ECLI:NL:PHR:2024:343

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
22/00453
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 57 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen openlijk geweld, bedreiging en verboden wapenbezit

Op 13 maart 2020 vond in een Nederlandse plaats een geweldsincident plaats waarbij verdachte samen met vier medeverdachten betrokken was. Er was een vooraf gepland confrontatie met het slachtoffer, waarbij verdachte een vuurwapen bij zich droeg en dit aan een medeverdachte overhandigde. Tijdens het incident werden schoten gelost, bedreigingen geuit en vernielingen gepleegd aan de auto van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot negen maanden gevangenisstraf wegens openlijk geweld, medeplegen bedreiging en verboden wapenbezit. Het hof bevestigde dit vonnis, met aanvullingen op de motivering. Verdachte stelde cassatieberoep in met twee middelen, gericht op de bewijsvoering omtrent medeplegen en het voorhanden hebben van vuurwapens.

De procureur-generaal concludeerde dat het hof terecht oordeelde dat verdachte een voldoende significante bijdrage had geleverd aan het geweld en de bedreiging, en dat het voorhanden hebben van vuurwapens bewezen was. De klachten over de bewijsvoering faalden. Wel werd ambtshalve opgemerkt dat de strafvermindering wegens termijnoverschrijding passend is. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, behalve voor de strafmaat, die werd verminderd.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring medeplegen openlijk geweld, bedreiging en verboden wapenbezit; strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00453

Zitting26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 februari 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 november 2020 bevestigd, behalve voor zover het betreft de bewezenverklaring van feit 1 [1] en de proceskostenveroordeling van de benadeelde partij, en met een aanvulling in reactie op verweren die in hoger beroep zijn gevoerd.
2. De rechtbank had de verdachte bij het genoemde vonnis wegens onder 1 ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen’, onder 2 ‘medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling’ en onder 3 ‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast had de rechtbank beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het vonnis bepaald.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Het draait in deze zaak om een geweldsincident dat heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020 in [plaats]. Betrokken waren de verdachte en vier medeverdachten. Er was onenigheid tussen de aangever en de zoon van de verdachte, medeverdachte [betrokkene 1]. Volgens het hof bestond er een (aan het delict voorafgaand) plan om met de aangever de confrontatie aan te gaan. De verdachte is samen met de medeverdachten naar de beoogde locatie gereden. Daar is medeverdachte [betrokkene 1] uitgestapt en heeft hij de aangever twee vuistslagen in het gezicht gegeven. Toen de aangever terugsloeg, zijn de medeverdachten ook uit de auto gestapt en zijn zij op de aangever afgerend. De verdachte droeg een vuurwapen bij zich dat hij aan medeverdachte [betrokkene 1] overhandigde. Op het moment dat de aangever wegrende, zijn de verdachte en medeverdachten achter hem aangerend. Twee van de medeverdachten hebben daarbij met een wapen geschoten. Daarnaast is er geroepen: “
pak hem, pak hem”, “
pak aan”, “
pak aan kankerneger” en “
jij gaat dood kankerneger”. Vervolgens heeft een van de medeverdachten met een hamer op de voorruit en zijramen van de auto van de aangever geslagen. De wapens zijn na afloop van het incident verstopt in een regenput.

Het eerste middel

5. Het eerste middel komt met een aantal deelklachten op tegen de bewezenverklaring van alle drie de feiten. Geklaagd wordt dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte zich ‘in vereniging’ heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde (feiten 1 en 2). Daarnaast volgt uit de bewijsvoering niet het ‘voorhanden hebben’ van een vuurwapen en munitie (feit 3), aldus de steller van het middel.

De bewijsconstructie

6. Voorafgaand aan de bespreking van het eerste middel zal ik eerst – voor zover relevant – de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen weergeven.
7. Ten laste van de verdachte is onder 1, onder 2 en onder 3 bewezen verklaard dat:
“1. hij op 13 maart 2020 te [plaats] openlijk, te weten, aan de [a-straat] en/of de [b-straat] en/of het [c-straat], op openbare wegen, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en een goed te weten [slachtoffer] en een personenauto van het merk Ford, type Ka, door tezamen en in vereniging aldaar
- zich te verzamelen op voornoemde openbare wegen en vervolgens
- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd te stompen en
- met een of meer (vuur)wapens te schieten in het bijzijn van die [slachtoffer] en
- die [slachtoffer] te voet te achtervolgen met medeneming van die (vuur)wapens en
- met een hamer ruiten van de auto van die [slachtoffer] , te weten een witte personenauto van het merk Ford, type Ka, te vernielen en daarbij
- die [slachtoffer] en andere personen de woorden toe te voegen: "Pak hem" "Pak hem" en "Pak aan" en "Kankerneger" en "Je gaat er aan kankerneger";
2. hij op 13 maart 2020 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijftegen het leven gericht, en met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Je gaat er aan kankerneger" en "Ik zei toch jij gaat rennen!" en daarbij vervolgens
- een of meer (vuur)wapens af te schieten in het bijzijn van die [slachtoffer], en daarbij
- die [slachtoffer] te voet te achtervolgen met medeneming van die (vuur)wapens;
3. hij op 13 maart 2020 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander,
A.
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een pistool van het merk FN (type 1910) van het kaliber 7,65 of
- een revolver van het merk BBM (type Olympic 38) van het kaliber .22,
zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool of een revolver,
voorhanden heeft gehad en zulks terwijl meer eerdergenoemde feiten met voornoemde vuurwapens van categorie III zijn begaan.
B.
- munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen (van het merk CCI, Mini Mag - Hollow Point), van het kaliber .22 LR of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 kogelpatronen (van het merk Fiocchi, FMJ, van het kaliber 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad.”
8. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd. [2] Ten aanzien van de bewijsvoering is door de rechtbank het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“De rechtbank heeft in het vonnis van 17 november 2020 onder andere overwogen:
Op vrijdag 13 maart 2020 vindt een schietpartij plaats in de [a-straat] te [plaats], ter hoogte van [a-straat 1]. De verbalisanten die ter plaatse komen, treffen een witte Ford Ka aan met twee ronde inslagplekken van circa 12 mm doorsnee in de voorruit. Het raam aan de bestuurderszijde is verbrijzeld en in de zijruit achter de bestuurderszijde zit een gat.
Aangever [slachtoffer] (hierna aangever) heeft bij de politie het volgende verklaard. Hij heeft een relatie gehad met [betrokkene 2], de huidige vriendin van [betrokkene 1], de zoon van verdachte. Aangever en zijn ex hebben samen een dochtertje. Aangever ontvangt dreigende appjes van [betrokkene 1]. Op 12 maart 2020 ontvangt aangever van [betrokkene 1] onder andere het bericht: "ik ga vrijdag [betrokkene 3] naar jou brengen. Ik ga jou laten rennen.
Op vrijdag 13 maart 2020 omstreeks 16.00 uur gaat aangever naar de woning van zijn (ex)schoonmoeder aan de [a-straat 1] in [plaats], om zijn dochtertje te bezoeken. Hij parkeert zijn auto, een witte Ford Ka, in de [a-straat].
Rond 20.00 uur is het bezoek afgelopen. Aangever verlaat de woning en stapt in zijn auto. Voordat hij kan wegrijden, komt een auto aanrijden, die hem blokkeert. Er stapt iemand uit de auto, die naar de auto van aangever loopt. Aangever ziet dat het [betrokkene 1] is, die hij kent als ‘[betrokkene 1]’, de nieuwe vriend van zijn ex. [betrokkene 1] doet de portier van de auto van aangever open en geeft aangever twee vuistslagen in zijn gezicht. Aangever stapt vervolgens uit en slaat [betrokkene 1] hard terug. Hierdoor valt [betrokkene 1] op de grond, waarna er nog vier andere personen aan komen. Aangever herkent ‘[betrokkene 4]’, een broertje van [betrokkene 1] en verdachte, de vader van [betrokkene 1], met een hond. Hij ziet dat het broertje van [betrokkene 1] een pistool uit zijn broeksband haalt en op hem richt. ‘[betrokkene 4]’ is de bijnaam van [betrokkene 4]. Aangever gaat achter zijn auto zitten. Dan ziet hij dat verdachte ook een pistool heeft en het aan [betrokkene 1] geeft. Aangever rent weg. Hij wordt achtervolgd en ziet dat in ieder geval [betrokkene 1] en verdachte achter hem aanrennen. Aangever hoort het geluid van drie of vijf schoten.
Het slachtoffer verklaart dat het pistool van [betrokkene 4] een kleiner model zwart pistool was, kleiner dan een pistool van de politie. Het pistool dat verdachte aan [betrokkene 1] was ook zwart en net zo groot als een pistool van de politie.
Naar aanleiding van de schietpartij stelt de politie een buurtonderzoek in en worden camerabeelden bekeken en beschreven. Hieruit blijkt dat tussen 18.43 uur en 18.49 uur een man met een hond heen en weer loopt in de [a-straat]. De man kijkt verdacht om zich heen. Rond 18.55 uur wordt een op een Seat Cordoba gelijkende auto geparkeerd in de [a-straat].
Rond 19.00 uur staat een zilvergrijze-goudkleurige auto van het merk VW Passat, met stationair lopende motor, onhandig geparkeerd in de [b-straat]. De auto staat met de voorkant richting de [a-straat]. Achter het stuur zit een licht getinte man.
Rond 19.56.30 uur wordt gebonk en geschreeuw gehoord. Er is beweging bij de blauwe geparkeerde Seat en er rennen drie personen in de richting van de [b-straat].
Rond 19.56.43 uur roept een mannenstem: "pak aan
" en "kankerneger
".
Rond 19.56.45 uur is er een knal, gelijkend op het schot van een (hand)vuurwapen.
Rond 19.56.49 uur is er weer een mannenstem. Er wordt geroepen: "vuile kutneger
" gevolgd door een knal, gelijkend op het schot van een (hand)vuurwapen.
Buurtbewoners horen omstreeks 20.00 uur dat er op straat wordt geschreeuwd: "pak hem pak hem
", direct gevolgd door twee knallen. Het klinkt als pistoolschoten.
Rond 19.56.50 rent een (vluchtende) persoon door de [a-straat].
Rond 19.56.53 uur wordt er geroepen: "jij gaat dood kankerneger
".
Rond 19.56.54 uur rennen drie personen en een hond achter de (vluchtende) persoon aan. Ze rennen allemaal in de richting van het [c-straat].
Rond 19.56.56 komt een vierde persoon eveneens richting [c-straat] rennen. De laatste, of één na laatste, heeft een vuurwapen in zijn hand.
Rond 19.57.00 staat er een persoon aan de bestuurderszijde van de geparkeerde Seat.
Rond 19.57.06 uur komt nog een vijfde persoon aanrennen. Hij stapt rond 19.57.27 uur met een hond rechts in de geparkeerde Seat. Er zit inmiddels ook een bestuurder in de Seat. De verlichting gaat aan en de Seat met daarin drie personen rijdt weg.
Op de kruising van de [a-straat] met de [b-straat] staat een auto met draaiende motor, zonder inzittenden, midden op de weg stil. De auto staat met de neus richting de [d-straat].
Rond 19.57.27 komen er twee personen (terug) rennen uit de richting van het [c-straat] en ze rennen richting [b-straat].
Eén van de twee stapt in aan de bestuurderszijde van de op de kruising stilstaande grijze auto. De andere jongen loopt richting een naastgelegen geparkeerde witte Ford Ka en slaat tegen het voorraam en twee of drie keer hard tegen het raam aan de bestuurderszijde. Het raam aan de bestuurderszijde wordt ingeslagen. Vervolgens gaat de jongen ook naar de op de kruising stilstaande grijze auto. Hij stapt in aan de bijrijderszijde, waarna de auto wegrijdt in de richting van de Cammingastraat.
De politie gaat op zoek naar de verdachten. Op 13 maart 2020 omstreeks 21:50 uur wordt aan de Aldlânsdyk te Leeuwarden medeverdachte [betrokkene 1] aangehouden. Hij heeft geen telefoon bij zich. Aan de hand van een telefoontap op [telefoonnummer 1], met een abonnement op naam van medeverdachte [betrokkene 1], blijkt dat deze telefoon tot 24 maart 2020 om 02:48 uur gebruik heeft gemaakt van een [zendmast].
Op 14 maart 2020 omstreeks 03:55 uur worden op de A7, ter hoogte van Den Oever, twee medeverdachten aangehouden, [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), de zoon van verdachte, en de minderjarige [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]).
Zij rijden in een blauwe Seat Cordoba.
De Seat Cordoba wordt onderzocht en in het dashboardkastje worden twee mobiele telefoons van het merk AEG en Huawei aangetroffen en in een verborgen ruimte in het dashboard een mobiele telefoon van het merk Samsung.
De telefoon van het merk Huawei is kennelijk van [betrokkene 1].
Op grond van de gesprekken die zijn gevoerd via WhatsApp is vastgesteld dat de gebruiker van de in de Seat aangetroffen Samsung telefoon [betrokkene 6] is (hierna: [betrokkene 6]).
Op 12 maart 2020 vindt er een chatgesprek plaats tussen de telefoon in gebruik bij [betrokkene 1] en de telefoon in gebruik bij [betrokkene 6]. Er wordt aangegeven dat [betrokkene 6] morgen ‘Padre’, de verdachte, moet ophalen en naar hier moet komen. Daarbij worden de adressen [a-straat 2] en [e-straat 1] gegeven. Ze gaan het dan rond 5 á 6 uur doen. Hij moet eerst [betrokkene 1] zien en dan moeten zij later uitstappen. ‘[betrokkene 4]’ en ‘Padre’ gaan ook mee.
Uit een ander chatgesprek op 12 maart 2020 tussen de telefoon in gebruik bij [betrokkene 6] en de telefoon op naam van [betrokkene 4] blijkt dat [betrokkene 4] de volgende dag ook meegaat, samen met [betrokkene 6] en ‘Padre’. [betrokkene 4] zal [betrokkene 5] meenemen en daarna ‘Padre’ en [betrokkene 6] ophalen. De hond van ‘Padre’ gaat ook mee. In het chatgesprek zegt [betrokkene 6] tegen [betrokkene 4] : "neem he ding mee
", "manieren leren
".
In de telefoon van [betrokkene 6] worden diverse afbeeldingen van vuurwapens aangetroffen.
De telefoon van [betrokkene 5] wordt ook onderzocht. [betrokkene 5] heeft op 13 maart 2020 vanaf 10:12 uur via WhatsApp contact met zijn vriendin. [betrokkene 5] geeft aan dat hij niet met zijn vriendin af kan spreken en zegt: "luister ik moest vandaag of morgen iets doen, maar ik ga vandaag doen blijkbaar
". Op 14 maart 2020 om 03:28 uur wordt er met de telefoon van [betrokkene 5] een bericht gestuurd naar de telefoon van aangever met de tekst: "dit was alleen een waarschuwing
". Tussen vrijdag 13 maart 2020 om 22:24 uur en zaterdag 14 maart 2020 om 00:01 uur vinden er nog gesprekken plaats met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] over iets dat verstopt moet worden en morgen opgehaald kan worden.
Uit de door [betrokkene 5] tegenover de politie afgelegde verklaring komt het volgende naar voren. Op vrijdag 13 maart 2020 omstreeks 11:00 uur stapt [betrokkene 5] in [plaats] bij [betrokkene 4] in de auto, om naar [plaats] te gaan. De auto van [betrokkene 4] is een blauwe Seat. [betrokkene 4] is de broer van [betrokkene 1], hij wordt ook wel ‘[betrokkene 4]’ genoemd. Medeverdachte [betrokkene 1] wordt ‘[betrokkene 1]’ genoemd. Onderweg haalt [betrokkene 4] [betrokkene 6], verdachte en [betrokkene 5] op, waarna ze met zijn vieren in de auto naar [plaats] rijden. De hond van de verdachte is ook mee. In [plaats] ontmoeten ze [betrokkene 1], waarna ze naar de straat gaan waar [betrokkene 1] zijn dochtertje op moet halen. Daar staan ze ongeveer een uur te wachten. [betrokkene 5] zit samen met [betrokkene 6] en [betrokkene 4] in de Seat. Verdachte is in [plaats] bij [betrokkene 1] in de VW Passat gestapt. [betrokkene 1] staat met zijn Volkswagen Passat ergens anders geparkeerd, omdat hij niet wil dat iemand hem ziet. Terwijl ze aan het wachten zijn horen ze ineens geschreeuw en [betrokkene 5] ziet vanuit de Seat dat [betrokkene 1] aan het vechten is met een man. Samen met [betrokkene 6] en [betrokkene 4], rent [betrokkene 5] er naar toe. [betrokkene 5] neemt een lifehammer mee uit de auto. Bij [betrokkene 1] aangekomen is de man weggerend. Volgens [betrokkene 5] rent iedereen, behalve hij, achter de man aan. Daarbij wordt geschoten. Er is ook nog het een en ander geroepen. [betrokkene 4] heeft een taserpistool en schiet ermee op de grond. Kort daarna schiet [betrokkene 6] met iets in de lucht. Als de man de straat is uitgerend, komt iedereen weer terug lopen. Vervolgens slaait [betrokkene 5] met de lifehammer op het voorraam, het raam aan de bestuurderszijde en het raam achter de bestuurder van een witte auto. Het raam aan de bestuurderszijde gaat kapot, waarna [betrokkene 5] bij verdachte in de VW Passat stapt en ze wegrijden. Verderop komen ze [betrokkene 4] en de anderen weer tegen en stapt [betrokkene 5] uit de VW Passat. [betrokkene 6] en verdachte met zijn hond gaan lopend naar het station om met de trein naar huis te gaan. De kaak van [betrokkene 1] staat scheef en hij gaat alleen naar het ziekenhuis. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] lopen vervolgens enkele uren door Leeuwarden. Voordat zij met de auto terug gaan op weg naar [plaats] verstopt [betrokkene 4] een tas in een put aan de Mariahof, bij een kickboksschool. [betrokkene 4] heeft alles in de tas gedaan. Het tasje lag in de auto. [betrokkene 4] pakte het tasje uit de auto en zei dat het weg moest. Er zitten meerdere dingen in de tas. [betrokkene 5] heeft gezien dat [betrokkene 4] een taserpistool in de tas deed. [betrokkene 5] heeft de tas gedragen. Hij ziet in de tas het taserpistool en de pepperspray.
Uit camerabeelden blijkt dat op 13 maart 2020 om 22:15:56 twee personen en een hond vertrekken vanaf het NS-station met een trein, met eindbestemming Den Haag, uit [plaats]. De signalementen van deze personen komen overeen met [betrokkene 6] en verdachte.
Uit de door medeverdachte [betrokkene 1] tegenover de politie afgelegde verklaring komt het volgende naar voren: [betrokkene 1] heeft een conflict met [slachtoffer]. Het telefoonnummer van [betrokkene 1] is [telefoonnummer 1].
Uit de door verdachte tegenover de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaring komt het volgende naar voren: Verdachte is met zijn zoon [betrokkene 4] in de auto naar [plaats] gekomen om zijn andere zoon [betrokkene 1] te zien. Verdachte is in [plaats] bij zijn zoon [betrokkene 1] in de auto gestapt.
Verdachte is in de [a-straat] geweest en heeft daar gelopen met zijn hond. Er heeft een confrontatie plaats gevonden met [slachtoffer]. Verdachte is die avond met de trein teruggegaan, samen met zijn hond en een ander persoon.
Op 23 maart 2020 treffen verbalisanten op aanwijzen van [betrokkene 5] in een regenput aan het Mariahofje in Leeuwarden een grijze plastic huisvuilzak aan. In de huisvuilzak zit een witte plastic boodschappentas met daarin wapens.
Uit onderzoek van de wapens blijkt dat het gaat om:
- een vuurwapen (pistool) van het merk FN, 1910, kaliber 7.65. Dit is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie;
- een vuurwapen (revolver) van het merk BBM, Olympic 38, kaliber .22. Dit is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie;
- 3 stuks munitie (kogelpatroon), merk Fiocchi, FMK, kaliber 7.65 mm. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet Wapens en munitie;
- 7 stuks munitie (kogelpatroon), merk CCI, Mini Mag-Hollow Point, kaliber .22 LR.
Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 categorie Pro II onder 4 van de Wet Wapens en Munitie.
- een stroomstootwapen, merk FBQ2002-A;
- een stroomstootwapen, merk FBQ2002-A;
- navulpatroon stroomstootwapen, merk FBQ2002-A;
De betreffende navulpatroon was kennelijk gebruikt. De genoemde voorwerpen zijn stroomstootwapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie Pro II onder 5 van de Wet Wapens en Munitie.
De in de plastic tas aangetroffen vuurwapens vertoonden zeer grote gelijkenissen met de wapens die werden aangetroffen op afbeeldingen van wapens in de telefoon van [betrokkene 6].

Bewijsoverweging

Kort weergegeven komt uit de bewijsmiddelen het volgende naar voren.
Medeverdachte [betrokkene 1] had onenigheid met aangever en heeft het initiatief genomen tot een confrontatie in de [a-straat] op 13 maart 2020. In een bericht aan aangever heeft [betrokkene 1] aangever vooraf laten weten dat hij wist van de afspraak die aangever had en "dat hij gaat rennen
". Uit het chatgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 6] blijkt dat [betrokkene 1] vooraf een plan heeft gemaakt voor de confrontatie met aangever en afspraken heeft gemaakt om er meer mensen bij te hebben. Hij heeft tijd en plaats waar de anderen moeten zijn doorgegeven en heeft uitgelegd dat aangever hem eerst moet zien, waarna de anderen er bij zouden moeten komen. Dat is ook precies wat er op 13 maart 2020 is gebeurd. Wat de intenties van verdachte en de medeverdachten betreft acht de rechtbank ook van belang dat in het chatgesprek tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 4] wordt gesproken over “manieren leren
”. [betrokkene 4] is vervolgens op 13 maart 2020 met zijn blauwe Seat Cordoba vanuit [plaats] naar [plaats] gekomen met [betrokkene 5], [betrokkene 6] en verdachte met zijn hond. In [plaats] hebben ze [betrokkene 1] ontmoet en is verdachte met zijn hond bij [betrokkene 1] in de auto gestapt. [betrokkene 1] is in zijn auto uit het zicht gaan staan wachten in de [b-straat], omdat hij niet gezien wilde worden. [betrokkene 4] heeft zijn blauwe Seat, met daarin ook [betrokkene 5] en [betrokkene 6], geparkeerd in de [a-straat]. Daar hebben ze een uur staan wachten. Kort nadat aangever, zo tegen 20.00 uur, in zijn witte Ford Ka stapte, is hij klemgereden door [betrokkene 1]. [betrokkene 1] is uitgestapt, naar de auto van aangever gelopen en heeft aangever twee vuistslagen in het gezicht gegeven. Aangever is ook uitgestapt en heeft [betrokkene 1] hard teruggeslagen. Op dat moment zijn [betrokkene 4], [betrokkene 6], [betrokkene 5] en verdachte en zijn hond aan komen rennen. [betrokkene 4] heeft een taserpistool uit zijn broeksband gehaald en op aangever gericht. Verdachte had een vuurwapen en heeft dit wapen aan [betrokkene 1] gegeven. Aangever is weggerend, waarna verdachte en medeverdachten achter hem aan zijn gerend. [betrokkene 4] heeft geschoten. [betrokkene 6] heeft ook geschoten. Er is geroepen: "pak hem, pak hem
", "pak aan
", "pak aan kankerneger
", "jij gaat dood kankerneger
".
Even later zijn verdachte en de medeverdachten teruggekomen. [betrokkene 1] is in zijn VW Passat gestapt, terwijl [betrokkene 5] met een lifehammer op de voorruit en de zijramen van de Ford Ka van aangever heeft geslagen waardoor meerdere ruiten zijn vernield. [betrokkene 5] is vervolgens bij [betrokkene 1] in de auto gestapt en ze zijn weggereden. [betrokkene 4], [betrokkene 6] en verdachte en zijn hond zijn vertrokken in de Seat Cordoba. Later is er nog een ontmoeting geweest tussen de inzittenden van beide auto’s. Daarna is [betrokkene 1] alleen op weg naar het ziekenhuis gegaan. [betrokkene 6] en verdachte hebben [plaats] per trein verlaten. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben de tas met wapens verstopt in een put aan het Mariahofje in Leeuwarden.
Het door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De verklaringen inhoudende dat aangever niet is opgewacht, het initiatief voor het geweld van aangever uitging en aangever [betrokkene 1] met een vuurwapen heeft geslagen vinden geen steun in het politiedossier. Het geschetste scenario is ook overigens niet aannemelijk geworden. De verklaringen van verdachte komen niet overeen met hetgeen aangever en medeverdachte [betrokkene 5] hebben verklaard en zijn ook niet in overeenstemming met de verklaringen van getuigen en de camerabeelden. De rechtbank acht de verklaringen van aangever en [betrokkene 5] betrouwbaar, aangezien deze op diverse essentiële onderdelen steun vinden in de overige bewijsmiddelen.
Uit de verklaring van [betrokkene 5], de verklaring van aangever over de grootte van het wapen en de in de put aangetroffen wapens, leidt de rechtbank af dat het wapen dat [betrokkene 4] uit zijn broeksband haalde, op aangever richtte en waarmee hij heeft geschoten, een taser(pistool) was. Wat betreft het wapen dat verdachte aan [betrokkene 1] heeft gegeven stelt de rechtbank vast dat dit geen taser(pistool) is geweest maar een pistool of een revolver. Dit volgt uit de verklaring van aangever, die een duidelijk onderscheid maakt tussen het wapen dat hij bij [betrokkene 4] heeft gezien en het wapen dat verdachte aan [betrokkene 1] gaf, in combinatie met de omstandigheid dat in de put vier wapens zijn aangetroffen namelijk een pistool, een revolver en twee identieke tasers.
De rechtbank overweegt voorts als volgt:

Feit 1

Openlijk geweld

De vraag die de rechtbank als eerste dient te beantwoorden is of sprake is geweest van openlijke geweldplegingen tegen personen en goederen. Daarvan is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn waardoor de openbare orde wordt verstoord. Het geweld tegen aangever vond plaats op de openbare weg. Verdachte en zijn medeverdachten hebben vooraf afspraken gemaakt en zich verzameld op de openbare weg, waarna aangever is geslagen, er in het bijzijn van aangever met (vuur)wapens is geschoten en achter aangever aan is gerend, onder medeneming van die (vuur)wapens. Vervolgens is met een hamer tegen de autoruiten van de auto van aangever geslagen, waardoor deze ruiten zijn vernield. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er sprake is geweest van openlijk geweld tegen personen en goederen.

Voldoende significante of wezenlijke bijdrage

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld in de zin van artikel 141, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde -intellectuele en/of materiële- bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. [betrokkene 1] heeft een plan gemaakt voor een confrontatie met aangever en afspraken gemaakt over bijstand van verdachte en de overige medeverdachten. Nadat [betrokkene 1] geweld tegen aangever heeft gebruikt, is verdachte hem, met de andere medeverdachten, te hulp geschoten. Verdachte heeft een wapen aangereikt aan [betrokkene 1] en is met zijn medeverdachten achter aangever aangerend. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door aldus te handelen, opzet heeft gehad op de geweldshandelingen en een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1. ten laste gelegde openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen en goederen.

Feit 2

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling en/of bedreiging tegen het leven gericht, is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen dan wel het leven zou kunnen laten. De rechtbank is gelet op voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat het plan om daar aanwezig zijn, het openlijk geweld en het rennen achter aangever aan terwijl vanuit de groep waar verdachte deel van uitmaakte bedreigende woorden werden geroepen en werd geschoten met (vuur)wapens maakt dat de bedreigingen van dien aard zijn dat bij aangever de redelijke vrees zou kunnen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen dan wel het leven zou kunnen laten. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank voorts dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gedreigd en geen vuurwapen voorhanden heeft gehad of heeft geschoten. Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte een wapen aangereikt heeft aan [betrokkene 1] en één van de personen is die achter aangever aan is gerend. Nu de rechtbank medeplegen aan de bedreiging bewezen acht hoeft niet vastgesteld te worden dat verdachte één van de personen is geweest die heeft gedreigd en geschoten.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde medeplegen van bedreiging.

Feit 3 A en B

De rechtbank is gelet op voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte een vuurwapen aangereikt heeft aan zijn zoon [betrokkene 1] en daarmee de beschikkingsmacht over dit vuurwapen heeft gehad. Hij moet zich er ook bewust van zijn geweest dat het door hem aangereikte wapen een vuurwapen met munitie betrof. De gebruikte vuurwapens (een pistool en een revolver) zijn met bijbehorende munitie aangetroffen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen of het vuurwapen, met bijbehorende munitie, dat verdachte aan zijn zoon heeft aangereikt een pistool of een revolver is, zodat de rechtbank in de bewezenverklaring hier geen keuze in zal maken. Nu verdachte het wapen aan zijn zoon heeft aangereikt en zijn zoon daarmee achter aangever [slachtoffer] aan is gerend, terwijl zij beide betrokken waren bij het in vereniging plegen van openlijk geweld en het medeplegen van bedreiging zoals hiervoor beschreven, is de rechtbank van oordeel dat daarmee is voldaan aan het vereiste van een -op het voorhanden hebben van een revolver of pistool met bijbehorende munitie gerichte- bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn zoon. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3. A en B ten laste gelegde.

(..)
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verdachte is geweest die aan medeverdachte [betrokkene 1] een pistool heeft aangereikt. Daarmee staat voor het hof vast dat verdachte opzettelijk een significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen en goederen. Voorts heeft verdachte zich niet gedistantieerd van het geweld, maar heeft hij daaraan bijgedragen door met de medeverdachten, onder medebrenging van een of meer (vuur)wapens en munitie, terwijl er op aangever werd geschoten, aangever te achtervolgen en te bedreigen. Door aldus te handelen heeft verdachte opzet gehad op de tenlastegelegde geweldshandelingen en bedreiging en voorts opzet gehad op de deelnemingsvorm medeplegen.”

De drie deelklachten van het eerste middel en de toelichting daarop

9. Het eerste middel valt uiteen in drie motiveringsklachten. De eerste deelklacht heeft betrekking op de bewezenverklaring van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld (feit 1). De steller van het middel voert in dit verband aan (1) dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte direct of indirect betrokken was bij de chatgesprekken waarin voorafgaande afspraken werden gemaakt, waardoor deze “
digitale correspondentie” volgens de steller van het middel niet redengevend kan zijn voor het bewijs, (2) dat het te hulp schieten van zijn zoon respectievelijk het achter de aangever aanrennen – zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien – niet kan leiden tot de conclusie dat de bijdrage van de verdachte zodanig is geweest dat hij openlijk geweld heeft medegepleegd, en (3) dat in het dossier een onderbouwing ontbreekt voor de stelling dat de verdachte zijn zoon een vuurwapen ter hand heeft gesteld.
10. De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring van het ‘medeplegen’ van bedreiging (feit 2) ontoereikend is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is. Betwist wordt dat de gedragingen van de verdachte van voldoende gewicht zijn geweest voor de kwalificatie van ‘medeplegen’.
11. De derde deelklacht ziet op de bewezenverklaring van (in vereniging) ‘voorhanden hebben’ van een wapen en munitie (feit 3). Daartoe wordt aangevoerd dat het aantal en soort wapens waarover een van de medeverdachten heeft verklaard niet overeenkomt met de in de regenput gevonden wapens en dat het niet duidelijk is welk wapen de verdachte droeg en of dit wapen in die put is aangetroffen.
De bespreking van de eerste en de tweede deelklacht: geen bewijs van ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld en geen bewijs van ‘medeplegen’ van bedreiging
12. Uit de bewijsvoering van het hof komt het volgende naar voren:
(i) op de dag van het geweldsincident heeft medeverdachte [betrokkene 1] de aangever laten weten dat hij wist waar de aangever zich later die dag zou bevinden en heeft hij de aangever in een chatbericht geschreven “
dat hij gaat rennen”;
(ii) de verdachte is in de auto met zijn zoon, medeverdachte [betrokkene 1], naar de locatie gereden waar zijn zoon van plan was de confrontatie met de aangever aan te gaan;
(iii) daarbij is door de verdachte een vuurwapen meegebracht;
(iv) na het uitbreken van een gevecht tussen medeverdachte [betrokkene 1] en de aangever is de verdachte uit de auto gestapt en is hij naar hen toe komen rennen;
(v) de verdachte heeft het vuurwapen dat hij had meegebracht vervolgens aan medeverdachte [betrokkene 1] gegeven;
(vi) toen de aangever wegrende, is de verdachte samen met de medeverdachten achter hem aangerend;
(vii) tijdens dat rennen werden vanuit de groep bedreigende woorden geroepen en werd door twee van de medeverdachten met een (vuur)wapen geschoten.
13. Het oordeel van het hof dat de verdachte bij het geweldsincident nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen worden gekwalificeerd als het ‘in vereniging’ plegen van het openlijk geweld, is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. [3] Daarbij neem ik aanmerking dat het hof heeft overwogen dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de gewelddadige handelingen van zijn mededaders, maar dat hij gedurende het geweldsincident fysiek aanwezig was en dat hij daaraan op significante wijze heeft bijgedragen door medeverdachte [betrokkene 1] te voorzien van een wapen en door achter de aangever aan te rennen. [4] Verder merk ik op dat het hof uit de verklaring van de aangever kon afleiden dat de verdachte een vuurwapen heeft gegeven aan medeverdachte [betrokkene 1]. [5]
14. Aan het oordeel dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld doet niet af dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij het berichtenverkeer dat aan het openlijk geweld vooraf is gegaan. Het hof heeft die ‘digitale correspondentie’ kennelijk tekenend geacht voor de context van het geweldsincident.
15. Bovendien heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bedreiging door tijdens de uitvoering van het delict een cruciale rol te vervullen. Immers, de verdachte heeft [betrokkene 1] een wapen ter hand gesteld en is samen met de medeverdachten achter de aangever aangerend. De verdachte was dus fysiek onderdeel van de groep en heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de bedreigende situatie. In aanmerking genomen dat de verdachte samen met [betrokkene 1] naar de locatie van de confrontatie is gereden en dat hij op dat moment al een vuurwapen bij zich droeg, kon het hof oordelen dat de verdachte bij de uitvoering van de bedreiging nauw en bewust met de medeverdachten heeft samengewerkt.
16. De eerste en de tweede deelklacht van het eerste middel falen.
De bespreking van de derde deelklacht: geen bewijs ‘voorhanden hebben’ vuurwapen
17. Door het hof is vastgesteld dat de verdachte een vuurwapen aan medeverdachte [betrokkene 1] heeft aangereikt. Met het hof ben ik van oordeel dat in die vaststelling besloten ligt dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen. De bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ is op dit punt toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. [6]
18. Voor zover de steller van het middel klaagt dat uit de vaststellingen niet volgt of de verdachte een pistool of een revolver voorhanden heeft gehad, wijs ik erop dat is komen vast te staan dat de verdachte in ieder geval een van beide vuurwapens voorhanden heeft gehad, en dat voor de aard en ernst van het delict niet van belang is welke van de twee wapens hij precies voorhanden heeft gehad.
19. Ook de klachten met betrekking tot de in de put aangetroffen wapens treffen geen doel, nu het hof het aantreffen van deze wapens kennelijk niet ten grondslag heeft gelegd aan de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van wapens en munitie, aangezien daarover in de bewijsoverwegingen met betrekking tot het medeplegen van verboden wapenbezit (onder het kopje ‘Feit 3 A en B’) niets wordt overwogen.
20. De derde deelklacht van het eerste middel faalt.

Het tweede middel

21. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de drie bewezen verklaarde feiten ‘meerdaadse samenloop’ opleveren. Volgens de steller van het middel heeft het hof miskend dat het gaat om eendaadse samenloop of om een voortgezette handeling.
22. In het bestreden arrest heeft het hof onder andere artikel 57 Sr Pro aangehaald. Het hof is dus uitgegaan van meerdaadse samenloop.
23. Hoewel ik het oordeel van het hof dat zich ten aanzien van feit 1 en feit 2 meerdaadse samenloop voordoet, niet zonder meer begrijpelijk acht, [7] hoeft dit niet tot cassatie te leiden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de duur van de opgelegde gevangenisstraf, negen maanden, relatief ver onder het wettelijk strafmaximum van vier jaren ligt dat zou gelden indien het hof eendaadse samenloop of een voortgezette handeling zou hebben aangenomen. Daardoor ontbreekt het belang van de verdachte bij het slagen van het cassatieberoep.

Slotsom

24. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
25. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dit dient te leiden tot matiging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
26. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het hof komt tot een minder strikte bewezenverklaring van de pleegplaats.
2.Het vonnis van de rechtbank is door het hof bevestigd met aanvulling van gronden. Die aanvulling van het hof ziet op door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Omdat daarover in cassatie niet wordt geklaagd, laat ik die overwegingen van het hof hier achterwege.
3.Over ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld gaat HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093: “
4.Vgl. de conclusie van A-G Keulen van 17 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:465. In deze zaak stelde het hof vast dat de verdachte met twee medeverdachten, nadat zij het latere slachtoffer op de fiets waren gepasseerd, is omgekeerd en achter het slachtoffer is aangefietst. De medeverdachten knoopten daarop hun T-shirts over hun hoofd en zeiden “
5.Die verklaring van de aangever houdt – kort gezegd – in dat hij zag dat de verdachte ook een pistool had en dat hij dat pistool aan [betrokkene 1] gaf.
6.Zie in het algemeen HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:527: “
7.HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:358, rov. 2.3. Het oordeel omtrent eendaadse samenloop is vooral afhankelijk van de vraag of de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het ‘wilsbesluit’) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Een enigszins uiteenlopen van de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen staat niet in de weg aan het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat.