Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
accuracy-waarde: de nauwkeurigheid van de breedte- en lengtegraad combinatie, weergegeven in meters.
Op het afgesproken ophaaltijdstip is de verdachte met een – onbekend gebleven – man bij haar auto dichtbij de ophaallocatie gezien door een getuige. De verdachte en die man liepen vervolgens samen van de auto in de richting van de ophaallocatie; zij droegen een zwarte hoody en vielen de getuige op door schuw, ontwijkend gedrag. De getuige heeft op dat moment geen andere personen in de omgeving gezien. Op basis van onder meer telefoongegevens heeft het hof verder vastgesteld dat het slachtoffer rond die tijd vanaf het festival ook naar de ophaallocatie is gekomen, alwaar hij door zwaar geweld – in het bijzonder slagen met een deels stomp deels kantig voorwerp tegen het hoofd – om het leven is gebracht.
De verdachte is vervolgens – naar haar zeggen omdat ze het slachtoffer niet aantrof op de afgesproken locatie – weer naar huis gereden. Het hof heeft vastgesteld dat die rit naar huis ongeveer tien minuten langer duurde dan hij zou hebben geduurd als de verdachte overeenkomstig haar eigen verklaring zou hebben gereden. De precieze route van die rit kon echter niet worden bepaald omdat de verdachte haar telefoon net op dat moment had uitgezet. Later die nacht is de verdachte met haar schoonvader gaan zoeken naar het slachtoffer en heeft zij opnieuw de ophaallocatie bezocht. Anders dan zij heeft verklaard, heeft zij tijdens die gezamenlijke zoektocht niet gebeld naar het toestel van het slachtoffer; daarvoor en daarna telkens wel.
Verder zijn in de letsels van het slachtoffer blauwe verfdeeltjes aangetroffen waarvan is vastgesteld dat de samenstelling voor een deel gelijk is aan blauwe verfdeeltjes die zijn aangetroffen in de ten behoeve van het forensisch onderzoekuitgeklopte en vervolgens afgeplakte vloermatten van de auto van de verdachte. In dat verband heeft het hof ook vastgesteld dat de verdachte nadat zij had vernomen dat de politie haar auto in beslag zou nemen voor onderzoek, overging tot het uitkloppen van vloermatten van de auto. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat het ook enkele andere gedragingen en uitlatingen van de verdachte niet in overeenstemming kon brengen met het scenario van de verdachte dat zij geen strafbare betrokkenheid had bij het gepleegde feit.
Op grond van onder meer deze omstandigheden is het hof tot de conclusie gekomen dat het de verdachte was die als mededader de moord op het slachtoffer heeft gepleegd.
Gelet op de vaststellingen van het hof dat de verdachte al die hele dag contact onderhield met het slachtoffer over onder meer de ophaallocatie en zij die ophaallocatie in de middag ook bezocht, terwijl zij niet lang na de rit waarover zij een onware verklaring heeft afgelegd weer naar de ophaallocatie is gegaan om het slachtoffer daar te ontmoeten, is de aanname van het hof dat de onwaarheid van de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over het doel en de bestemming van die tussenliggende rit, verband houdt met deze andere gedragingen van de verdachte diezelfde dag, niet onbegrijpelijk.
Ook de aanname van het hof dat die onwaarheid verband houdt met de andere gedragingen die de verdachte in verband brengen met de ophaallocatie en het daar gepleegde feit, is niet onbegrijpelijk, mede gezien de vaststelling van het hof dat de verdachte juist op het moment dat zij die terugrit maakte haar telefoon had uitgezet.
Nu het het hof vrijstond om de hiervoor genoemde onwaarheden op deze wijze in zijn oordeel over de bewezenverklaring te betrekken, behoeven de klachten over het aanmerken door het hof van deze onwaarheden als zelfstandige bewijsmiddelen geen bespreking. Dat geldt ook voor de klacht dat het hof de verklaring van de verdachte over het bellen naar het toestel van het slachtoffer – die het hof niet onbegrijpelijk als onwaar heeft aangeduid – als bewijsmiddel heeft aangemerkt.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”
6.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
7.Beslissing
20 september 2022.