ECLI:NL:PHR:2024:303

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
15 maart 2024
Zaaknummer
23/02002
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 23 SvArt. 36e lid 3 SrArt. 26 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt proportionaliteit conservatoir beslag bij ontnemingsvordering hennepteelt en drugs

In deze zaak is conservatoir beslag gelegd op diverse goederen en bankrekeningen van de klager ter verhaal van een te verwachten ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt en handel in harddrugs. De klager verzocht gedeeltelijke opheffing van het beslag omdat hij betwistte dat het beslag in verhouding stond tot het te ontnemen bedrag, dat volgens hem veel lager zou zijn dan de geraamde € 3,2 miljoen.

De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, stellende dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het beslag. De rechtbank vond dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter later een betalingsverplichting zou opleggen en dat er onvoldoende concreet was onderbouwd dat het beslag disproportioneel was.

De Hoge Raad bevestigt dat de maatstaf 'niet hoogst onwaarschijnlijk' geldt bij beoordeling van conservatoir beslag in een summiere procedure, waarbij de beklagrechter slechts in beperkte mate mag vooruitlopen op de hoofdzaak. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beslag niet disproportioneel is, ook al betwist de klager de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad benadrukt dat disproportionaliteit kan bestaan uit een wanverhouding tussen waarde beslag en betalingsverplichting of uit zwaardere persoonlijke belangen van de klager, maar dat dit laatste niet aannemelijk was gemaakt. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het conservatoir beslag blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02002 B
Zitting19 maart 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 2 maart 2023 [1] het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave van een deel van de onder klager in beslag genomen waardevolle goederen, zoals contante geldbedragen, bankrekeningen en onroerende goederen ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/02004. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.De procesgang

2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de klager is op 12 maart 2021 door de rechter-commissaris een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven voor een bedrag van € 3,2 miljoen euro tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag is gebaseerd op een rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van 1 januari 2016, opgesteld door het Functioneel Parket Afpakken waarnaar in de aanvraag machtiging leggen conservatoir beslag van 5 maart 2021 wordt verwezen.
2.3
Vervolgens is er onder klager conservatoir beslag gelegd op een grote hoeveelheid goederen. Volgens een zich bij de processtukken bevindende lijst van 8 juni 2022 van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met een conservatoire beslagtitel, lag er op dat moment nog conservatoir beslag op de volgende saldo’s van bankrekeningen, contante gelden en onroerende goederen:
“36 Vordering van - € 5.405,59 - [rekeningnummer 1], Rabobank;
37 Vordering van - € 91.624,5 - [rekeningnummer 2], Rabobank;
38 Vordering van - € 10.051,89 - [rekeningnummer 3], ING Bank;
42 Vordering van - € 428,89 - [rekeningnummer 4], Rabobank;
41 Contant geldbedrag van € 239.195,38;
43 Onroerende registergoederen - [plaats] sectie B nummer 2953;
44 Onroerende registergoederen - [plaats] sectie A nummer 6110;
45 Onroerende registergoederen - [plaats] sectie B nummer 2483;
46 Onroerende registergoederen - [plaats] sectie G nummer 1742;
47 Onroerende registergoederen - [plaats] sectie G nummer 1743;
48 Onroerende registergoederen - [plaats] sectie A nummer 2309;
49 Contant geldbedrag van € 59.100,-“
2.4
De klager is bij vonnis van 6 juli 2022 door de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk, wegens:
1. het medeplegen van eenvoudig witwassen en eenvoudig witwassen;
2. handelen in strijd met art. 26 WWM Pro en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven genoemd in de Opiumwet in de periode van 1 januari 2019 tot en met 6 oktober 2020;
4. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met art. 2 onder Pro B Opiumwet (meermalen gepleegd) en opzettelijk handelen in strijd met art. 2 onder Pro C Opiumwet; in de periode van 6 april 2020 tot en met 6 oktober 2020; en
5. medeplegen van het in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met art. 3 onder Pro B Opiumwet in de periode van 1 maart 2019 tot en met 6 oktober 2020.
2.5
Het conservatoir beslag is blijven liggen in verband met een jegens klager aanhangig te maken ontnemingsvordering.
2.6
Op 4 januari 2023 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het conservatoir beslag gelegd op de hiervoor onder 2.3 vermelde goederen. Hiertoe is kort samengevat aangevoerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een bedrag van € 3.200.000 zal worden ontnomen en dat met een lager bedrag kan worden volstaan om verhaal zeker te stellen, omdat de berekening van het voordeelsbeslag is gebaseerd op onjuiste gegevens. In het klaagschrift wordt gesteld dat het aannemelijk is dat maximaal een bedrag van € 420.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen.
2.7
Dit klaagschrift is door de rechtbank bij beschikking van 2 maart 2023 met raadkamernummer 23-000287 ongegrond verklaard en hiertegen richt zich het cassatieberoep.
2.8
De samenhangende zaak waarin ik vandaag ook concludeer, heeft betrekking op andere contante geldbedragen die in dezelfde strafzaak tegen de klager in conservatoir beslag zijn genomen en het daartegen ingediende klaagschrift is door de rechtbank op dezelfde raadkamerzitting behandeld.

3.Standpunten van de klager en het openbaar ministerie

3.1
De rechtbank heeft hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd in haar beschikking van 2 maart 2023 als volgt samengevat:

Standpunt van klager
De raadsvrouw van klager heeft ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat aangevoerd dat er een machtiging conservatoir beslag is afgegeven voor een bedrag van 3,2 miljoen. Voor dat bedrag is het OM uit gegaan van de vermeende opbrengsten uit hennepteelt en handel in GHB/GBL. Het OM is daarbij echter uit gegaan van veel te hoge opbrengsten.
Klager vraagt in ieder geval de teruggave van:
- een contant geldbedrag van € 239.195,38;
- vorderingen op (/bankrekeningen bij) de Rabobank;
- een pand aan de [a-straat], kadastraal aangeduid: [plaats] sectie A nummer 6110;
- een pand aan de [b-straat], kadastraal aangeduid: [plaats] sectie B nummer 2953;
- een pand aan de [c-straat], kadastraal aangeduid [plaats] sectie A nummer 2309.”
3.2
Uit de pleitnota die door de raadsvrouw van klager is overgelegd tijdens de behandeling van het klaagschrift in raadkamer blijkt dat het volgende is aangevoerd:

Voordeelsbeslag
Hennep
12. Er is een machtiging voor beslaglegging op 3,2 miljoen afgegeven, wegens een hennepplantage die is aangetroffen in het pand aan de [a-straat] in [plaats], waar cliënt destijds eigenaar van was.
13. Deze machtiging was gebaseerd op een vluchtige berekening, waarbij werd uitgegaan van een periode van 3 jaar (beginnend in 2017, met in totaal 16 oogsten en 2200 planten per kweek).
14 . Inmiddels is de uitspraak van uw rechtbank in de zaak van cliënt onherroepelijk geworden. De rechtbank heeft de periode van 1 maart 2019 tot en met 6 oktober 2020 bewezenverklaard, dat zijn 83 weken. Zoals u ambtshalve vast bekend is, duurt een kweek minimaal tien weken. Zestien kweken is dan ook absoluut onmogelijk geweest.
15. Bovendien heb ik in bijlage 3 van het klaagschrift een proces verbaal gevoegd waarbij een verbalisant aan de hand van de chatgesprekken heeft uitgerekend hoeveel kweken er zouden zijn geweest. Daarin is geconcludeerd dat er vermoedelijk zes kweken hebben gestaan. Hetgeen ook door cliënt is verklaard.
16. In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel staat opgenomen dat de rechtbank een periode conform tenlastelegging van 1 januari 2019 tot 6 oktober 2020 bewezen heeft verklaard, daarmee wordt uitgekomen op 9 kweken. Dat klopt niet. U heeft het vonnis ontvangen. Op pagina 30 van het vonnis staat de bewezenverklaarde periode.
17. Daarbij kan deze periode absoluut nier langer zijn geweest, want cliënt heeft het pand pas eind 2018 gekocht en daarna is de hele plantage opgebouwd hetgeen enige tijd in beslag heeft genomen. U treft de stukken ten aanzien van de aankoop van het pand in
bijlage 2.
18. Hierbij merk ik nog op dat uit de chatgesprekken volgt dat zeker niet 6 kweken zijn gelukt. Er wordt vaak gesproken over rommel en het verwijderen van de planten, omdat het zonde is van de stroom. En er is één reeds geknipte kweek gestolen. Volgens cliënt zijn 3 kweken daadwerkelijk gelukt.
19. Dan het aantal planten per kweek. Nergens uit het dossier volgt dat er 2.200 planten per kweek hebben gestaan. Er is heimelijk binnengekeken door de politie. Enkel op de zolder van het pand is een (niet in werking zijnde) hennepkwekerij aangetroffen. Daar passen geen 2.200 planten. In het rapport wederrechtelijk verkregen oordeel wordt nu ineens uitgegaan van de oppervlakte van het gehele pand.
20. De berekening van 2200 planten is een absoluut onzuivere rekensom geweest uit een notitie die niet nader gespecificeerd is naar data of kweken uit de chatgesprekken volgt juist dat er steeds zo’n 1000 stekken worden aangekocht.
21. Tot slot de omzet. Wanneer wordt uitgegaan van € 4070 per kilogram. Dan zal dat een omzet opleveren van
€ 333.600,-en niet van miljoenen (28 gram per plant x 1000 planten x 3 kweken = 84 kilogram x € 4070). Daar zijn de kosten nog niet van afgetrokken en nog met gedeeld door drie personen. Daarom verzoek ik u van deze berekening uit te gaan.
22. Subsidiair verzoek ik u (voorlopig uit te gaan van de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel voor 6 kweken. Hetgeen een voordeel van
€ 400.661,60betreft (€ 1.201.984.80, 3 verdachten).
GHB en GBL
23. Client heeft aangegeven een paar honderd liter GBL te hebben verhandeld en daar een winst van € 4 tot € 8 per liter te hebben gemaakt. Als in het meest ongunstige geval wordt uitgegaan van de situatie dat cliënt in zijn eentje de 20.000 liter heeft verhandeld (waar een factuur van 13 aangetroffen) met een gemiddelde winst van € 6, per liter, dan wordt uitgekomen op een wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal
€ 120.000(20.000 L x € 6)
24. Subsidiair verzoek ik u (voorlopig): uit te gaan van de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van een voordeel van
€ 317.440,-.
Conclusie
25. Mogelijk zal een later oordelende rechter een maximaal bedrag van
€ 718.101,60(€ 400.661,60 + € 317.440,-) willen ontnemen. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat een later oordelende rechter een miljoenenbedrag zal willen ontnemen.
26. Het voordeelsbeslag kan zodoende worden geminderd en de verdediging verzoekt u om die reden het conservatoir beslag gedeeltelijk op te heffen. In het navolgende zal ik ingaan welke nummers cliënt specifiek verzoekt tot opheffing.
Verzoek gedeeltelijke opheffing
41 Contant, geldbedrag
27. Bij cliënt is een geldbedrag van € 239.195,38 aangetroffen en dit bedrag staat onder conservatoir beslag. Wekelijks werd 15% uit de omzet gehaald en contant bewaard. Client heeft op de terechtzitting aannemelijk gemaakt dat dit geldbedrag afkomstig is uit de kaashandel over de jaren 2018 tot en met 2020.
28. Over het jaar 2018 was al een aangifte inkomstenbelasting gedaan, zodoende is cliënt ten aanzien van dit geldbedrag veroordeeld voor witwassen. Hoewel dit geld verbeurd is verklaard, heeft cliënt daar wel al belasting over betaald, omdat de boekhouder van cliënt voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling het geld alsnog heeft opgegeven.
29. Over het restant (een bedrag van € 152.537,31) heeft de rechtbank in de strafzaak teruggave aan cliënt gelast, omdat over de jaren 2019 en 2020 nog geen aangifte inkomstenbelasting was gedaan. En er aldus nog geen strafbaar feit was gepleegd.
30. Dat bedrag is nu in de boeken verwerkt, dat betekent dat hierop er nog een belastingheffing zal worden gedaan. Client ontvangt (mede namens de eenmanszaak dit geld graag terug, anders wordt zijn zaak zwaar getroffen. Ik verzoek u daaruit het conservatoire beslag ten aanzien van nummer 41 op te heften en de teruggave te gelasten.
36 en 42 Vorderingen Rabobank
31. Er ligt beslag op een aantal vorderingen van de Rabobank. Cliënt wil graag dat van deze nummers het beslag wordt opgeheven, omdat hij geen klant meer is bij de Rabobank. Er liep een onderzoek omdat cliënt teveel grote coupures zou storten op zijn zakelijk rekening. Client heeft uitgelegd dat hij veel contant geld verdient op de markt, maar uiteindelijk is cliënt weggegaan bij de Rabobank en heeft zijn zakelijke en privérekeningen overgezet naar de ING bank.
32. Nummer 37 is al overgezet naar een ING rekening Op nummer 36 en 42 zijn nog wel vorderingen bij de Rabobank. Dat zijn privérekeningen van cliënt. Client wil de periode bij de Rabobank graag helemaal afsluiten en verzoekt u daarom om het beslag ten aanzien van deze nummers op te heffen.
Onroerende goederen
44. [plaats] sectie A nummer 6110
33. Client heeft op 26 november 2018 het pand aan de [a-straat] gekocht. In
bijlage 2treft n de koopovereenkomst. Hieruit volgt dat de koopsom en bedrag van € 120.000, betrof. Van dat bedrag is € 110000 gefinancierd door de grootvader van cliënt In bijlage 2 treft u ook de leenovereenkomst en u ziet ook de rekeningafschriften waaruit volgt dat de heer I.T. Baars op 14 december 2018 het bedrag van € 110.000, rechtstreeks heeft overgemaakt aan de notaris.
34. Client heeft inmiddels met medewerking van het openbaar ministerie het pand verkocht. De overwaarde is bijgeschreven op de rekening van het openbaar ministerie. U treft die stukken in
bijlage 3.
35. Echter heeft het openbaar minister uiteraard niet meegewerkt met het verzoek van cliënt om de € 110.000, terug te betalen aan zijn opa. Zodoende heeft cliënt nog steeds een lening op een pand dat hij niet meer in zijn bezit heeft.
36. Client wil graag dat het beslag van nummer 44 wordt opgeheven. Het geleende geld kan hij dan teruggeven aan zijn opa en cliënt heeft geen verplichtingen meer voor het voldoen van de rente.
43. [plaats] sectie B nummer 2953 ([b-straat 1], [plaats]).
48. [plaats] sectie A nummer 2309 ([c-straat 1], [plaats])
37. Bovengenoemde panden heeft cliënt in eigendom tezamen met zijn broer [betrokkene 1]. In
bijlage 4treft u het proces verbaal dat ingaat op het vermogen van cliënt. Hieruit volgt dat voornoemde panden slechts in 50% in bezit zijn bij cliënt.
38. De broer van cliënt is op geen enkel moment als verdachte aangemerkt en cliënt vindt het dan ook heel vervelend dat het beslag ook zijn broer raakt. Cliënt verzoekt u dan het beslag ten aanzien van deze panden op te heffen.
Conclusie
39. Sinds oktober 2020 ligt er conservatoir beslag op het vermogen van cliënt. De strafzaak van cliënt is nu ruim een half jaar geleden afgedaan. De ontnemingszaak ligt stil. De verdediging acht het onredelijk bezwarend dat het beslag voor zo’n lange periode blijft liggen terwijl duidelijk is dat niet dit gehele bedrag zal worden ontnomen. De verdediging verzoekt u daarom om een gedeelte van beslag op te heffen, met daarin in elk geval inbegrepen nummers 36, 41, 42, 43, 44 en 48.”
3.3
Het openbaar ministerie heeft tijdens de raadkamerbehandeling hierop als volgt gereageerd:
“ De officier van justitie heeft verklaard:
Bij de aanvraag conservatoir beslag zit een overzicht. Daarbij zit ook een overzicht van de hypotheek (bijlage 9). Er ligt conservatoir beslag onder klager. Hij is veroordeeld. Er is een ontneming aangekondigd. Er is nog geen zittingsdatum bekend. Ik denk dat onder verwijzing naar het rapport het wel aannemelijk is dat het voordeel 3,2 miljoen is.
In de onderhavige procedure dient slechts summier te worden getoetst. Het is onjuist dat we de periode die wordt genoemd moeten aanhouden. Een ontneming kan over een ruimere periode gaan. Gelet op de stukken die er liggen en gelet op het rapport wederrechtelijk voordeel is de hoeveelheid gelegd beslag niet buitensporig.
De in beslag genomen voorwerpen dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager in de ontnemingszaak op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ik verzoek het beklag ongegrond te verklaren.”

4.De beschikking

4.1
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager als verdachte. Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94a Sv is daarbij in dit geval allereerst van belang of sprake is van een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Daarnaast moet worden beoordeeld of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt dat sprake is van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Daarnaast acht de raadkamer het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klager in de ontnemingszaak de verplichting tot betaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
De raadkamer overweegt daartoe dat klager onherroepelijk is veroordeeld, onder andere voor hennepteelt en handel in harddrugs. Klager betwist ook niet dat er sprake is geweest van wederrechtelijk voordeel en dat een ontnemingsmaatregel zal volgen. Enkel de hoogte van het te ontnemen bedrag wordt betwist.
De raadkamer is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
De raadkamer ziet in hetgeen namens klager is aangevoerd aanleiding om te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is immers gesteld dat er voor een veel te hoog bedrag beslag is gelegd.
Wat betreft het contante geldbedrag is aangevoerd dat dit afkomstig is uit de kaashandel van klager, over een deel van dit bedrag is nog belasting verschuldigd.
Over de Rabobankgelden is aangevoerd dat klager graag alle zaken met de Rabobank afwikkelt, omdat hij daar geen klant meer is.
Klager stelt over het pand aan de [a-straat] dat dit pand is aangekocht met een financiering van de grootvader van klager. Het pand is weliswaar verkocht, maar het OM weigert het geldbedrag aan grootvader uit te keren. De anderen twee panden zijn voor 50% eigendom van de broer van klager, die niet verdacht wordt van enig feit en hij wordt thans ook geraakt door het beslag.
De raadkamer overweegt dat een wanverhouding tussen de waarde van het beslag en het uiteindelijk te ontnemen bedrag een rol kan spelen bij de vraag of voortduring van dat beslag disproportioneel is. Die enkele omstandigheid is in beginsel echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van disproportioneel beslag.
Ook als er van uit wordt gegaan dat het te ontnemen bedrag aanmerkelijk lager zal zijn dan 3,2 miljoen, dan nog is naar het oordeel van de raadkamer voor het overige onvoldoende concreet onderbouwd waarom voortduring van het beslag disproportioneel zou zijn.
Ten aanzien van het contante geldbedrag overweegt de raadkamer in dit verband dat niet concreet is onderbouwd wat en wanneer er aan belastingen betaald moet worden. Wanneer er een concrete belastingschuld ligt, zou deze eventueel ook rechtstreeks door het OM aan de Ontvanger kunnen worden uitgekeerd.
Over de bankrekeningen is de wens de samenwerking met de Rabobank te staken onvoldoende zwaarwegend om te oordelen dat voortduring van dat deel van het beslag daarom niet langer proportioneel is.
Met betrekking tot de onroerende zaken overweegt de raadkamer dat niet zozeer de belangen van klager in het gedrang zijn als wel de belangen van zijn grootvader en broer. Of en in hoeverre zij feitelijk in hun belangen worden geschaad is echter niet gebleken.
Gelet op het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De raadkamer verklaart het beklag
ongegrond.”

5.Het middel

5.1
Het middel klaagt over schending van het recht dan wel verzuim van vormen, in het bijzonder art. 1, Eerste Protocol EHRM en de artikelen 23, 94a en 552a Sv, “doordat de rechtbank bij beoordeling van het klaagschrift blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en/of de beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed”.
5.2
In de toelichting op het middel kunnen, als ik het goed zie, twee deelklachten worden onderscheiden:
a) De eerste deelklacht heeft betrekking op de wijze waarop de rechtbank de stelling van de klager, die erop neerkomt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, verzoeker zal verplichten tot betaling van het bedrag waarvoor de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag is afgegeven, te weten € 3.200.000,-, heeft verworpen.
b) De tweede deelklacht heeft betrekking op het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit, met name dat de rechtbank daarbij een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. In dat verband wordt ook geklaagd over het kennelijk oordeel van de rechtbank dat zij over voldoende gegevens beschikte voor de beoordeling van het klaagschrift. Gelet op het uitvoerig onderbouwde standpunt van de klager en de summiere reactie van de officier van justitie daarop had de rechtbank nadere informatie van de officier van justitie moeten vragen.
Bespreking van de eerste deelklacht
5.3
De eerste deelklacht heeft betrekking op de zogenaamde ‘hoogst onwaarschijnlijk’ maatstaf waaraan de Hoge Raad in zijn meest recente overzichtsarrest van 31 januari 2023 voorafgaande beschouwingen heeft gewijd. [2] De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de ‘hoogst onwaarschijnlijk’ maatstaf het volgende:
“ 2.3.2 Aan het hanteren van het hiervoor genoemde criterium dat (zich niet het geval voordoet dat) het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter – kort gezegd – tot de oplegging van een straf of maatregel zoals onder 2.3.1 genoemd overgaat, ligt ten grondslag dat het onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog loopt, en dus voordat de strafzaak of de ontnemingszaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft het onderzoek in raadkamer een summier karakter, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak of ontnemingszaak. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak. De Hoge Raad ziet mede daarom geen aanleiding dit criterium te herformuleren.
[…]” [3]
5.4
Aan de regel dat de rechter maar in zeer beperkte mate mag vooruitlopen op de beslissingen in de hoofdzaak, in casu de ontnemingszaak, ligt de ratio ten grondslag dat voorkomen moet worden dat dat de beklagrechter de executie van eventuele beslissingen die door de zittingsrechter in de hoofdzaak worden genomen, door teruggave van het beslag onmogelijk maakt. Dat uitgangspunt impliceert ook dat de beklagrechter in de beklagprocedure alleen mag vooruitlopen op de uitkomst van een ontnemingsvordering als de enkele mogelijkheid van ontneming zo onwaarschijnlijk is, dat dit zonder gevaar van belemmering van de rechter in de hoofdzaak kan leiden tot gegrondverklaring van het beklag. [4]
5.5
Hetgeen door de raadsvrouw, zoals hiervoor geciteerd onder randnummer 3.2, tijdens de raadkamerzitting naar voren is gebracht, komt in feite neer op een betwisting van de hoogte van de ontnemingsvordering met een verzoek aan de beklagrechter om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een lager bedrag. Dat is een verweer dat thuis hoort in de ontnemingszaak. Het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager in de ontnemingszaak de verplichting tot betaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, is in dat licht volstrekt begrijpelijk. Temeer nu zich bij de stukken in het dossier een vlak voor de raadkamerzitting opgemaakt rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bevindt van 31 januari 2023. [5] Daarin is het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel, gedetailleerd onderbouwd, begroot op € 3.205.292,80 (hennepteelt) en € 317.440 (harddrugs). Tevens wordt in dit rapport onder punt 9 opgemerkt dat het op grond van de processen-verbaal niet mogelijk is om het totaal verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel vanuit de hennepteelt op te splitsen tussen de klager en zijn twee medeverdachten. Derhalve wordt het aan de rechter gelaten om te bepalen of de deelnemers aan het samenwerkingsverband hoofdelijk, dan wel voor een door de rechter te bepalen deel aansprakelijk worden gesteld voor de gezamenlijke betaalverplichting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennep. Ook hierop kan de beklagrechter niet vooruitlopen.
5.6
Verder is van belang dat de officier van justitie in raadkamer heeft gezegd dat het onjuist is dat de periode die wordt genoemd (ik neem aan in het vonnis waarbij de klager is veroordeeld) moet worden aanhouden omdat een ontneming over een ruimere periode kan gaan. De OvJ heeft hiermee kennelijk voor ogen gehad dat art. 36e lid 3 Sr de mogelijkheid biedt om in een geval waarin de verdachte is veroordeeld voor een misdrijf dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie – zoals in de onderhavige zaak het geval is – uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in de zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf als wederrechtelijk verkregen voordeel bij de ontnemingsvordering te betrekken. Het namens de klager gevoerde verweer dat de klager in de bewezen verklaarde periode slechts voor maximaal € 718.101,60 wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten (afkomstig uit de hennep- en GHB-handel) [6] sluit dus geenszins uit dat uiteindelijk een hoger bedrag zal worden ontnomen.
5.7
Ik meen dan ook dat de rechtbank kon oordelen dat op grond van de zich op dat moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager in de ontnemingszaak de verplichting tot betaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
5.8
De eerste deelklacht faalt.
Bespreking van de tweede deelklacht
5.9
Deze deelklacht heeft, zoals hiervoor reeds aangegeven, betrekking op de vraag of de rechtbank bij haar oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd en of de rechtbank gelet op het uitvoerig onderbouwde standpunt van de klager en de summiere reactie van de officier van justitie daarop, nadere informatie van de officier van justitie had moeten vragen, alvorens te beslissen.
5.1
In zijn, reeds hiervoor aangehaald, arrest van 31 januari 2023 [7] is de Hoge Raad tot een zekere bijstelling gekomen van zijn rechtspraak met betrekking tot de beoordeling door de beklagrechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De relevante overwegingen luiden als volgt:
“ 2.4.1.
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en Pro/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890 (NJ 2008/63; red.), HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 (NJ 2010/48; red.) en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en — als dat het geval is — welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken — en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen — kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
2.4.3
Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
2.4.4
Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv Pro aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv Pro gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2-3.3.3 (NJ 2022/163, m.nt. P.A.M. Mevis; red.).)”
5.11
De rechtbank heeft in hetgeen namens klager is aangevoerd aanleiding gezien om te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat gesteld is dat er voor een veel te hoog bedrag beslag is gelegd. Naar aanleiding van wat daartoe door de klager is aangevoerd, heeft de rechtbank overwogen:
“De raadkamer overweegt dat een wanverhouding tussen de waarde van het beslag en het uiteindelijk te ontnemen bedrag een rol kan spelen bij de vraag of voortduring van dat beslag disproportioneel is. Die enkele omstandigheid is in beginsel echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van disproportioneel beslag.
Ook als er van uit wordt gegaan dat het te ontnemen bedrag aanmerkelijk lager zal zijn dan 3,2 miljoen, dan nog is naar het oordeel van de raadkamer voor het overige onvoldoende concreet onderbouwd waarom voortduring van het beslag disproportioneel zou zijn.”
5.12
In de cassatieschriftuur wordt onder andere gesteld dat deze overweging van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [8]
5.13
Hier heeft de steller van het middel een punt. Het kan zijn dat de rechtbank zich ongelukkig heeft uitgedrukt, maar het lijkt er wel op dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift ervan is uitgegaan dat van disproportionaliteit slechts sprake kan zijn als naast een wanverhouding tussen de waarde van het gelegde beslag en het te ontnemen bedrag, nog andere omstandigheden aannemelijk moeten worden gemaakt op grond waarvan de belangen van de klager zich verzetten tegen het voortduren van het beslag. Dit lijkt mij onjuist omdat zich twee vormen van disproportionaliteit kunnen voordoen. In de eerste plaats als er geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. In dat geval rechtvaardigt het strafvorderlijk belang dat met het conservatoir beslag wordt gediend, het (teveel aan) beslag niet. Disproportionaliteit kan zich los daarvan ook voordoen als het strafvorderlijk belang van executie niet opweegt tegen de belangen van de beslagene. Dan kan het beslag op zichzelf wel gerechtvaardigd zijn, maar moeten andere belangen van de beslagene zwaarder wegen. [9]
5.14
Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden.
5.15
Ik meen dat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat er geen sprake is van disproportionaliteit vanwege de omstandigheid dat er geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Daarvoor verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder 5.5 - 5.7 ten aanzien van de eerste deelklacht heb opgemerkt. Hiermee samenhangend meen ik dat ook de klacht inzake de begrijpelijkheid van het kennelijke oordeel van de rechtbank dat zij over voldoende gegevens beschikte voor de beoordeling van het klaagschrift faalt. Daarvoor verwijs ik wederom naar hetgeen ik hiervoor onder 5.5 - 5.7 heb opgemerkt.

6.Conclusie

6.1
Het middel faalt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de beschikking staat abusievelijk 16 februari 2023, zie proces-verbaal van de raadkamerzitting van 16 februari 2023.
2.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. Mevis. Zie ook HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:416, NJ 2023/151, m.nt. Mevis, rov. 2.3.2.
3.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. Mevis.
4.Zie ook de noot van Mevis onder voorgaand arrest onder punt 3.
5.Hiernaar is door de raadsvrouw in haar hierboven onder 3.2. geciteerde pleitnota verwezen.
6.Waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot hennephandel door de raadsvrouw is gedeeld door drie, zie onder punt 22 van de pleitnota.
7.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. Mevis.
8.Zie cassatieschriftuur onder 27 en 28.
9.Zie de conclusie van AG Knigge (onder 5.9) voorafgaand aan HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:274 en dit arrest onder rov 2.4.2.; HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:416, NJ 2023/151, m.nt. Mevis. Dit blijkt mijns inziens ook uit HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. Mevis, rov. 2.4.1. De Hoge Raad overweegt immers dat “daarnaast” (verwijzende naar het geval dat door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met art. 94 en Pro/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan) sprake kan zijn van disproportionaliteit als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Hieruit leid ik af dat deze vormen van disproportionaliteit van elkaar dienen te worden onderscheiden.