Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
4 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland over het conservatoir beslag op een bedrag van € 6.272,91 op haar bankrekening, bestaande uit een met terugwerkende kracht toegekende bijstandsuitkering. Het beslag werd gelegd in verband met verdenking van oplichting, verduistering en witwassen.
De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, stellende dat het beslag proportioneel en subsidiair was, mede omdat de inhoudelijke strafzaak binnen anderhalve maand zou plaatsvinden. Klaagster voerde aan dat het beslag haar onder het bestaansminimum bracht, geen rekening werd gehouden met de beslagvrije voet, zij geen andere inkomsten of vermogen had, en dat het beslag al bijna vijf jaar duurde.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beslag ondanks deze omstandigheden proportioneel en subsidiair zou zijn. De enkele omstandigheid van de naderende strafzaak is ontoereikend. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift, waarbij de financiële situatie van klaagster en de wettelijke eisen aan beslagvrije voet en proportionaliteit moeten worden betrokken.
De uitspraak bevestigt de noodzaak dat beslag op bijstandsuitkeringen niet mag leiden tot het onder het bestaansminimum komen van de betrokkene en benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij voortzetting van beslag in het licht van gewijzigde wetgeving en jurisprudentie.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt beschikking en wijst zaak terug wegens onvoldoende motivering voortzetting beslag.