ECLI:NL:PHR:2024:32

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
9 januari 2024
Zaaknummer
23/01775
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 359a lid 3 SvArt. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op noodweer(exces) bij doodslag na schietincident op camping

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens doodslag op een slachtoffer op een camping, waarbij hij viermaal met een vuurwapen op het slachtoffer schoot. Het hof heeft het beroep op noodweer en noodweerexces verworpen omdat de feitelijke grondslag daarvan niet aannemelijk was geworden.

De verdachte en het slachtoffer kenden elkaar en hadden een afspraak om goederen terug te geven die in bewaring waren gegeven. Tijdens de ontmoeting ontstond een conflict waarbij het vuurwapen aanwezig was. Uit forensisch onderzoek, verklaringen en reconstructies bleek dat het scenario van de verdachte, dat hij uit noodweer handelde, niet overeenkwam met de feiten, zoals de positie van de schotwonden en het gebruik van telefoons door het slachtoffer.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) en dat het oordeel dat het scenario van de verdachte niet aannemelijk is geworden, voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf wegens doodslag blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01775
Zitting27 februari 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 2 mei 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] [benadeelde 2] (gedeeltelijk) toegewezen en telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] afgewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.L. L’Homme, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer(exces) en valt in vier deelklachten uiteen.
3.2
Voordat ik deze deelklachten bespreek, geef ik ten behoeve van een goed begrip van de zaak en van het middel eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de verwerping van het beroep op noodweer(exces) weer.
3.3
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 9 november 2020 te [plaats], [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
3.4
Het hof heeft met toepassing van art. 359a lid 3, tweede volzin, Sv, deze bewezenverklaring gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van verhoor, opgenomen op pagina’s 1163-1174 (procesdossier deel 6) van een dossier met proces-verbaalnummer 2020310797, met onderzoeksnaam TGO NN3R020124-Anders, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
2. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland van 1 april 2022, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
3. De bekennende verklaring van verdachte, op 3 april 2023 afgelegd ter zitting van het hof;
4. Een geschrift, te weten een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood van het NFI d.d. 30 november 2020, pagina’s 250-262 (procesdossier deel 2).”
3.5
Het hof heeft het verweer met betrekking tot noodweer(exces) – voor zover van belang voor de beoordeling van het middel en met weglating van voetnoten – als volgt samengevat en verworpen:
“1. Noodweer/noodweerexces
Niet ter discussie staat dat verdachte [slachtoffer] via het schieten met een vuurwapen opzettelijk om het leven heeft gebracht. Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld, op grond waarvan hij zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Standpunt van verdachte
Verdachte heeft aangegeven dat hij met [slachtoffer] heeft afgesproken dat hij op 9 november 2020 door hem van [slachtoffer] in bewaring genomen goederen weer zou teruggeven aan [slachtoffer]. Het betroffen drie goudstaafjes en een Rolex-horloge. Hij voelde zich al van tevoren erg bedreigd door [slachtoffer]. [slachtoffer] had hem in oktober 2020 bedreigende berichten gestuurd. [slachtoffer] heeft hem met diens BMW afgehaald bij het station Assen. Verdachte reed als bestuurder met [slachtoffer] als bijrijder naar de [camping] in [plaats]. Eenmaal daar aangekomen, werd verdachte op enig moment in de auto geconfronteerd met een door [slachtoffer] meegebracht pistool. Verdachte voelde zich daardoor zodanig bedreigd, dat hij dacht dat hij beschoten zou worden. Vervolgens is een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] ontstaan. Daarbij heeft verdachte uiteindelijk het pistool van [slachtoffer] afgepakt. Terwijl [slachtoffer] op hem lag, heeft hij [slachtoffer] beschoten. [slachtoffer] is toen overleden.
[…]
Het hof
Juridisch kader (artikel 41 Wetboek Pro van Strafrecht)
Vooropgesteld moet worden dat als door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer of noodweerexces, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee de proportionaliteits- en subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Met betrekking tot noodweerexces geldt dat de verdachte door zijn gedragingen weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door (het onmiddellijk dreigend gevaar voor) de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
Het hof dient nu eerst te beoordelen of de feitelijke grondslag van het noodweerverweer zoals dat door verdachte is gevoerd, aannemelijk is geworden. Hierbij is het hof zich ervan bewust dat de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag worden gelegd, maar ook dat de opstelling van verdachte bij de presentatie van zijn noodweerscenario betrokken kan worden bij dit oordeel. Hierbij merkt het hof nog op dat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen; danwel het verwerpen daarvan.
De vastgestelde feiten
Verdachte en [slachtoffer] kenden elkaar sinds 2012. Zij kregen, na een onderbreking, halverwege 2020 weer contact met elkaar. Beiden hielden zich bezig met handel in verdovende middelen. [slachtoffer] heeft verdachte in de zomer van 2020 een aantal waardevolle goederen in bewaring gegeven. Het betroffen drie goudstaafjes, een Rolex-horloge en € 20.000,- contant geld. De spullen zouden ten minste voor een deel dienen als nalatenschap voor [slachtoffer] dochter, ingeval hem iets zou overkomen. [slachtoffer] wilde nadien die spullen terug. Verdachte heeft geprobeerd die teruggave alsmaar uit te stellen. De € 20.000,- heeft verdachte ondertussen uitgegeven om schulden af te betalen. Uiteindelijk spreken beiden af dat ze elkaar op 9 november 2020 zullen treffen. [slachtoffer] zal de spullen dan van verdachte terugkrijgen. [slachtoffer] woont op dat moment op [camping] in [plaats]. Aan de ontmoeting gaan in elk geval de volgende Whatsapp-gesprekken vooraf. Ze stonden op de telefoon van [slachtoffer].
[…]
[slachtoffer] haalt op 9 november 2020 met zijn BMW verdachte rond 18.30 uur op bij treinstation Assen. Omstreeks 19.07 uur passeert de BMW de slagboom van de camping. [slachtoffer] had twee telefoons bij zich. Die waren om 19.08.15 uur (een rode iPhone) en om 19.08.25 tot 19.08.32 uur (een witte iPhone) ontgrendeld. Op de camping aangekomen, schiet verdachte in de auto vier maal met een vuurwapen op [slachtoffer]. [slachtoffer] komt door één van de inschoten, dat van de linkerborst, te overlijden. De politie treft hem daar op aanwijzing van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] omstreeks 19.45 uur aan op de bijrijdersstoel. Alle schotverwondingen bevinden zich aan de linkerzijde van [slachtoffer] lichaam. De kogeltrajecten beginnen alle in en rond de linkerschouder en lopen naar rechts. De schootsafstanden van de verschillende beschadigingen zijn minimaal vijf à tien (tot maximaal vijftig) centimeter geweest.
Verdachte is al gevlucht als de politie ter plaatse komt. Hij neemt een Adidas sporttas mee en laat die met het wapen achter in een greppel. Op 10 november 2020 gooit hij, na een bespreking met zijn advocaat, zijn telefoon weg. De simkaart stopt hij in een andere telefoon. De code van die simkaart weigert hij aan de politie te geven. De andere telefoon is op 1 mei 2020 in gebruik genomen en op 1 en 2 mei 2020 actief geweest. Op die twee dagen is gebeld naar een telefoonnummer dat in gebruik is bij het advocatenkantoor van de advocaat van verdachte, maar ook naar verdachtes zus en een vriendin van verdachte. Daarna, tot 10 november 2020, is de telefoon niet meer actief geweest.
Op 11 november 2020 meldt hij zich, na een daartoe met zijn advocaat gemaakte afspraak, aan het politiebureau in Leeuwarden. Op 11 november 2020 treft een onderzoeksteam in een boswal op 200 à 300 meter van de camping die Adidas sporttas aan. Daarin, in het voorvak, bevindt zich een grijs/zwart pistool, met gespannen haan en een huls dwars in de uitwerpopening. Verder zit er onder andere kleding van verdachte in die tas. Op het wapen treft de politie veel bloedsporen aan. Het daarin aangetroffen DNA-materiaal is - kort gezegd - van [slachtoffer]. Op de ruwe delen van het wapen treft men - kort gezegd - een relatief geringe hoeveelheid DNA aan van verdachte. Op de loop van het wapen is geen DNA van verdachte aangetroffen. Daarnaast wordt een relatief grote hoeveelheid DNA aangetroffen op de onderzijde van de patroonhouder. Dat DNA blijkt - kort gezegd - afkomstig van de minderjarige dochter van de vriendin van verdachte. Op de huls treft men DNA-materiaal aan dat - kort gezegd - afkomstig was van [slachtoffer].
Op 12 november 2020 treft de politie een zwart Versacetasje aan dat aan [slachtoffer] toebehoorde. Verdachte had dat tasje in de buurt van de camping, onder bladeren verstopt. In dat tasje zaten geld en een Rolex-horloge. Niet het goud en niet het Rolex-horloge dat [slachtoffer] aan verdachte in bewaring had gegeven. Die zijn niet teruggevonden.
Verdachte legt op 11, 17 en 19 november 2020 en 8 maart 2021 bij de politie verklaringen af. Op 1 december 2020 vindt een reconstructie plaats.
Samengevat komen verdachtes verklaringen en bij de reconstructie verrichte handelingen ten tijde van het schietincident op het volgende neer. [slachtoffer] heeft in de BMW een geladen en op scherp staand pistool op zijn linkerbeen liggen. Daarbij is de loop van het wapen gericht op verdachte. Verdachte pakt het wapen bij de loop en komt vervolgens in een worsteling met [slachtoffer] terecht. Verdachte weet daarbij het wapen te bemachtigen. [slachtoffer] duikt dan boven op hem. Verdachte vuurt het wapen dan zo vaak als hij kan af. Verdachte blijkt vier schoten te hebben gelost. Verdachte en [slachtoffer] vechten/worstelen dan door totdat [slachtoffer] achterover in zijn stoel zakt en overlijdt.
Waardering van de feiten
Het hof stelt voorop dat het opzettelijk gericht en op korte afstand lossen van meerdere schoten op een persoon naar de uiterlijke verschijningsvorm als aanvallend kan worden aangemerkt.
Het hof stelt voorts vast dat uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting bij de rechtbank en het hof niet valt op te maken wie het pistool aanvankelijk bij zich had in de auto. De op het vuurwapen aangetroffen DNA-sporen zijn onvoldoende onderscheidend om vast te stellen of die meer steun bieden aan verdachtes scenario dat [slachtoffer] het wapen heeft meegenomen of aan het scenario dat verdachte dat al vanaf het begin bij zich had. Voor de daarover afgelegde getuigenverklaringen geldt hetzelfde. Uit de verklaring blijkt onvoldoende nauwkeurig welk type wapen [slachtoffer] aan verdachte zou hebben verkocht. Beide personen in de auto hadden een reden om met een pistool naar het treffen te komen. Er was namelijk sprake van drie goudstaafjes, een horloge van het merk Rolex en 20.000 euro die het slachtoffer al langere tijd terug wilde van verdachte, maar die verdachte niet alle terug kon geven. Het staat alleen vast dat het pistool in de auto aanwezig was toen de auto, met verdachte achter het stuur en het slachtoffer als bijzitter, het terrein van de camping op reed. Het slachtoffer verbleef daar in een chalet.
Het hof neemt aan, op grond van de aanwezigheid van het DNA van zowel verdachte als het slachtoffer op het pistool als op grond van de ongecontroleerde rijbeweging van de auto waarbij deze tegen een boom aan reed, dat op enig moment voorafgaand aan het lossen van de schoten door verdachte, tussen verdachte en het slachtoffer een confrontatie in de auto heeft plaatsgevonden om het pistool in bezit te houden, dan wel te krijgen.
Het hof stelt vast dat de wijze waarop verdachte zowel bij de politie als bij de reconstructie heeft verklaard en heeft voorgedaan over de wijze waarop hij [slachtoffer] zou hebben beschoten, niet past bij de resultaten van het schotrestenonderzoek en het radiologisch onderzoek. Anders dan voorgedaan door verdachte, is er enige ruimte geweest tussen het wapen en het lichaam van het slachtoffer op het moment van schieten. Verdachte kan de schoten niet hebben afgevuurd terwijl [slachtoffer] op hem lag, maar moet dat op korte afstand van [slachtoffer] hebben gedaan. In het scenario van verdachte, zouden de inschoten zich meer aan de voorzijde van het lichaam [slachtoffer] hebben bevonden en zou de baan van de kogels van de voorzijde van diens lichaam naar de achterzijde daarvan hebben moeten lopen. Uit het radiologisch onderzoek blijkt echter anders. De inschotbanen lopen van links naar rechts door het lichaam, vanaf de linkerschouder naar de rechterschouder en dus niet van voor naar achter, zoals men in het scenario van verdachte zou verwachten.
Het hof acht daarnaast van belang dat verdachte op 11 november 2020 bij de politie heeft verklaard: “We komen bij de slagboom. Ik wil de slagboom open maken. Opeens zie ik dat hij een wapen bij zich heeft.” Hij heeft daarbij ook verklaard: “Hij hield het wapen lichtjes beet. Hij zei jij wilde mijn spullen niet teruggeven,” en in hetzelfde verhoor meer specifiek: “Bij de slagboom geeft hij me dat piepje. Ik geef het piepje terug en zie dat hij het wapen heeft. We rijden een stukje verder.” En ook: “Openen slagboom en dan zie ik dat hij losjes een pistool in zijn handen heeft.” Ook dan verklaart verdachte dat hij als hij het ziet over het geld begint: “Jij denkt mij niet te betalen?” En: “Net voorbij de slagboom is het eerste moment dat ik het wapen zie.” En: “Hij speelde er zo mee tussen de benen.” Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer even verderop de auto laat stoppen, hij even uitstapt en kort daarna weer instapt en dan het pistool op zijn linker been legt met de loop gericht op verdachte. Meteen daarop begint de worsteling om het wapen, in de verklaring van verdachte.
Tijdens zijn politieverhoor op 17 november 2020 komt hij terug op deze situatie en geeft hij aan dat het wapen niet het eerste was waar hij van schrok, maar dat dat in plaats daarvan het moment kort daarvoor was, toen het slachtoffer zijn horloge afdeed en in zijn tasje stopte: “Hij doet op een gegeven moment zijn horloge af, hij draait hem een keer en doet em in zijn tas en daarna kwam pas dat wapen naar boven. Dat is op datzelfde kleine stukje,” en “Hij deed zijn horloge af bij aankomst op de camping, bij de slagboom.” En: “Ik weet dat als ie z’n horloge afdeed hij iets ging doen. Dan ging er iets gebeuren,” en ook: “Het moment dat ik het wapen zie? Bij de slagboom, voor, tussen, na. Die twee meter daar zo. Kort nadat hij mij de pieper gaf deed hij zijn horloge af.”
Op 1 december 2020 heeft een reconstructie van het incident plaatsgevonden onder begeleiding van de politie en met medewerking van de verdachte. In het proces-verbaal worden de volgende afkortingen gebruikt.
B: Vraag begeleider [verbalisant]
OB: Opmerking begeleider [verbalisant]
V: Antwoord [verdachte]
OV: Opmerking [verdachte]
Aan de hand van de informatie die verdachte geeft over hetgeen zich zou hebben afgespeeld worden gebeurtenissen op de camping gedetailleerd gereconstrueerd. Uit het proces-verbaal blijkt het volgende:
“De auto start buiten het campingterrein, even voor de incheckpaal. De verdachte geeft aan dat hij naar de paal reed om in te checken.
B: En dan?
V: Ik krijg de druppel van hem.
(...)
V: Ik was in de veronderstelling dat ik hem had teruggegeven.. die piep. Maar ik heb hem later in mijn zak gevonden, dus blijkbaar had ik hem niet teruggegeven.
De slagboom gaat open nadat de verdachte heeft “gepiept” bij de paal.
B: Slagboom gaat open. En dan?
V: Slagboom gaat open, ik rij rustig door.
B: Spreken jullie op dat moment met elkaar?
V: Volgens mij wel.
B: Waar ging het over?
V: Weet ik echt niet meer.
B: Geen idee wat jullie...
V: Nee geen flauw idee
3.3.
AFDOEN HORLOGE DOOR SLACHTOFFER (VANAF 00:12:15)
Na enkele meters stapvoets te hebben gereden na de slagboom zegt de verdachte:
OV: Rustig aan, want hier heeft hij zijn horloge afgedaan.
De begeleider stopt het voertuig en men gaat dit naspelen. De verdachte gaat op de bestuurdersstoel zitten en de stand-in op de passagiersstoel.
B: En dat was rijdend begrijp ik he ?
V: Ja. Hij deed zijn horloge af
B: Hoe deed die dat
V: Weet ik niet
B: Hij (de stand-in) heeft hem nu om de linkerpols..
V: dat weet ik niet
B: Je weet niet of die rechts of links is?
V: Nee. Wat ik duidelijk zie is dat die hem één keer zo omslaat en dan in de tas laat vallen.
De tas waarin het slachtoffer het horloge laat vallen staat bij de voeten van het slachtoffer, op de vloer van de auto.
6. En dan?
V: Thats it.
B: Praten jullie daar over? Zeggen jullie iets?
V: Ik constateer dat, en dat is het moment dat er bij mij spanning oploopt. Want op het moment dat hij zijn horloge afdoet gaat die iets doen waarbij hij in ieder geval bang is dat zijn horloge beschadigd wordt.
B: Hoezo gaat die dan wat doen? Waar leid je dat uit af?
V: Uit ehhh.... eerdere contacten met hem. Als ik met hem was.. ehh.. hij werd boos of hij moest wat verzetten of iets dergelijks. ..dreigde dinges... dan deed hij het horloge af.
B: En merk je verder nog iets aan hem? Want het feit dat hij het horloge band afdoet, dat geeft mij de indruk dat.. Maar hoe was hij verder in de omgang op dat moment?
V: Ehhh... Dan is er nog niks. Als we een stukje verder rijden dan doet die weer zo naar beneden en dan komt ie met een wapen omhoog. Die hij zo tussen zijn vingers houdt. De verdachte neemt weer plaats op de passagiersstoel en de begeleider op de bestuurdersstoel.
OB: Ok, iedereen zit weer in de auto. We hebben gezien waar ongeveer hij zijn horloge af deed en hoe dat ongeveer ging. Je hebt de stand-in het na laten spelen.
3.4.
WAPEN IN HANDEN VAN SLACHTOFFER (VANAF 00:16:40)
De begeleider rijdt weer een stukje verder met het voertuig.
B: Hebben jullie nog gesproken ondertussen?
V: Ja ja ja
B: Wat zei hij, wat zei jij?
V: Hier begint hij dingen te zeggen van ehhh...’ dus jij denkt dat jij mij ehh...flesje of zoiets..dus jij denkt dat je zo met mij om kan gaan’
Dan heeft hij het wapen hier beet en dan rijden we rustig door.
B: Dat zegt hij tegen je. En wanneer komt dat pistool?
V: Vanaf het moment dat hij het horloge laat vallen, dan heeft hij een pistool beet.
B: En wanneer zie je dat voor het eerst?
V: Hier ergens.
B: Hier ergens, dat stukje van daar tot hier.
[het voertuig is na de slagboom enkele meters doorgereden het kampeerterrein op]”
Tijdens zijn politieverhoor van 8 maart 2021 geeft verdachte desgevraagd aan dat het slachtoffer in de auto meerdere telefoons bij zich had. Hij was vanaf het moment in Assen met zijn telefoons bezig. Verdachte heeft toen ook aangegeven niet te weten of het slachtoffer op de camping nog met zijn telefoons bezig was.
Verdachte wordt vervolgens geconfronteerd met onderzoeksgegevens van onder meer de twee iPhones die het slachtoffer bij zich had. Hieruit bleek dat de auto waarin verdachte en het slachtoffer reden om 19:07 uur de slagboom is gepasseerd en dat onderzoek aan de beide iPhones van het slachtoffer heeft uitgewezen dat op beide telefoons nog activiteit is na dat moment, namelijk om 19:08:15 uur, wanneer één van de iPhones handmatig wordt ontgrendeld en vervolgens weer handmatig wordt vergrendeld; tien seconden later om 19:08:25 uur wordt het andere toestel ontgrendeld en wordt er Whatsapp geopend; zeven seconden later komt diezelfde telefoon in een stand die drie uur lang niet meer verandert.
Het hof overweegt op basis de hierboven weergegeven, door verdachte geschetste feitelijke gang van zaken het volgende.
In de verklaringen van verdachte bij de politie en in de reconstructie doet [slachtoffer] zijn horloge af en pakt hij daarna een pistool, als verdachte en [slachtoffer] de slagboom zijn gepasseerd. In de reconstructie is door verdachte aangegeven op welke plek op de camping dit heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat de slagboom om 19.07 uur is bediend en dat verdachte en [slachtoffer] op dat moment de camping zijn opgereden. Uit het dossier volgt voorts dat de twee telefoons van het slachtoffer op tijdstippen vanaf 19.08 uur zijn ontgrendeld.
Het hof concludeert dat verdachte de indruk wekt zeer gedetailleerde herinneringen te hebben aan het moment waarop hij het wapen voor het eerst ziet in de auto en hoe het slachtoffer het speels in zijn hand heeft en later dat hij het, nadat hij even de auto uit is geweest, op zijn linker bovenbeen legt. Van het beetpakken en bedienen van telefoons terwijl het slachtoffer op dat moment ook een pistool in handen heeft, wordt door verdachte echter niets vermeld.
Dit is naar het oordeel van het hof van belang omdat gelet op de focus op de handen van het slachtoffer tijdens de korte tijd die verstrijkt tussen het door de slagboom gaan en het schieten, verwacht mag worden dat verdachte zich die handelingen goed herinnert. Nu verdachte er bij is gebleven geen herinnering aan de telefoons in de handen van het slachtoffer te hebben nadat zij door de slagboom zijn gereden, terwijl de omgang met de beide telefoons zoals die heeft plaatsgevonden opmerkelijk en van grote invloed op de aannemelijkheid van het cruciale moment aangaande het ontstaan van een noodweersituatie, acht het hof het scenario van verdachte in het licht van de bevindingen aangaande de omgang met de telefoon onaannemelijk.
Het hof overweegt voorts nog het volgende.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het moment dat hij het pistool voor het eerst zag het moment was dat hij de druppel, nodig voor het openen van de slagboom, teruggaf aan [slachtoffer]. Daarvóór zou [slachtoffer] het horloge reeds hebben afgedaan. Die beide momenten, het afdoen van het horloge en het zien van het pistool, zouden zich dus hebben voorgedaan vóór en tijdens het binnenrijden van de camping.
Deze verklaring maakt het scenario van verdachte niet meer aannemelijk.
In de eerste plaats wijkt deze weergave van de feiten op belangrijke punten af van hetgeen verklaard is bij de politie en tijdens de reconstructie, toen de resultaten van het onderzoek aan de telefoons van [slachtoffer] nog niet beschikbaar waren.
In de tweede plaats zou verdachte ook in die situatie de telefoons in handen van het slachtoffer, rondom het moment dat [slachtoffer] is uitgestapt met het pistool in handen, hebben moeten zien.
Daarnaast stelt het hof vast dat verdachte zijn telefoon, waarmee hij ook met het slachtoffer communiceerde, heeft weggegooid. Verdachte heeft aangegeven dit te hebben gedaan omdat de telefoon door waterschade een blauwe vlek op het scherm had en niet meer bruikbaar was. Het hof beschikt wel over enige informatie uit de telefoon van verdachte aangaande de communicatie tussen verdachte en [slachtoffer], namelijk over de screenshots die verdachte nog heeft genomen van communicatie met het slachtoffer via zijn oude telefoon. Die screenshots bevatten bedreigende woorden richting verdachte en richting zijn familie. Met die screenschots heeft hij willen onderbouwen dat zijn angst voor gewelddadigheden van [slachtoffer] gerechtvaardigd was.
Zichtbaar is dat deze communicatie voor en op 28 oktober 2020 zou hebben plaatsgevonden. Het betreft een zeer beperkte selectie van de communicatie tussen verdachte en [slachtoffer] die bovendien, gelet op de inhoud van de berichten, heeft plaatsgevonden voordat verdachte aan [slachtoffer] had laten weten het horloge en het goud terug te zullen geven en zij daarvoor ook een afspraak hadden gemaakt. Van het screenshot van het bericht van 28 oktober 2020 is niet zichtbaar naar wie het is gestuurd en door wie. Het hof beschikt naast de screenshots van verdachte ook over de hierboven geciteerde communicatie tussen verdachte en [slachtoffer] uit de telefoon van [slachtoffer]. Deze communicatie vond kort voor 9 november 2020 plaats, toen verdachte met [slachtoffer] een afspraak had gemaakt waarbij de in bewaring gegeven spullen geretourneerd zouden gaan worden. [slachtoffer] had toen geen reden meer boos te zijn op verdachte en uit deze berichtenwisseling blijkt ook niets van [slachtoffer] bedreigingen. Integendeel. De communicatie was vriendschappelijk. Daar komt bij dat de broer en zus van verdachte die over de beweerde bedreigingen hadden kunnen verklaren, zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen, waardoor ook via die weg verdachtes beroep op een noodweersituatie niet is onderbouwd. Het bestaan van een telefoon waarop werd gecommuniceerd met personen die daarop Marcello en Benzema werden genoemd, maakt dit niet anders.
Verder blijkt uit de zich in het dossier bevindende WhatsApp-communicatie dat verdachte over de terug te geven goederen in elk geval waar het de door [slachtoffer] teruggevraagde € 20.000,- en Rolex-horloge, ongeloofwaardig heeft verklaard.
Ten eerste heeft verdachte verklaard dat hij de € 20.000,- al had uitgegeven voordat hij de afspraak met [slachtoffer] had gemaakt. Hij heeft echter ook verklaard dat [slachtoffer] dat wist. Uit de WhatsApp-gesprekken volgt echter dat [slachtoffer] dat niet wist en dat verdachte [slachtoffer] wilde doen geloven dat dat geld er nog was.
Daarnaast heeft verdachte tegenover [slachtoffer] gelogen dat hij het horloge bij zijn zus had ondergebracht en later een screenshot gestuurd van een Rolex-horloge. Verdachte heeft ontkend dat het een screenshot was en heeft verklaard dat hij zelf een foto van het horloge van [slachtoffer] heeft gemaakt. En dat die foto dus het horloge van [slachtoffer] was. Het zou namelijk om een uniek horloge gaan. Het hof stelt echter vast dat dat laatste niet aannemelijk is geworden. Het hof acht echter juist wel aannemelijk dat de door verdachte aan [slachtoffer] gestuurde afbeelding een Rolex-horloge betreft dat verdachte met een screenshot op internet heeft gemaakt. Verdachte heeft tegenover [slachtoffer] dus meerdere onwaarheden verkondigd die er bovendien toe hebben geleid dat [slachtoffer] steeds minder reden had om boos op verdachte te zijn en zijn veel eerder gedane bedreigingen ten uitvoer te leggen.
Tevens is opvallend dat verdachte [slachtoffer] geen foto’s van de goudstaven heeft gestuurd. Ter zitting van het hof gaf hij aan dat hij daarvoor geen verklaring heeft. Verder bevestigt verdachte dat hij, anders dan hij [slachtoffer] heeft doen geloven, op de dag van de afspraak al de hele dag rondom het station in Assen en de camping heeft doorgebracht. Bovendien is verdachte, anders dan hij tegen [slachtoffer] heeft gezegd, niet per trein maar met de auto naar Assen gekomen.
Een en ander in samenhang bezien maakt dat naar het oordeel van het hof de door verdachte gestelde feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is geworden, namelijk dat verdachte zou hebben geschoten op het slachtoffer omdat er anders op hem zou worden geschoten. Dit betekent dat niet aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen in de kern bezien verdedigend van aard was. Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer.
Nu op geen moment sprake is geweest van een noodweersituatie, verwerpt het hof ook het beroep op noodweer-exces.”
3.6
Het middel keert zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de feitelijke grondslag van het beroep niet aannemelijk is geworden. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn en/of blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. De vier deelklachten komen op tegen een aantal van de vaststellingen en oordelen die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn uiteindelijke oordeel dat de door de verdachte gestelde feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is geworden.
3.7
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop wat de Hoge Raad in zijn arrest van 29 maart 2022 heeft overwogen over de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer:
“2.3.1 Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter (i) de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, (ii) beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer.
2.3.2
Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Als de verdachte in dit verband weigert te antwoorden op nadere vragen met betrekking tot de door of namens hem gestelde gang van zaken, mag de rechter die omstandigheid in zijn beoordeling betrekken.
2.3.3
Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Ter verduidelijking van eerdere rechtspraak merkt de Hoge Raad hierover het volgende op. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
2.3.4
Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Ook wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte feitelijke toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. De rechter kan overigens het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep achterwege laten, als hij tot het oordeel komt dat – veronderstellenderwijs uitgaand van de aannemelijkheid van de gestelde feitelijke toedracht – het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond de verwerping berust.” [1]
3.8
Zoals blijkt uit de hierboven weergegeven onderdelen van de bestreden uitspraak, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Het middel faalt dan ook voor zover het klaagt dat het hof op die grond blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klacht resteert dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
3.9
Ik kom toe aan het bespreken van de deelklachten.
De eerste deelklacht
3.1
De eerste deelklacht heeft betrekking op het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen in de kern bezien verdedigend van aard was. Volgens de steller van het middel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd.
3.11
Ten behoeve van de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik hier de voor deze deelklacht relevante overwegingen van het hof:
“Het hof stelt voorop dat het opzettelijk gericht en op korte afstand lossen van meerdere schoten op een persoon naar de uiterlijke verschijningsvorm als aanvallend kan worden aangemerkt.
Het hof stelt voorts vast dat uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting bij de rechtbank en het hof niet valt op te maken wie het pistool aanvankelijk bij zich had in de auto. De op het vuurwapen aangetroffen DNA-sporen zijn onvoldoende onderscheidend om vast te stellen of die meer steun bieden aan verdachtes scenario dat [slachtoffer] het wapen heeft meegenomen of aan het scenario dat verdachte dat al vanaf het begin bij zich had. Voor de daarover afgelegde getuigenverklaringen geldt hetzelfde. Uit de verklaring blijkt onvoldoende nauwkeurig welk type wapen [slachtoffer] aan verdachte zou hebben verkocht. Beide personen in de auto hadden een reden om met een pistool naar het treffen te komen. Er was namelijk sprake van drie goudstaafjes, een horloge van het merk Rolex en 20.000 euro die het slachtoffer al langere tijd terug wilde van verdachte, maar die verdachte niet alle terug kon geven. Het staat alleen vast dat het pistool in de auto aanwezig was toen de auto, met verdachte achter het stuur en het slachtoffer als bijzitter, het terrein van de camping op reed. Het slachtoffer verbleef daar in een chalet.
Het hof neemt aan, op grond van de aanwezigheid van het DNA van zowel verdachte als het slachtoffer op het pistool als op grond van de ongecontroleerde rijbeweging van de auto waarbij deze tegen een boom aan reed, dat op enig moment voorafgaand aan het lossen van de schoten door verdachte, tussen verdachte en het slachtoffer een confrontatie in de auto heeft plaatsgevonden om het pistool in bezit te houden, dan wel te krijgen.
[…]
Een en ander in samenhang bezien maakt dat naar het oordeel van het hof de door verdachte gestelde gang van zaken niet aannemelijk is geworden, namelijk dat verdachte zou hebben geschoten op het slachtoffer omdat er anders op hem zou worden geschoten. Dit betekent dat niet aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen in de kern bezien verdedigend van aard was.”
3.12
Ik kan in de schriftuur geen argumenten ontdekken ter onderbouwing van de stelling dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet hierop, laat ik dit punt hier verder rusten en richt ik mij tot de klacht dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd.
3.13
Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de overweging van het hof dat het “opzettelijk gericht en op korte afstand lossen van meerdere schoten op een persoon naar uiterlijke verschijningsvorm als aanvallend kan worden aangemerkt” onbegrijpelijk is, gelet op de innerlijke tegenstrijdigheid van deze overweging met de overweging van het hof dat “niet aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen in de kern bezien verdedigend van aard was”. Uit deze laatste overweging zou namelijk a priori volgen dat evenmin vastgesteld kan worden dat het handelen van de verdachte aanvallend van aard was.
3.14
Ik kan deze gedachtegang niet volgen. Dat het niet aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte verdedigend van aard was, wil geenszins zeggen dat het ook niet aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen aanvallend van aard was. Dit brengt mee dat de eerste deelklacht in zoverre faalt.
3.15
In de tweede plaats wordt ter onderbouwing van de eerste deelklacht naar voren gebracht dat ‘in algemene zin’ geldt dat het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen in de kern bezien verdedigend van aard was, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Daarbij is volgens de steller van het middel van belang dat het hof niet heeft kunnen vaststellen of het [slachtoffer] of de verdachte was die het vuurwapen bij zich had in de auto.
3.16
Ook dit argument overtuigt niet. Het hof heeft inderdaad vastgesteld dat uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting bij de rechtbank en het hof niet valt op te maken wie het pistool aanvankelijk bij zich had in de auto. Dat staat evenwel niet in de weg aan het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet verdedigend was, aangezien het hof hierbij ook andere feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen, bijvoorbeeld dat het opzettelijk gericht en op korte afstand lossen van meerdere schoten op een persoon naar de uiterlijke verschijningsvorm als aanvallend kan worden aangemerkt. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte viermaal op [slachtoffer] heeft geschoten.
3.17
Tot slot wordt aangevoerd dat het hof niet zou zijn ingegaan op het door de raadsman van de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat het DNA van [slachtoffer] is aangetroffen op opvallende plekken, waarbij niet kan worden gesproken van slechts ‘oppervlakkig’ contact met het vuurwapen.
3.18
De steller van het middel wijst in dit verband op de volgende passages uit de pleitnota die de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2023 heeft voorgedragen en overgelegd (met weglating van voetnoten):
“Het aangetroffen vuurwapen
39. Onderwerp van onderzoek is geweest wie het vuurwapen heeft meegenomen: was dat [verdachte] of was dat [slachtoffer]? [verdachte] stelt dat [slachtoffer] diegene is geweest die het wapen bij zich had op die bewuste 9 november 2020. Wat kan er in dat verband objectief worden vastgesteld?
40. In een weiland net buiten de camping wordt een sporttas aangetroffen met daarin kleding en een vuurwapen. Het vuurwapen blijkt het wapen te zijn waarmee [slachtoffer] is neergeschoten. Uit nader onderzoek blijkt dat er een huls in de uitwerpopening van het vuurwapen klem was komen te zitten. Op deze huls wordt DNA-materiaal aangetroffen dat volledig overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Meerdere getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer] een of meerdere wapens in zijn bezit had. In de woning van [slachtoffer] wordt een koffer aangetroffen met daarin verdovende middelen, 37 kogelpatronen, een spuitbus wapenolie en een schoonmaaksetje voor een vuurwapen. Er wordt dus geen vuurwapen aangetroffen, wat als opvallend kan worden beschouwd, gelet op de getuigenverklaringen en in het bijzonder gelet op de overige spullen die in de woning werden aangetroffen. Waar is het vuurwapen van [slachtoffer] dan?
41. Er is besloten om vergelijkend vezelonderzoek te laten verrichten naar de aanleiding van het schietincident, waarbij de hypothesen centraal stonden of 1) het wapen naar de PD is gebracht door de verdachte of 2) het wapen naar de PD is gebracht door het slachtoffer. De resultaten van dit onderzoek bieden echter geen antwoord: door het ontbreken van overeenkomende vezelsporen vormen de resultaten geen ondersteuning voor één van de hypothesen.
42 .Wat is er verder objectief te zeggen over het aangetroffen vuurwapen? Er is onder andere DNA (niet zijnde bloed) van [slachtoffer] aangetroffen onder de greepplaten en aan de binnenzijde van het wapen, alsmede op de onderzijde van de patroonhouder. De verdediging stelt vast dat dit opvallende plekken betreffen, die dus niet slechts ‘oppervlakkig’ contact met het vuurwapen laten zien.
43. Van [verdachte] wordt een relatief kleine hoeveelheid DNA aangetroffen op de ruwe delen van het wapen, hetgeen reeds te verklaren is door het gebeuren in de auto. [verdachte] heeft met betrekking tot het vuurwapen ook verklaard dat [slachtoffer] net nadat [verdachte] vrij was gekomen met een jongen naar hem toe is gekomen. [slachtoffer] vroeg aan [verdachte] of die jongen tijdelijk bij [verdachte] zou mogen bivakkeren. [verdachte] heeft die jongen toen in huis genomen. Deze jongen bleek een vuurwapen bij zich te hebben. Dat was de eerste keer dat [verdachte] een wapen in zijn hand had. [verdachte] heeft toen dat vuurwapen in bewaring genomen. Een tijd later laat [slachtoffer] weten dat hij wapens wil inslaan. Toen heeft [verdachte] het vuurwapen aan [slachtoffer] gegeven.
44.Wat betekent dit voor het antwoord op de vraag wie het vuurwapen had meegenomen in de auto? [verdachte] stelt dat het vuurwapen al geruime tijd weer in het bezit was van [slachtoffer]. Dit past dan ook bij het aantreffen van het DNA van [slachtoffer] op plekken die passen bij het bezit van een vuurwapen (namelijk: onder de greepplaten en aan de binnenzijde van het wapen). Zoals de verbalisant van het forensisch relaas het omschrijft: ‘De hierboven genoemde verdeling van DNA-materiaal past iets meer bij het bezit van het vuurwapen door het slachtoffer dan door de verdachte’. Een conclusie die in de visie van de verdediging gelet op alle hiervoor geschetste omstandigheden wel steviger neergezet kan worden: het moet [slachtoffer] wel zijn geweest die het vuurwapen heeft meegenomen.
45. Een conclusie die past bij de lezing die [verdachte] geeft over wat er zich die avond heeft afgespeeld in de auto. Eveneens een conclusie die van belang is in het kader van de beoordeling van het noodweerverweer.
Tussenconclusie: [slachtoffer] had spullen in huis die evident blijk geven van de aanwezigheid van een vuurwapen. Een vuurwapen is echter niet aangetroffen in de woning van [slachtoffer].
Tussenconclusie: de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, alsmede de plekken waarop het DNA-materiaal werd aangetroffen, rechtvaardigen de conclusie dat het [slachtoffer] moet zijn geweest die het vuurwapen meenam naar de plaats delict.”
3.19
Aan dit argument ligt de opvatting ten grondslag dat het standpunt dat het DNA van [slachtoffer] is aangetroffen op opvallende plekken, waarbij niet kan worden gesproken van slechts ‘oppervlakkig’ contact met het vuurwapen, een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert, waarop het hof verplicht was te responderen. Het hof heeft dit echter kennelijk niet als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt opgevat, maar als een argument ter onderbouwing van het meer algemene standpunt dat [slachtoffer] het wapen bij zich had en niet de verdachte. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op het feit dat in de hierboven weergegeven pleitnota de tussenconclusie wordt getrokken dat “de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, alsmede de plekken waarop het DNA-materiaal werd aangetroffen”, de conclusie rechtvaardigen dat het [slachtoffer] moet zijn geweest die het vuurwapen meenam naar de plaats delict. Het hof heeft toereikend gemotiveerd waarom het van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld of het de verdachte dan wel het slachtoffer was die het vuurwapen heeft meegenomen. Daarbij heeft het hof immers naast het DNA ook de afgelegde getuigenverklaringen in aanmerking genomen, evenals dat beide personen een reden hadden om met een pistool naar het treffen te komen. De deelklacht faalt ook in zoverre.
3.2
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
3.21
De tweede deelklacht bestrijdt de vaststelling van het hof dat de manier waarop de verdachte zowel bij de politie als bij de reconstructie heeft verklaard en heeft voorgedaan over de wijze waarop hij [slachtoffer] zou hebben beschoten, niet past bij de resultaten van het schotrestenonderzoek en het radiologisch onderzoek.
3.22
Voor de leesbaarheid van deze conclusie, herhaal ik hier de overwegingen van het hof waarop deze deelklacht betrekking heeft:
“Het hof stelt vast dat de wijze waarop verdachte zowel bij de politie als bij de reconstructie heeft verklaard en heeft voorgedaan over de wijze waarop hij [slachtoffer] zou hebben beschoten, niet past bij de resultaten van het schotrestenonderzoek en het radiologisch onderzoek. Anders dan voorgedaan door verdachte, is er enige ruimte geweest tussen het wapen en het lichaam van het slachtoffer op het moment van schieten. Verdachte kan de schoten niet hebben afgevuurd terwijl [slachtoffer] op hem lag, maar moet dat op korte afstand van [slachtoffer] hebben gedaan. In het scenario van verdachte, zouden de inschoten zich meer aan de voorzijde van het lichaam [slachtoffer] hebben bevonden en zou de baan van de kogels van de voorzijde van diens lichaam naar de achterzijde daarvan hebben moeten lopen. Uit het radiologisch onderzoek blijkt echter anders. De inschotbanen lopen van links naar rechts door het lichaam, vanaf de linkerschouder naar de rechterschouder en dus niet van voor naar achter, zoals men in het scenario van verdachte zou verwachten.”
3.23
Volgens de steller van het middel is de vaststelling van het hof om twee redenen onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De eerste reden houdt – kort gezegd – in dat het hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd dat er in het scenario van de verdachte op het moment van schieten geen ruimte is geweest tussen het wapen en het lichaam van het slachtoffer, evenals dat [slachtoffer] op het moment van schieten op de verdachte lag, terwijl de verdachte nimmer heeft gesteld dat [slachtoffer] op het moment van schieten op hem zou hebben gelegen. De verdachte heeft verklaard dat hij in ‘een zwaai heeft geschoten’ en dat [slachtoffer] ‘nooit op hem is gekomen’.
3.24
Over dit argument merk ik het volgende op. Het hof heeft slechts iets overwogen over de wijze waarop verdachte bij de politie en bij de reconstructie heeft verklaard en heeft voorgedaan. De omstandigheid dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2023 heeft verklaard dat [slachtoffer] nooit op hem is terechtgekomen, maakt niet dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de manier waarop de verdachte bij de politie heeft verklaard en bij de reconstructie heeft voorgedaan niet past bij onderzoeksresultaten.
3.25
Dat de verdachte ‘in een zwaai heeft geschoten’ heeft de verdachte volgens de steller van het middel niet alleen ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, maar ook in eerdere verklaringen. Ook deze omstandigheid maakt het oordeel van het hof naar mijn mening echter niet zonder meer onbegrijpelijk. De vaststelling van het hof dat de lezing van de verdachte inhoudt dat [slachtoffer] boven op de verdachte dook en de verdachte het wapen toen zo vaak als hij kan afvuurde, evenals dat er niet sprake was van enige ruimte tussen het wapen en het lichaam van het slachtoffer op het moment van schieten, is immers niet onverenigbaar met de omstandigheid dat de verdachte in een zwaai heeft geschoten. Gezien de verwevenheid van de vaststelling van het hof met waarderingen van feitelijke aard, is voor een verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. In zoverre faalt de deelklacht.
3.26
De tweede reden waarom het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd zou zijn, komt erop neer dat het hof zou hebben nagelaten te motiveren op basis waarvan het tot de vaststelling komt dat ‘in het scenario van verdachte de inschoten zich meer aan de voorzijde van het lichaam van [slachtoffer] zouden hebben bevonden en de baan van de kogels van de voorzijde van diens lichaam naar de achterzijde daarvan zouden hebben moeten lopen’. Uit de bewijsmiddelen volgt niet waarop het hof zijn conclusie baseert dat de inschoten zich meer aan de voorzijde van het lichaam van [slachtoffer] zouden hebben bevonden en de baan van de kogels van de voorzijde van diens lichaam naar de achterzijde daarvan zouden hebben moeten lopen.
3.27
Ten aanzien hiervan geldt het volgende. Alleen de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden moeten steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen. Dit vloeit voort uit art. 359 lid 3 Sv Pro. Het hof heeft de door de verdachte gestelde feitelijke gang van zaken niet aannemelijk geacht in verband met het gedane beroep op noodweer(exces) en dus niet redengevend geacht voor de bewezenverklaring. Gelet hierop hoefde de conclusie dat de inschoten in de lezing van de verdachte aan de voorzijde van het lichaam van [slachtoffer] zouden hebben bevonden en de baan van de kogels aan de voorzijde van diens lichaam naar de achterzijde daarvan zouden hebben moeten lopen dan ook niet te steunen op een in het arrest opgenomen bewijsmiddel. Ook in zoverre faalt de tweede deelklacht.
3.28
De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
3.29
Met de derde deelklacht wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het scenario van de verdachte in het licht van de bevindingen aangaande de omgang met de telefoon onaannemelijk is.
3.3
Ook hier herhaal ik voor de leesbaarheid van deze conclusie wat het hof in het bestreden arrest ten aanzien hiervan heeft overwogen (met weglating van voetnoten):
“Tijdens zijn politieverhoor van 8 maart 2021 geeft verdachte desgevraagd aan dat het slachtoffer in de auto meerdere telefoons bij zich had. Hij was vanaf het moment in Assen met zijn telefoons bezig. Verdachte heeft toen ook aangegeven niet te weten of het slachtoffer op de camping nog met zijn telefoons bezig was.
Verdachte wordt vervolgens geconfronteerd met onderzoeksgegevens van onder meer de twee iPhones die het slachtoffer bij zich had. Hieruit bleek dat de auto waarin verdachte en het slachtoffer reden om 19:07 uur de slagboom is gepasseerd en dat onderzoek aan de beide iPhones van het slachtoffer heeft uitgewezen dat op beide telefoons nog activiteit is na dat moment, namelijk om 19:08:15 uur, wanneer één van de iPhones handmatig wordt ontgrendeld en vervolgens weer handmatig wordt vergrendeld; tien seconden later om 19:08:25 uur wordt het andere toestel ontgrendeld en wordt er Whatsapp geopend; zeven seconden later komt diezelfde telefoon in een stand die drie uur lang niet meer verandert.
Het hof overweegt op basis de hierboven weergegeven, door verdachte geschetste feitelijke gang van zaken het volgende.
In de verklaringen van verdachte bij de politie en in de reconstructie doet [slachtoffer] zijn horloge af en pakt hij daarna een pistool, als verdachte en [slachtoffer] de slagboom zijn gepasseerd. In de reconstructie is door verdachte aangegeven op welke plek op de camping dit heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat de slagboom om 19.07 uur is bediend en dat verdachte en [slachtoffer] op dat moment de camping zijn opgereden. Uit het dossier volgt voorts dat de twee telefoons van het slachtoffer op tijdstippen vanaf 19.08 uur zijn ontgrendeld. Het hof concludeert dat verdachte de indruk wekt zeer gedetailleerde herinneringen te hebben aan het moment waarop hij het wapen voor het eerst ziet in de auto en hoe het slachtoffer het speels in zijn hand heeft en later dat hij het, nadat hij even de auto uit is geweest, op zijn linker bovenbeen legt. Van het beetpakken en bedienen van telefoons terwijl het slachtoffer op dat moment ook een pistool in handen heeft, wordt door verdachte echter niets vermeld.
Dit is naar het oordeel van het hof van belang omdat gelet op de focus op de handen van het slachtoffer tijdens de korte tijd die verstrijkt tussen het door de slagboom gaan en het schieten, verwacht mag worden dat verdachte zich die handelingen goed herinnert. Nu verdachte er bij is gebleven geen herinnering aan de telefoons in de handen van het slachtoffer te hebben nadat zij door de slagboom zijn gereden, terwijl de omgang met de beide telefoons zoals die heeft plaatsgevonden opmerkelijk en van grote invloed op de aannemelijkheid van het cruciale moment aangaande het ontstaan van een noodweersituatie, acht het hof het scenario van verdachte in het licht van de bevindingen aangaande de omgang met de telefoon onaannemelijk.
Het hof overweegt voorts nog het volgende.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het moment dat hij het pistool voor het eerst zag het moment was dat hij de druppel, nodig voor het openen van de slagboom, teruggaf aan [slachtoffer]. Daarvóór zou [slachtoffer] het horloge reeds hebben afgedaan. Die beide momenten, het afdoen van het horloge en het zien van het pistool, zouden zich dus hebben voorgedaan vóór en tijdens het binnenrijden van de camping. Deze verklaring maakt het scenario van verdachte niet meer aannemelijk. […] In de tweede plaats zou verdachte ook in die situatie de telefoons in handen van het slachtoffer, rondom het moment dat [slachtoffer] is uitgestapt met het pistool in handen, hebben moeten zien.”
3.31
Verder is voor de beoordeling van deze deelklacht van belang dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2023 onder meer het volgende inhoudt:
“Verdachte reageert:
Ik denk dat die telefoons tussen [slachtoffer] benen lagen toen hij het wapen pakte. Ik weet niet hoe hij de telefoons heeft ontgrendeld. Het moment van het ontgrendelen van de telefoons is precies het moment dat hij uit de auto stapte. Toen ik de auto moest stoppen en hij uitstapte, dat is het moment waarop de handelingen met de telefoon plaatsvonden. […]
De voorzitter deelt mee:
Dit is een belangrijk stukje. U plaatst het tijdstip 19:08 uur, het tijdstip waarop [slachtoffer] met de telefoons bezig is, nu op het moment dat [slachtoffer] uit de auto stapte. Maar zo heeft u dat niet bij de politie verklaard. Bij de reconstructie verklaarde u: ‘Ik denk dat ik nu wel weet waarom hij is uitgestapt.’ Bij de psychiater of psycholoog heeft u verklaard dat u denkt dat [slachtoffer] uitstapte om de patroonhouder in het wapen te doen. Dat is iets anders dan zijn telefoons. Als ik u goed begrijp, dan zou [slachtoffer] uit de auto zijn gestapt met twee telefoons die ontgrendeld en weer vergrendeld zijn. Tegelijkertijd had hij het wapen vast en zou hij de patroonhouder in het wapen gedaan hebben.
Verdachte reageert:
Ik zeg niet dat hij alles op dat moment buiten heeft gedaan, dat met het ontgrendelen van de telefoons en de patroonhouder. Ik vul dat in. Dat kan zo zijn. Ik snapte niet waarom ik moest stoppen en hij uitstapte. U houdt mij voor dat de reconstructie heel gedetailleerd is en dat mijn gedetailleerde verklaring tijdens de reconstructie afwijkt van wat ik nu heb verklaard over het moment van het afdoen van het horloge en het in zicht komen van het wapen en dat ik bij de reconstructie niet heb verklaard óver de twee telefoons. En dat dat veel spullen zijn. Ik heb antwoord gegeven over wat ik denk. Sorry. Ik wil mijn antwoord van daarnet herstellen. Ik gaf u net mijn gedachten, maar ik weet niet wat er is gebeurd. Ik heb geen idee wat hij deed met de twee telefoons. U deelt mee dat uit de reconstructie volgt dat ik veel zicht had op wat in handen was van [slachtoffer], maar dat ik niet over telefoons heb verklaard. Dat telefoons bijvoorbeeld licht kunnen geven als ze ontgrendeld zijn. Ik was daar totaal niet mee bezig, evenals met die patroonhouder. Ik heb gedachtes gegeven. Ik heb geen flauw idee meer wat ik heb gezien.”
3.32
Het hof heeft in de onder 3.30 weergegeven overweging kort gezegd tot uitdrukking gebracht dat de door de verdachte gestelde feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is, nu de verdachte de indruk wekt dat hij zeer gedetailleerde herinneringen heeft aan het moment waarop hij het wapen zag en de wijze waarop het slachtoffer het wapen vasthad, en hij bovendien focus had op de handen van het slachtoffer tijdens de korte tijd tussen het door de slagboom gaan en het schieten, maar hij zich niet herinnert dat het slachtoffer twee telefoons heeft vastgehad en ontgrendeld, terwijl uit onderzoek blijkt dat dit rond dit tijdstip wel is gebeurd.
3.33
De steller van het middel meent dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat – zo vat ik samen – het door de verdachte geschetste scenario de mogelijkheid openlaat dat [slachtoffer] buiten de auto bezig is geweest met de telefoons en de verdachte de telefoons om die reden niet heeft gezien.
3.34
Bij de beoordeling van deze deelklacht merk ik op dat in cassatie niet kan worden onderzocht of door de feitenrechter vastgestelde feiten en omstandigheden en gevolgtrekkingen juist zijn, maar slechts of dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen begrijpelijk zijn. [2]
3.35
Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de verdachte “ook in die situatie de telefoons in handen van het slachtoffer, rondom het moment dat [slachtoffer] is uitgestapt met het pistool in handen, [zou] hebben moeten zien”. [3] Hieruit volgt dat het hof wel oog heeft gehad voor de mogelijkheid dat [slachtoffer] de telefoons heeft ontgrendeld buiten de auto, maar dat het heeft geoordeeld dat de verdachte ook in dat geval de telefoons had moeten zien. Dat laatste oordeel acht ik niet onbegrijpelijk in het licht van het feit dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2023 heeft overwogen dat uit de reconstructie volgt dat de verdachte veel zicht had op wat “in handen was van [slachtoffer]” en dat telefoons licht kunnen geven als ze ontgrendeld zijn. Ook weeg ik daarbij mee dat het op 9 november om 19.08 uur donker moet zijn geweest, zodat het ontgrendelen van de telefoons – ook buiten de auto –goed zichtbaar moet zijn geweest. Gelet hierop, acht ik het oordeel van het hof dat het scenario van de verdachte onaannemelijk is in het licht van de bevindingen aangaande de omgang met de telefoon, evenmin onbegrijpelijk.
3.36
Ten overvloede merk ik op dat dit slechts één van de aspecten is die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn uiteindelijke oordeel dat de door de verdachte geschetste feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is geworden. Zelfs als dit onderdeel onbegrijpelijk zou zijn zou de begrijpelijkheid van het oordeel dat de door de verdachte geschetste feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is geworden niet worden aangetast.
3.37
De derde deelklacht faalt.
De vierde deelklacht
3.38
Dat brengt mij tot de vierde deelklacht, die betrekking heeft op het oordeel van het hof dat het aannemelijk is dat de door de verdachte aan [slachtoffer] gestuurde afbeelding een Rolex-horloge betreft dat de verdachte met een screenshot op het internet heeft gemaakt. De steller van het middel betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
3.39
Uit de toelichting op het middel blijkt waarom de steller van het middel die mening is toegedaan. De verdachte zou ter terechtzitting het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben ingenomen dat de foto van de Rolex die werd gestuurd geen screenshot betrof. Het hof zou vervolgens ongemotiveerd zijn voorbijgegaan aan dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Nu het hof deze elementen heeft betrokken in zijn oordeel dat de door de verdachte gestelde feitelijke gang van zaken niet aannemelijk is geworden, zijn deze elementen dusdanig essentieel dat bij een verwerping daarvan een (nadere) motivering noodzakelijk was geweest, aldus de steller van het middel.
3.4
De door de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2020 afgelegde verklaring, die volgens de steller van het middel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert, houdt in:
“Ik heb een fotootje van de Rolex gemaakt en naar [slachtoffer] gestuurd. Het was geen screenshot. Een Rolex is uniek en het was de Rolex die ik in bewaring had. De Rolex lag niet bij mijn zus, zoals ik verteld had. [slachtoffer] herkende de Rolex ook. Ik heb geen foto gestuurd van de goudstaven. Ik weet niet waarom ik dat niet heb gedaan. Hij had daar wel om gevraagd. De Rolex was voor hem belangrijk en toen ik de foto van de Rolex had gestuurd, was hij gerustgesteld. Ik was wel heel bang voor [slachtoffer].”
3.41
Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [4]
3.42
Het hof heeft hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht over de foto van de Rolex kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, aangezien geen ondubbelzinnige conclusie aan het standpunt is verbonden en ter onderbouwing van het standpunt niet meer is aangevoerd dat dat een Rolex uniek is en [slachtoffer] de Rolex herkende. Het hof hoefde de verwerping van het standpunt van de verdachte dat de foto van de Rolex geen screenshot was, dan ook niet nader te motiveren, zodat de vierde deelklacht faalt.
3.43
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417,
2.HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250,
3.“Ook in die situatie” verwijst naar het geval dat het afdoen van het horloge en het zien van het pistool zich zouden hebben voorgedaan vóór en tijdens het binnenrijden van de camping. Blijkens de overweging van het hof heeft de verdachte bij de politie en tijdens de reconstructie verklaard dat [slachtoffer] zijn horloge afdeed en het pistool pakte toen zij de slagboom waren gepasseerd, terwijl de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het afdoen van het horloge en het zien van het pistool zich zouden hebben voorgedaan vóór en tijdens het binnenrijden van de camping.
4.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,