroep zijn de zaken van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan de orde.
Standpunt van de procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen van de onder 1 ten laste gelegde vrouwen-/mensenhandel wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het werven en vervoeren van de vrouwen. Daarnaast zijn de vrouwen niet uitgebuit. De vrouwen zijn vrijwillig naar Sint Maarten gekomen en zij wisten waarvoor zij kwamen, namelijk om als prostituee in [bordeel 1] of [bordeel 2] te gaan werken. De vrouwen waren doorgaans tevreden over de omstandigheden waaronder zij het werk verrichten, de huisvesting en de verdiensten die zij ontvingen. Er was geen arbeidsovereenkomst en de vrouwen waren vrij om te bepalen wanneer zij werkten. Boetes werden nimmer geïnd en het bestaan van leefregels doet niet af aan de vrijheid van de vrouwen om te stoppen met het werk. De vrouwen zijn aldus geen beperkingen opgelegd die een mondige prostituee in Sint Maarten niet zou accepteren, aldus de raadsman.
Het wettelijk kader
Vrouwenhandel/mensenhandel
Het Gerecht heeft het navolgende overwogen.
Verdachte wordt verweten dat zij zich gedurende de periode die loopt van 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016 heeft schuldig gemaakt aan vrouwen- en/of mensenhandel.
Tot 1 juni 2015 was in artikel 260 van Pro het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (SrNA) 'vrouwenhandel' strafbaar gesteld. Met ingang van deze datum is in het Wetboek van Strafrecht Sint Maarten (Sr) in artikel 2:239 'mensenhandel' strafbaar gesteld. Uit het dossier volgt dat de vermeende betrokkenheid van verdachte bij de uitbuiting van deze vrouwen zich uitstrekt over een periode waarin beide bovengenoemde wetsartikelen van kracht zijn geweest.
Het Hof heeft aan de invulling van het wettelijk kader van artikel 260 SrNA Pro uitvoerig aandacht besteed in de uitspraken in de Bada Bing-zaak [...]. In die zaak is het Hof tot de conclusie gekomen dat voor een bewezenverklaring van vrouwenhandel sprake dient te zijn van de volgende impliciete bestanddelen:
- het aanwerven, medenemen of ontvoeren van een meerderjarige vrouw of meisje (de handelingen);
- met het oogmerk haar in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen, begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (opzet en doel).
Deze bestanddelen maken eveneens onderdeel uit van de bestanddelen zoals die zijn opgenomen in artikel 2:239 Sr Pro. De beoordeling van de vraag of sprake is van vrouwenhandel dan wel mensenhandel kan om die reden in beide gevallen plaatsvinden aan de hand van de daarvoor redengevende in de tenlastelegging opgesomde feitelijkheden.
Het Hof neemt deze overweging van het Gerecht over en maakt deze tot de zijne. Waar hieronder over mensenhandel wordt gesproken, wordt daarmee derhalve ook vrouwenhandel bedoeld, voor zover de gedragingen zien op de periode vóór 1 juni 2015.
Algemene opmerkingen over artikel 2:239 Sr Pro
De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van (het oogmerk van) uitbuiting van mensen, in zeer brede zin. Bij de strafbaarstelling staat het belang van het individu voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar geestelijke en lichamelijk integriteit en persoonlijke vrijheid.
De in artikel 2:239 Sr Pro verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die deel uitmaken van artikel 2:239 Sr Pro.
Ten aanzien van het onder feit 1 onder a ten laste gelegde (artikel 2:239, eerste lid, sub a Sr)
Om tot een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van artikel 2:239, eerste lid, sub a Sr, te komen moet sprake zijn van een
gedraging(werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) onder uitoefening van een
dwangmiddel, met het
oogmerk van uitbuitingvan de ander. Voor de vervulling van de delictsomschrijving is het niet nodig dat de verhandelende persoon daadwerkelijk wordt uitgebuit. Strafbaar kan ook al zijn het verrichten van bepaalde handelingen, zoals het werven van mensen, met het oogmerk om deze uit te buiten, zonder dat het in concreto tot uitbuiting is gekomen.
De gedragingen
Naar het oordeel van Hof is in de ten laste gelegde periode sprake geweest van het werven, vervoeren en/of huisvesten van de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen. Daarbij zij opgemerkt dat niet voor elk van de 38 in de tenlastelegging genoemde vrouwen zich bewijsmiddelen in het dossier bevinden die een bewezenverklaring voor het werven en/of vervoeren rechtvaardigen. Logischerwijs zal het Hof daarom uitsluitend voor die vrouwen het werven en/of vervoeren bewezen verklaren voor zover voor die specifieke vrouwen bewijs aanwezig is in het dossier.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen vanuit de Dominicaanse Republiek of Colombia - in sommige gevallen via een tussenpersoon - contact opnamen met de andere verdachte [medeverdachte 2] met het verzoek om in het [bordeel 1] of het [bordeel 2] in Sint Maarten te komen werken.
De andere verdachte [medeverdachte 2] verstrekte hun vervolgens de benodigde informatie om naar Sint Maarten te kunnen komen en in de bordelen te kunnen komen werken. [medeverdachte 2] vroeg vervolgens de benodigde documenten op bij de immigratiedienst en stuurde deze documenten per e-mail naar de vrouwen. Als [medeverdachte 2] de documenten ingevuld terug kreeg van de vrouwen, ging zij daarmee naar de Labour Office, alwaar gecontroleerd werd of alles in orde was. Indien dat het geval was werd door het bordeel USD 1500 tot 1700 per vrouw betaald en ging [medeverdachte 2] naar Police Affairs om ook daar weer documenten te verstrekken, opdat alles gereed was als de vrouwen in Sint Maarten aankwamen. De verdachte was hiervan op de hoogte en heeft verklaard dat de andere verdachte [medeverdachte 2] alles voor de vrouwen met de immigratiedienst regelde. Ook de andere verdachte [medeverdachte 1] verzamelde de ingevulde documenten van de vrouwen en ging daarmee naar de Labour Office en het immigratiekantoor, zodat de vrouwen naar Sint Maarten konden komen. Al deze feitelijkheden worden ook niet door de verdachten ter discussie gesteld.
Met het voorgaande staat vast dat de verdachte en de andere verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen hebben geworven. Dat die vrouwen uit eigen beweging zijn ingegaan op de mogelijkheid om in Sint Maarten als prostituee in [bordeel 1] of [bordeel 2] te gaan werken, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Het is immers geen zelfstandig vereiste dat het initiatief van de verdachte of de andere verdachten is uitgegaan.
Dat de verdachte en de andere verdachten de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen hebben vervoerd volgt uit het feit dat de vrouwen bij aankomst in Sint Maarten - in opdracht van de andere verdachte [medeverdachte 2] - door de andere verdachte [betrokkene 1] werden opgehaald en naar het bordeel gebracht, alwaar zij gingen werken als prostituee.
Door de vrouwen in het bordeel waar zij werkten te laten verblijven, staat vast dat verdachte en de andere verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de vrouwen G1 tot en met G41, met uitzondering van G18, G19 en G24, (hierna gezamenlijk te noemen: de vrouwen) hebben gehuisvest.
Het Hof gaat hierna in op het vereiste of het werven, vervoeren en huisvesten onder uitoefening van dwangmiddelen heeft plaatsgevonden, en vervolgens of dat is gebeurd met het oogmerk van uitbuiting van de vrouwen.
De dwangmiddelen
De raadsman heeft aangevoerd dat de vrouwen wisten dat zij als prostituee zouden gaan werken in één van de bordelen en dat zij tevreden waren met dat werk. Instemming met seksuele uitbuiting hoeft niet echter in de weg te staan aan bewezenverklaring van die uitbuiting, indien één van de in de wet omschreven dwangmiddelen is gebruikt. De beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van prostitutie aan te nemen. Er hoeft geen sprake te zijn geweest van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was.
Het Hof is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, en misbruik van de kwetsbare positie van de vrouwen.
Bij het misbruik maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid wordt beperkt. Hiervan is volgens de wetgever sprake als een prostituee verkeert in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in - in dit geval - Sint Maarten verkeert of komt te verkeren. Dit criterium omvat in ieder geval dat de prostituee zelf bepaalt waar, wanneer, met wie, onder welke omstandigheden en tegen welke tegenprestatie zij werkt. Vereist is wel dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene, waaruit het overwicht voortvloeit.
Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Een dergelijke situatie kan zich voordoen ten aanzien van personen die uit het buitenland komen, voornamelijk wanneer zij illegaal of ongedocumenteerd in het land verblijven. Het gaat om situaties die leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken.
De hiervoor genoemde dwangmiddelen overlappen elkaar grotendeels omdat het gaat om een beperking van keuzevrijheid. Uit vaste jurisprudentie volgt dat aan beide dwangmiddelen een ruime betekenis wordt gegeven, waarmee wordt beoogd een ruime bescherming te bieden aan slachtoffers.
Dat de vrouwen zich in een kwetsbare situatie bevonden en niet konden worden aangemerkt als mondige prostituees blijkt uit de bewijsmiddelen. Daaruit volgt immers dat de vrouwen kwamen uit de Dominicaanse Republiek of Colombia, landen waar de economische omstandigheden over het algemeen slecht zijn. Zij kwamen naar Sint Maarten om in de prostitutie geld te verdienen om een beter leven voor hun familieleden en zichzelf te kunnen verwezenlijken. Dat, zoals de raadsman heeft betoogd, niet voor alle vrouwen is gebleken dat zij ‘in erbarmelijke omstandigheden' verkeerden in hun thuisland, doet niet eraan af dat zij allen naar Sint Maarten kwamen voor een beter leven en zij hebben zich daarbij verlaten op de verdachte en de andere verdachten. De meeste vrouwen spraken geen Engels en voorts is gebleken dat op 1 november 2016, het moment van de inval door de politie in [bordeel 1] en [bordeel 2] , een groot aantal van hen illegaal in Sint Maarten verbleven. De vrouwen verkeerden aldus in een geïsoleerde positie, hetgeen nog werd versterkt doordat zij werden gehuisvest in een van de slaapkamers van het bordeel waar zij werkzaam waren. Na sluitingstijd werden de deuren van de bordelen gesloten, met als gevolg dat de vrouwen in hun vrijheid werden beperkt.
Omdat de verdachten de kosten voor de werk-/verblijfsvergunning (tussen de USD 1500 en USD 1700) hadden voorgeschoten, hadden de vrouwen een enorme beginschuld, hetgeen hen direct bij aankomst in Sint Maarten in een afhankelijke positie bracht. Dit werd verder versterkt doordat zij kosten voor huisvesting moesten betalen. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de vrouwen werden onderworpen aan leefregels en dat een aantal van hen boetes kreeg opgelegd als zij zich niet aan die regels hielden.
De vrouwen konden door de hiervoor geschetste kwetsbare situatie niet zelf bepalen waar, wanneer en onder welke omstandigheden zij hun prostitutiewerkzaamheden verrichtten. Zij waren immers niet in staat zelfstandig werk te zoeken en zelfstandig onderdak te regelen, maar waren daarvoor aangewezen op de verdachten.
De verdachte en de andere verdachten hebben aldus met hun handelen misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van en van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht ten aanzien van de vrouwen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en de andere verdachten zich hiervan bewust (moeten) zijn geweest.
Het oogmerk van uitbuiting
Zoals hiervoor overwogen zijn de handelingen van sub a alleen strafbaar als deze zijn gefaciliteerd door een dwangmiddel en als zij zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Een oogmerk veronderstelt een noodzakelijkheidsbewustzijn en kan veelal worden afgeleid uit de omstandigheden. Het uitgangspunt is dat zodra er van een dwangmiddel sprake is, de eventuele vrijwilligheid van het slachtoffer niet meer ter zake doet. Dit laatste geldt in het bijzonder indien sprake is van prostitutie onder invloed van een dwangmiddel omdat er sprake is van een forse inbreuk op de lichamelijke integriteit.
In dit geval is, zoals reeds hiervoor is weergegeven, misbruik gemaakt van de situatie waarin de vrouwen zich bevonden en werden zij in hun keuzevrijheid beperkt. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden waren zij afhankelijk van verdachte en de andere verdachten en zijn zij door hen in de prostitutie aan het werk gezet en gehouden, met het oogmerk om voor hen financieel voordeel te behalen. De vrouwen moesten daarbij een (in ieder geval aanvankelijk groot) deel hun inkomsten uit prostitutie afstaan aan kosten voor huisvesting en het aflossen van hun beginschuld. Verder gold dat hoe meer de vrouwen werkten, hoe groter het financiële voordeel was. Zo werd er door het innen van sleutelgeld geld verdiend voor elke 20 minuten dat een vrouw met een klant naar de werkkamer vertrok, welk bedrag werd vermeerderd indien het langer duurde dan 20 minuten, en werd geld verdiend als een vrouw met een klant naar buiten ging door het innen van 'salidas'. Voorts werden de vrouwen gedwongen om lange werkdagen te maken. Zo moesten zij overdag verplicht drie uren werken en 's avonds ook nog eens vanaf 20.00 uur tot 3.00 uur (zondag tot en met donderdag) of 04.00 uur (vrijdag en zaterdag). Door het geven van een korting van USD 15 op de huisvestingskosten indien zij op hun vrije dagen werkten, werden de vrouwen bewogen om ook te werken op hun vrije dag. Op grond van het voorgaande constateert het Hof dat er sprake was van een uitbuitingssituatie.
De uitbuiting vond naar het oordeel van het Hof doelbewust en systematisch plaats. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte en de andere verdachten de vrouwen uitbuitten om zoveel mogelijk inkomsten te genereren. Het Hof acht dan ook bewezen dat het oogmerk van verdachte en de andere verdachten op de uitbuiting was gericht.
Ten aanzien van het in feit 1 onder c, d, f en i ten laste gelegde (artikel 2:239, eerste lid, sub c, d, f en i Sr)
Op grond van hetgeen ten aanzien van sub a is overwogen, kunnen ook het ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen (sub c), het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting (sub f) en het dwingen/bewegen van een ander tot het bevoordelen van hem (sub i) worden bewezen.
Het Hof is met de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat ten aanzien van het in feit 1 onder d ten laste gelegde. De verdachte zal daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
[…]
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de verdachte het onder
feit 1, sub a, c, f en iten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met de andere verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft begaan.”
32. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte vonnis.
Juridisch kader
33. Art. 2:239, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (hierna SrSM) luidt – voor zover hier van belang:
“Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
a. hij die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen, die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen”
34. De memorie van toelichting bij de ontwerp-Landsverordening die uiteindelijk resulteerde in het huidige art. 2:239 SrSM Pro houdt het volgende in:
“Dit artikel is in de Nederlandse wetgeving opgenomen bij wet van 9 december 2004, Stb. 645. […] Voorgesteld wordt hier de (uitgebreide) Nederlandse versie van mensenhandel geheel over te nemen.” [7]
35. Hieruit volgt dat voor de uitleg van art. 2:239 SrSM Pro kan worden aangesloten bij de uitleg die wordt gegeven aan art. 273f van het Wetboek van Strafrecht van Nederland (hierna: Sr). [8]
36. Het Hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 2:239, eerste lid, sub a, c, f en i, SrSM. Voor een bewezenverklaring van de subonderdelen a en i moet komen vast komen te staan dat de verdachte ten aanzien van het slachtoffer gebruik heeft gemaakt van een van de in sub a genoemde (dwang)middelen. Het gebruik van (een van) deze middelen dient er toe te hebben geleid dat de verdachte (een van) de gedragingen die worden genoemd in de betreffende subonderdelen met betrekking tot het slachtoffer heeft kunnen begaan. Ten aanzien van subonderdeel a geldt verder dat de verdachte het oogmerk moet hebben gehad van uitbuiting en voor de subonderdelen c, f en i geldt dat pas tot een bewezenverklaring kan worden gekomen als (daadwerkelijk) sprake is van uitbuiting. [9]
37. In zijn arrest van 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“2.4.3. Wat betreft de rechtspraak moet worden gewezen op HR 5 februari 2002, LJN AD5235,
NJ2002, 546 met betrekking tot art. 250ter (oud) Sr, waarin ook de hiervoor weergegeven onderdelen van de totstandkomingsgeschiedenis grotendeels zijn geciteerd. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
"5.5. Uit deze wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat, indien zich een situatie voordoet - door de wetgever als uitbuitingssituatie aangeduid - waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant - waarbij als een geval waarin een uitbuitingssituatie kan worden verondersteld onder meer wordt genoemd dat de prostitué(e) illegaal in Nederland verblijft - degene die de betrokkene tot prostitutie heeft gebracht niet een beroep erop kan doen dat zijn opzet niet erop gericht was dat de betrokkene zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide.
5.6.
Anderzijds zal, naar moet worden aangenomen, de dader zich wel bewust moeten zijn van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Anders zouden ook de verdachte niet bekende en ook niet kenbare hoogstpersoonlijke omstandigheden van de betrokkene in het kader van dit misdrijf relevant zijn. Anders dan in art. 250ter, eerste lid onder 3°, Sr, waarin het bestanddeel van de minderjarigheid geheel is geobjectiveerd, gaat de dader hier dus niet slechts vrijuit indien afwezigheid van alle schuld ten aanzien van zodanige omstandigheden moet worden aangenomen, doch zal het bovenbedoelde opzet uit de bewijsmiddelen moeten kunnen worden afgeleid."
Voorts is in dat arrest geoordeeld dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer illegaal in Nederland verbleef, volgt dat een afhankelijke positie - door de wetgever als een uitbuitingssituatie aangemerkt - mag worden verondersteld en dat niet van belang is of het juist die situatie is geweest die de poging van de verdachte om de betrokkene tot prostitutie te brengen succesvol heeft doen zijn en of deze zich daarvan bewust is geweest. Evenmin is van belang dat wellicht ook andere, de verdachte niet bekende factoren aan die afhankelijkheid van de betrokkene hebben bijgedragen.”
2.5.1.
In lijn met de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis en voormeld arrest geldt ook onder art. 273a (oud) Sr dat voor het bewijs van door "misbruik" handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.
[…]
2.6.1.
Bij de beoordeling van de klacht dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is van "uitbuiting" ontoereikend is gemotiveerd, dient het volgende te worden vooropgesteld.
Het in art. 273a, eerste lid, (oud) Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven memorie van toelichting doelt deze bepaling op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.” [10]
38. Voorafgaand aan de bespreking van de deelklachten merk ik nog het volgende op. In de rechtspraak over mensenhandel wordt vaak de term ‘uitbuitingssituatie’ gebruikt; ook in bovenstaand arrest. Dit begrip is afkomstig uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot invoering van art. 250a (oud) Sr (de voorganger van art. 273f Sr) heeft geleid. [11] Hiermee wordt verwezen naar de omstandigheden die het uit feitelijke verhoudingen (tegenwoordig in art. 273f Sr: omstandigheden) voortvloeiend overwicht constitueren. De bedoelde term kan niet worden gelijkgesteld aan het bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting zoals dat (impliciet) onderdeel uitmaakt van verschillende subonderdelen van art. 273f, eerste lid, Sr. [12] Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting, kan echter wel een rol spelen of het slachtoffer onvrijwillig werkt. [13] Ook in dat verband kan het dus van belang zijn of sprake is van een positie van afhankelijkheid en/of kwetsbaarheid die gevolgen heeft voor de keuzevrijheid van het slachtoffer (een uitbuitingssituatie).
De beoordeling van het middel
39. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de steller niet betwist dat alle in de bewezenverklaring genoemde vrouwen (hierna: de vrouwen) telkens in een kwetsbare positie verkeerden, omdat zij afkomstig waren uit (landen met) slechte economische omstandigheden en zij door de vereiste (werk)vergunning een beginschuld hadden bij de verdachten na aankomst in Sint Maarten. Het middel klaagt dat het Hof onbegrijpelijk heeft gemotiveerd dat de verdachte
misbruik heeft gemaaktvan de uit deze omstandigheden volgende kwetsbare positie en daarmee op ontoereikende gronden heeft bewezenverklaard dat sprake zou zijn geweest van (oogmerk van) uitbuiting.
40. Ik begrijp het middel, in samenhang met de toelichting daarop, zo dat met name is beoogd te klagen over het oordeel van het Hof dat sprake is geweest van (het oogmerk van) uitbuiting van de vrouwen. Daarom is het volgende van belang.
41. Het Hof heeft onder meer de volgende feiten vastgesteld:
i. De vrouwen waren afkomstig uit de Dominicaanse Republiek of Colombia, landen waar de economische omstandigheden over het algemeen slecht zijn, en kwamen naar Sint Maarten om in de prostitutie geld te verdienen om een beter leven voor hun familieleden en/of zichzelf te kunnen verwezenlijken.
ii. De verdachten schoten een bedrag van tussen de 1500 en 1700 USD voor de werk-/verblijfsvergunning van de vrouwen voor en zadelden hen daarmee op met een grote beginschuld.
iii. De vrouwen werden gehuisvest in een van de slaapkamers van het bordeel waar zij werkten.
iv. Na sluitingstijd werden de deuren van de bordelen gesloten, met als gevolg dat de vrouwen in hun vrijheid werden beperkt.
v. Een groot deel van de vrouwen verbleef illegaal in Sint Maarten en/of sprak geen Engels.
42. Aan het voorgaande heeft het Hof de conclusie verbonden dat de vrouwen zich in een (kwetsbare) situatie bevonden en dat zij afhankelijk van de verdachten waren. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de vrouwen onder de geschetste omstandigheden niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid hadden een vrije keuze te maken met betrekking tot het werk dat zij verrichten (en dat dus sprake was van een ‘uitbuitingssituatie’). Dit oordeel vind ik, gelet op de omstandigheden die ik heb genoemd, niet onbegrijpelijk. Nu ook ten aanzien van de werkzaamheden (en niet alleen ten aanzien van het ondergaan van een van de in art. 2:239, eerste lid sub a, SrSM bedoelde ‘gedragingen’) sprake is geweest van beperkte vrijwilligheid, is irrelevant dat de vrouwen aanvankelijk hebben ingestemd met de werkzaamheden (en de daaraan verbonden voorwaarden). [14]
43. Daarnaast heeft het Hof het volgende overwogen over (de aard en) de duur van de tewerkstelling en het economisch voordeel voor de tewerksteller. De vrouwen moesten een (in ieder geval aanvankelijk groot) deel van hun inkomsten uit prostitutie afstaan aan kosten voor huisvesting en het aflossen van hun beginschuld. Voor de huisvesting werd een fors bedrag gerekend (65/75 Amerikaanse dollars (hierna: USD) per dag ( [bordeel 1] ) dan wel 55/65 USD per dag ( [bordeel 2] ) met aftrek van 15 USD op de dagen dat de vrouwen werkten). Hoe meer de vrouwen werkten, hoe groter het financiële voordeel voor de verdachten was. De vrouwen moesten namelijk sleutelgeld betalen/afdragen voor elke twintig minuten die zij met een klant op de werkkamer doorbrachten (3-5 USD overdag en 10 USD ’s nachts). Ook moesten zij een groot bedrag (110 USD overdag en ’s nachts 160 USD) betalen/afdragen als zij zich met een klant buiten het bordeel begaven. Zij werkten minstens zes dagen in de week tussen de 10 en de 11 uur. Door de korting van 15 USD op de kosten voor huisvesting, werden de vrouwen ertoe bewogen 7 dagen in de week te werken.
44. Uit het bovenstaande volgt tot slot dat sprake was van flinke beperkingen van de vrijheid van de vrouwen, door de huisvesting in het bordeel en de daarmee gepaard gaande nachtelijke insluiting en ook door de werktijden waaraan zij zich moesten houden.
45. Het Hof heeft aan de bovenstaande vaststellingen en gevolgtrekkingen de slotsom verbonden dat sprake was van uitbuiting van de vrouwen en dat het oogmerk van de verdachten daar ook op was gericht. Gezien het vooropgestelde juridische kader is het Hof daarbij niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op het economisch voordeel dat de tewerkstelling opleverde voor de verdachten bezien in combinatie met de beperkingen voor de vrouwen en de kwetsbare positie van waaruit zij voor dit werk kozen, vind ik dit oordeel ook niet onbegrijpelijk.
46. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat [slachtoffer 15] één van de vrouwen is ten aanzien van wie het hof mensenhandel bewezen heeft verklaard, terwijl in de bewijsmiddelen niets over haar is terug te vinden, merk ik voor de volledigheid het volgende op.
47. Bewijsmiddel 15 is in de bewijsmiddelenbijlage van het hof als volgt weergegeven:
“15. Een proces-verbaal van bevindingen intake/getuigenverhoor van [slachtoffer 15] met PV-nummer 652 van 18 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina's 162-166).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Als mededeling van de verbalisanten:
Op 1 november 2016 werd in het onderzoek Pompei binnengetreden in de clubs [bordeel 1] en [bordeel 2] te [plaats] te Sint Maarten. In deze clubs werd binnengetreden teneinde vast te stellen of er sprake was van overtreding van artikel 260 en Pro of artikel 2:239 van Pro het Wetboek van Strafrecht te Sint Maarten. Met de aanwezige dames in de clubs werd een korte getuigenverklaring/intakegesprek opgenomen. Wij hebben in de club [bordeel 1] gesproken met [slachtoffer 15] .
Als de op 1 november 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] (G15):
[…]”
48. In de tenlastelegging en de bewezenverklaring is het [slachtoffer 3] aangeduid als G03 en het [slachtoffer 15] als G15. De bewijsmiddelenbijlage bevat verder als bewijsmiddel 3 een verklaring die is afgelegd door [slachtoffer 3] . In dat bewijsmiddel wordt zij ook aangeduid als G03. Ik kom al met al tot de conclusie dat bewijsmiddel 15 een kennelijke misslag bevat omdat daarin staat vermeld dat de verklaring van [slachtoffer 3] is, in plaats van dat deze afkomstig is van [slachtoffer 15] . De Hoge Raad kan dit verbeterd lezen, zodat de feitelijke grondslag aan de deelklacht komt te ontvallen.
49. Het middel faalt.

Het vierde middel

50. Het middel klaagt over de bewezenverklaringen onder 3 en 4 en bevat in dat verband twee deelklachten. De eerste deelklacht is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het verblijf van toeristen die van rechtswege op Sint Maarten zijn toegelaten door de enkele omstandigheid dat zij daar werk hebben verricht, gezocht of aangenomen wederrechtelijk wordt in de zin van voornoemde artikelen 2:154 en 2:155 SrSM. De tweede deelklacht is gericht tegen het oordeel van het Hof dat reeds sprake is van ‘winstbejag’ als bedoeld in artikel 2:154 SrSM Pro bij de enkele omstandigheid dat van iemand een huurvergoeding is gevraagd.
51. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“3.
hij op 1 november 2016 in Sint Maarten tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten:
• G01 - [slachtoffer 1] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G02 - [slachtoffer 2] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G03 - [slachtoffer 3] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G04 - [slachtoffer 4] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G05 - [slachtoffer 5] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G07 - [slachtoffer 7] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G08 - [slachtoffer 8] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G09 - [slachtoffer 9] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G10 - [slachtoffer 10] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G16 - [slachtoffer 16] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G17 - [slachtoffer 17] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G18 - [slachtoffer 39] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G19 - [slachtoffer 40] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G20 - [slachtoffer 18] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G21 - [slachtoffer 19] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G22 - [slachtoffer 20] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G23 - [slachtoffer 21] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G24 - [slachtoffer 41] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ]-en
• G25 - [slachtoffer 22] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G26- [slachtoffer 23] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G27 - [slachtoffer 24] (Colombia) [ [bordeel 2] ],
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van
- verblijf in Sint Maarten,
dan wel hen daartoe gelegenheid heeft verschaft, immers hebben hij en zijn mededaders voornoemde vrouwen gehuisvest dan wel doen huisvesten in het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] tegen betaling,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was;
4.
hij op 1 november 2016 in Sint Maarten tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten:
• G01 - [slachtoffer 1] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G02 - [slachtoffer 2] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G03 - [slachtoffer 3] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G04 - [slachtoffer 4] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G05 - [slachtoffer 5] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G07 - [slachtoffer 7] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G08 - [slachtoffer 8] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G09 - [slachtoffer 9] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G10 - [slachtoffer 10] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G16 - [slachtoffer 16] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G17 - [slachtoffer 17] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G18 - [slachtoffer 39] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G19 - [slachtoffer 40] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G20 - [slachtoffer 18] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G21 - [slachtoffer 19] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G22 - [slachtoffer 20] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G23 - [slachtoffer 21] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G24 - [slachtoffer 41] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G25 - [slachtoffer 22] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G26- [slachtoffer 23] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G27 - [slachtoffer 24] (Colombia) [ [bordeel 2] ],
welke personen zich wederrechtelijke verblijf in Sint Maarten hadden verschaft, telkens krachtens overeenkomst arbeid heeft doen verrichten, terwijl verdachte en zijn mededaders telkens wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was.”
52. Het bestreden vonnis bevat de volgende bewijsoverwegingen (de voetnoten laat ik weg):

Overwegingen omtrent het bewijs van de feiten 3 en 4
Als feit 3 is ten laste gelegd de mensensmokkel van 22 vrouwen en als feit 4 de illegale tewerkstelling van 22 vrouwen. De raadsman heeft een aantal verweren gevoerd die voor zover nodig hierna zullen worden meegenomen in de bewijsoverwegingen.
Het Hof stelt vast dat op 1 november 2016 een huiszoeking heeft plaatsgevonden in twee bordelen, genaamd [bordeel 1] en [bordeel 2] .3 Door een medewerker van de immigratiedienst is toen de verblijfsrechtelijke status van de toen en daar aanwezige vrouwen vastgesteld door middel van een controle aan de paspoorten, alsmede eventueel aanwezige werkvergunningen. Tevens hebben de vrouwen een verklaring afgelegd of zij wel of niet illegaal op Sint Maarten waren. Op grond hiervan heeft de politie de conclusie getrokken dat de vrouwen die zijn genoemd in de tenlastelegging onder 3 en 4, met uitzondering van [slachtoffer 13] (G13), illegaal in Sint Maarten verbleven.
Op grond hiervan komt het Hof tot het bewijs dat elk van de op de tenlastelegging onder de feiten 3 en 4 genoemde vrouwen, met uitzondering van G13, op 1 november 2016 illegaal in Sint Maarten verbleef. Het Hof acht onvoldoende bewijs aanwezig in het dossier om vast te stellen dat deze vrouwen in de gehele of gedeeltelijk ten laste gelegde periode van 1 januari 2016 tót 1 november 2016 illegaal in Sint Maarten verbleven. Het Hof zal de verdachte daarom voor de feiten 3 en 4 vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op de periode vóór 1 november 2016.
Bewezenverklaring van "het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf'; verweer raadsman dat niet kan worden bewezen dat de vrouwen op 1 november 2016 illegaal waren
De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de vrouwen op 1 november 2016 illegaal in Sint Maarten verbleven. Weliswaar volgt uit het dossier dat de genoemde vrouwen op dat moment niet meer over een tewerkstellingsvergunning beschikten, maar dat wil volgens de raadsman niet zeggen dat zij op dat moment niet (meer) over een tijdelijke verblijfsvergunning of andere titel beschikten op grond waarvan zij gerechtigd waren in Sint Maarten te verblijven.
Dit verweer wordt verworpen. De politie heeft in voornoemd proces-verbaal gerelateerd dat het verblijf van de desbetreffende vrouwen illegaal was. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de in het proces-verbaal getrokken conclusies over de status van het verblijf. Daarbij merkt het Hof op dat uit het genoemde proces-verbaal expliciet volgt dat de vrouwen onder nummer G16,17,18,19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 op 1 november 2016 niet in het bezit waren van een geldige verblijfsvergunning (en dus niet slechts niet beschikten over een tewerkstellingsvergunning, zoals de raadsman heeft gesuggereerd).
Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe. Voor zover uit het opgemaakte proces-verbaal zou kunnen worden opgemaakt dat slechts de tewerkstellingsvergunning van de vrouwen was verlopen - quod non - geldt nog steeds dat ook in dat geval de vrouwen wederrechtelijk verbleven in Sint Maarten, ook al beschikten zij op dat moment over een toeristenvisum, een landingsvergunning of een vergunning tot tijdelijk verblijf, zoals de raadsman heeft gesuggereerd. Geen van de vrouwen had immers een vergunning om te werken op 1 november 2016 en door dit desondanks wel te doen, verbleven zij illegaal op Sint Maarten. Dit wordt expliciet bepaald in artikel 3 lid 1 sub Pro 4 van het Toelatingsbesluit en artikel 10 van Pro de Landsverordening, inhoudende dat aan vergunningen tot tijdelijk verblijf de voorwaarde is verbonden dat betrokkene geen werk mag verrichten zonder uitdrukkelijke toestemming van de autoriteit die de tijdelijke verblijfsvergunning heeft verleend en dat hij die handelt in strijd met de hem verleende vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf, wordt geacht gehandeld te hebben zonder vergunning. Aldus ontstaat door het verrichten van werk een wederrechtelijk verblijf. Hieruit volgt derhalve ook dat de stelling van de raadsman dat de (verblijfs)vergunning moet worden ingetrokken om niet meer geldig te zijn, onjuist is.
Aldus geldt ten aanzien van feit 3 en 4 dat het bestanddeel "het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Sint Maarten op 1 november 2016" bewezen zal worden verklaard.
[…]
Specifiek ten aanzien van feit 3
Bewezenverklaring bestanddeel "uit winstbejag"
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vrouwen op 1 november 2016 gehuisvest waren bij [bordeel 1] en/of [bordeel 2] en dat zij hiervoor een huurvergoeding dienden te betalen, zoals omschreven in de tenlastelegging. Aldus zal het bestanddeel ‘uit winstbejag' zoals omschreven in de delictsomschrijving van artikel 2:154 lid 1 sub b Sr Pro bewezen worden verklaard.
[…]”
De eerste deelklacht
53. De klacht keert zich tegen de bewezenverklaring onder 3 en 4 voor zover deze inhoudt dat dat het verblijf van de daarin genoemde vrouwen in Sint Maarten wederrechtelijk was. De steller van het middel wijst daarbij op het verweer van de raadsman dat uit het dossier slechts volgt dat de betreffende vrouwen geen werkvergunning meer hadden, maar dat niet is uitgesloten dat zij op basis van een andere titel (zoals een toeristenvisum) geldig verbleven in Sint Maarten. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof bij de verwerping van het verweer ten onrechte uit is gegaan van de opvatting dat het verblijf van toeristen die van rechtswege op Sint Maarten zijn toegelaten door de enkele omstandigheid dat zij daar werk hebben verricht, gezocht of aangenomen wederrechtelijk wordt in de zin van art. 2:154 en Pro 2:155 SrSM.
54. Het Hof heeft ter weerlegging van het verweer van de raadsman de volgende vaststellingen gedaan. De politie heeft (op 1 november 2016) aan de hand van de paspoorten en eventueel aanwezige werkvergunningen van de bij [bordeel 1] werkzame vrouwen (die in de bewezenverklaring worden genoemd) hun ‘verblijfsrechtelijke status’ gecontroleerd. De betreffende vrouwen bleken de status ‘illegaal’ te hebben. De vrouwen die bij [bordeel 2] werkten, zijn diezelfde dag ook gecontroleerd door de politie. Zij waren volgens de politie allemaal niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning. [15] In het in de bewijsmiddelen weergegeven betreffende proces-verbaal, worden ook de namen [slachtoffer 39] , [slachtoffer 40] en [slachtoffer 41] genoemd.
55. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 3 en 4 genoemde vrouwen op 1 november 2016 niet over een geldige verblijfstitel beschikten en dus wederrechtelijk in Sint Maarten verbleven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van voorgaande feiten, die dat oordeel zelfstandig kunnen dragen.
56. Wat betreft de overweging van het Hof dat de vrouwen illegaal verbleven in Sint Maarten reeds omdat zij zonder werkvergunning werkten en de klacht daartegen kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 8, tweede lid, van de Landsverordening houdende regeling van de toelating tot en de uitzetting uit Sint Maarten houdt in:
“Onder toerist wordt verstaan ieder die niet langer dan drie maanden in Sint Maarten blijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die tijdens zijn verblijf in Sint Maarten geen werkzaamheden tegen beloning verricht.”
Het is duidelijk dat de vrouwen niet onder deze definitie vielen en dus, anders dan de raadsman en de steller van het middel hebben aangevoerd, niet mogelijkerwijs een geldige verblijfstitel als toerist hadden. De overweging van het Hof getuigt in zoverre dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.
57. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
58. De klacht houdt in dat bewezenverklaring van het Hof onder 3 niet toereikend is gemotiveerd. voor zover die inhoudt dat de verdachten “uit winstbejag” behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Sint Maarten door hen te huisvesten. Dat van iemand een vergoeding wordt verlangd voor genoten huisvesting, is op zichzelf immers onvoldoende om van winstbejag te kunnen spreken, aldus de steller van het middel.
59. Het Hof heeft vastgesteld dat de vrouwen 65/75 USD per dag ( [bordeel 1] ) dan wel 55/65 USD per dag ( [bordeel 2] ) betaalden voor de huisvesting (met 15 USD korting op de dagen dat de vrouwen werkten). Dat is geen verwaarloosbaar of klein bedrag. Door of namens de verdachte is ter terechtzitting niet aangevoerd dat het slechts om een onkostenvergoeding zou gaan. Het oordeel van het Hof dat de verdachten uit winstbejag handelden, is bij die stand van zaken niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
60. De tweede deelklacht faalt.
61. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het vijfde middel

62. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 2 primair tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.
63. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 primair bewezenverklaard:
“dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016, te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
• G01 - [slachtoffer 1] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G02 - [slachtoffer 2] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G03 - [slachtoffer 3] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G04 - [slachtoffer 4] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G05.- [slachtoffer 5] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G06 - [slachtoffer 6] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G07 - [slachtoffer 7] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G08 - [slachtoffer 8] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G09 - [slachtoffer 9] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G10 - [slachtoffer 10] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G11 - [slachtoffer 11] (Colombia)[ [bordeel 1] ] en
• G12- [slachtoffer 12] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G13 - [slachtoffer 13] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G14 - [slachtoffer 14] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G15 - [slachtoffer 15] (Colombia) [ [bordeel 1] ] en
• G16 - [slachtoffer 16] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G17 - [slachtoffer 17] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G20 - [slachtoffer 18] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G21 - [slachtoffer 19] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G22 - [slachtoffer 20] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G23 - [slachtoffer 21] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G25 - [slachtoffer 22] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G26 - [slachtoffer 23] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G27 - [slachtoffer 24] (Colombia) [ [bordeel 2] ] en
• G28 - [slachtoffer 25] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G29 - [slachtoffer 26] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G30 - [slachtoffer 27] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G31 - [slachtoffer 28] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G32 - [slachtoffer 29] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G33 - [slachtoffer 30] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G34 - [slachtoffer 31] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G35 - [slachtoffer 32] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G36 - [slachtoffer 33] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G37 - [slachtoffer 34] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G38 - [slachtoffer 35] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 1] ] en
• G39 - [slachtoffer 36] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G40 - [slachtoffer 37] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ] en
• G41 - [slachtoffer 38] (Dominicaanse Republiek) [ [bordeel 2] ]
wederrechtelijk van hun vrijheid hebben beroofd, door hen in het bordeel genaamd [bordeel 1] en/of [bordeel 2] op te sluiten door telkens na sluitingstijd van genoemde borde(el(en) het toegangshek leidende naar de gang van hun slaapkamers (doen) te sluiten middels een of meerdere (andere) slot(en) en/of de buitendeur van het [bordeel 1] en/of [bordeel 2] te vergrendelen terwijl zij onder zodanige omstandigheden in het/de borde(e)len zaten, dat zij niet vrij was/waren haar/hun wil te bepalen en aldus voornoemde vrouwen te beletten/belemmeren om die kamer(s) en/of het bordeel te verlaten.”
64. Het bestreden vonnis bevat in verband hiermee de volgende bewijsoverweging (de voetnoten laat ik weg):

Overwegingen omtrent het bewijs van feit 2 primair
Als feit 2 primair is - kort gezegd - ten laste gelegd dat de aldaar genoemde vrouwen op een of meerdere momenten in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016 wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd.
Het Hof acht bewezen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met de andere verdachten heeft gepleegd, nu uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en de andere verdachten, verklaringen van meerdere vrouwen en de zich in het dossier bevindende tapgesprekken, volgt dat de vrouwen 's nachts - na sluiting van de bordelen - achter slot en grendel werden gehouden, met als gevolg dat de vrouwen opzettelijk en wederrechtelijk feitelijk in hun vrijheid werden beperkt en aldus daarvan zijn beroofd en beroofd gehouden. Immers, zij konden zich niet (zonder meer) buiten het bordeel, bijvoorbeeld de straat op, begeven. Aldus is telkens sprake geweest van een situatie dat de vrouwen op een plaats vertoefden waarvan of waaruit zij zich niet op elk door ieder van hen gewenst ogenblik konden verwijderen.
Dat volgens de raadsman de bewegingsruimte van de vrouwen 's nachts niet beperkt was tot uitsluitend hun slaapkamer, doet er niet aan af dat zij beperkt werden in hun bewegingsvrijheid doordat zij zich als gevolg van door de verdachte en andere verdachten getroffen maatregelen niet (zonder meer) vrijelijk buiten de muren van het bordeel konden begeven. Ook de omstandigheid dat de vrouwen overdag (meer) vrijheden hadden om naar buiten te gaan, laat onverlet dat zij die 's nachts niet hadden, zodat zij op laatstgenoemde momenten telkens opnieuw opzettelijk wederrechtelijk van hun vrijheid werden beroofd. Voorts kan ook het argument dat de vrouwen, al dan niet op instigatie van de Gezaghebber, uit veiligheidsredenen 's nachts binnen werden gehouden de (wederrechtelijkheid van de) vrijheidsberoving niet wegnemen of rechtvaardigen, zoals de raadsman heeft betoogd. De achtergrond van artikel 2:249 Sr Pro (en artikel 295 oud Pro Sr) is nu juist erin gelegen dat het niet aan de verdachte of de andere verdachten, maar aan de vrouwen zelf is om hun eigen afweging te maken of zij al dan niet hun slaapkamer willen verlaten, bijvoorbeeld om naar buiten de straat op te gaan. Tot slot wordt een bewezenverklaring van feit 2 primair evenmin aangetast doordat de vrouwen na het (eventueel) overdag verlaten van het bordeel ervoor kozen telkens voor de nacht weer terug te keren naar het bordeel en daarmee aan de aan dat nachtelijk verblijf te relateren beperkte bewegingsruimte. Daar waar reeds eerder is vastgesteld dat de vrouwen in een afhankelijkheidspositie verkeerden ten opzichte van de verdachte en de andere verdachten en deze misbruik hebben gemaakt van de kwetsbare positie van de vrouwen, kan het gegeven dat de vrouwen 's nachts mogelijk een opgesloten verblijf achter de muren van het bordeel verkozen boven een meer of minder ongewis bestaan buiten de muren van dat bordeel waar zij geen enkele vaste grond onder de voeten hadden, niet gelden als een (stilzwijgende) instemming die de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving wegneemt.”
65. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde. De steller daarvan meent dat het Hof ten onrechte aan een aantal (uit de bewijsmiddelen volgende) omstandigheden voorbij is gegaan. Daarbij wordt erop gedoeld dat de vrouwen zouden hebben ingestemd met de insluiting, dat deze telkens maar van korte duur was, dat deze voortkwam uit veiligheidsoverwegingen en dat de vrouwen tegen betaling de deuren hadden kunnen laten ontsluiten.
66. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. [16] Het begrip vrijheidsberoving, zoals bedoeld in art. 2:249 SrSM Pro, moet niet per se beperkt worden uitgelegd. Het gaat onder meer om situaties waarin een verdachte iemand doet verblijven op een plaats waarvan deze zich niet indien gewenst kan verwijderen zonder nadelige gevolgen van een zekere ernst. [17] Ook indien de vrijheidsbeneming niet langer duurt dan enige minuten is bovendien al sprake van vrijheidsberoving. [18] De toestemming van het slachtoffer kan in bepaalde gevallen de wederrechtelijkheid van een gedraging (als vrijheidsberoving) wegnemen. Daartoe is in ieder geval vereist dat de toestemming vrijwillig is gegeven. Als de toestemming tot stand is gekomen als gevolg van bedrog, dwang, bedreiging of vergissing levert dat geen toestemming op die de verdachte vrijuit doet gaan. [19] In bepaalde gevallen kan sprake zijn van een bijzondere context waarin de vrijheidsberoving niet wederrechtelijk is, mits de vrijheidsberoving proportioneel is aan het doel dat ermee gediend wordt. [20] Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onderwijzers die hun leerlingen gedurende enige tijd dwingen op school na te blijven of ouders die hun kinderen huisarrest geven. [21]
67. Het Hof heeft vastgesteld dat de vrouwen in het bordeel waar zij werkzaam waren ’s nachts na sluitingstijd achter slot en grendel werden gehouden. Zij konden zich in die periode van enkele uren niet vrijelijk buiten de muren van het bordeel begeven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat zij slechts dan weg konden als zij vooraf een klant hadden geregeld die 160 USD (extra) voor een ‘salida’ betaalde. De vrouwen hadden dus strikt genomen wel de mogelijkheid vrijstelling te krijgen van de nachtelijke opsluiting, maar slechts onder nadelige voorwaarden, waarvan de vervulling bovendien gedeeltelijk buiten hun eigen controle lag. Dat het Hof heeft geoordeeld dat deze omstandigheden niet in de weg staan aan een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde, getuigt mede gelet op hetgeen onder 66 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het kennelijk oordeel van het Hof dat de opsluiting lang genoeg duurde om van vrijheidsberoving in de zin van art. 2:249 SrSM Pro te kunnen spreken.
68. Het Hof heeft verder overwogen dat de vrouwen in een afhankelijkheidspositie verkeerden ten opzichte van de verdachten en dat zij misbruik maakten van de kwetsbare positie van de vrouwen (om hen te laten werken onder de gegeven omstandigheden, waaronder de huisvesting in het bordeel en de nachtelijke opsluiting die daarmee gepaard ging). In het verlengde daarvan heeft het Hof geoordeeld dat het gegeven dat de vrouwen (onder deze omstandigheden) ervoor kozen ’s nachts opgesloten in het bordeel te verblijven, niet betekent dat zij instemden met de insluiting op zo’n manier dat dit de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving weg zou nemen. Ook dit oordeel getuigt wat mij betreft niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Het Hof heeft met de genoemde overwegingen namelijk tot uitdrukking gebracht dat geen sprake is geweest van een (voldoende) vrijwillige instemming.
69. Tenslotte heeft het Hof overwogen dat het niet aan de verdachte of de andere verdachten, maar aan de vrouwen zelf was om in het licht van eventuele gevaren voor de eigen veiligheid hun eigen afweging te maken of zij al dan niet hun slaapkamer wilden verlaten. Hierin ligt als oordeel van het Hof besloten dat de mogelijkheid dat de verdachten uit veiligheidsoverwegingen handelden, niet maakte dat sprake was van een bijzondere context waarin het handelen van de verdachten niet wederrechtelijk was. Ook dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
70. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat de bewezenverklaring van de onder 2 primair tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is gemotiveerd.
71. Het middel faalt.

Slotsom

72. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
73. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
74. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie R. Kuiper,
2.Zie HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
3.Zie HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
4.Vgl. HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1197,
5.Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
6.Vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:402,
7.Landsverordening van de 13e december 2012 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht, Afkondigingsblad van Sint Maarten 2013 no. 2, p. 324-325.
8.Dat in de variant van Sint Maarten wordt gesproken van ‘uit feitelijke
9.Zie ten aanzien van subonderdeel c: HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857,
10.Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
12.Zie L.N. Esser,
13.Zie de conclusie voorafgaand aan bovenstaand arrest van mijn voormalig ambtgenoot Knigge van 27 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI7099, onder 49-56.
14.Vgl. de conclusie mijn voormalig ambtgenoot Knigge van 27 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI7099, onder 49-56.
15.Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze bevindingen zijn voorgehouden aan de verdachte, waarop de verdachte heeft verklaard: “Dat is juist. De vergunningen van die vrouwen waren op 1 november 2016 verlopen.”
16.Artikel 2:249 SrSM Pro stemt (met uitzondering van de strafbedreiging) overeen met artikel 282 Sr Pro en moet daarom (gelet op het concordantiebeginsel) op dezelfde wijze worden uitgelegd.
17.A.J. Machielse, in:
18.HR 23 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8856.
19.Vgl. S.R. Bakker,
20.Vgl. S.R. Bakker,
21.Vgl. A.J. Machielse, in: