Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van openlijke geweldpleging niet kan volgen.
het hof begrijpt: [aangever 1]) fiets trapte. Ik zag dat [aangever 1] onstabiel werd maar wel door kon fietsen.
het hof begrijpt: op de [a-straat] te [plaats]) is gebeurd?
het hof begrijpt: verdachte).
het hof begrijpt: [betrokkene 2]) en [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: [betrokkene 1])
het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (
het hof begrijpt: [betrokkene 2]) zich omdraaiden en zeiden, we gaan ze pakken.
het hof begrijpt: [betrokkene 2]) en [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: [betrokkene 1]) richting [aangever 1] (het hof
begrijpt: [aangever 1]) en [aangever 2] (
het hof begrijpt: [aangever 2]).
lk opende de tweede video en zag dat boven in het scherm de datum van 14 augustus stond met daarbij de tijd 23:40 uur, dit betreft de datum en tijd waarop het filmpje op de telefoon is gekomen. Bij het startbeeld van het filmpje is te zien dat [aangever 1] , één van de slachtoffers, naar achteren kijkt in de richting van [betrokkene 1] . Ook het slachtoffer [aangever 2] en verdachte [betrokkene 2] zijn zichtbaar in het filmpje. Ik heb hierna het filmpje gestart en ik zag dat [aangever 1] met zijn hand in zijn nek zat. Het lijkt er op alsof hij voelt of er iets zit in zijn nek en ook maakt zijn hand een wrijvende beweging over zijn nek en onderkant van zijn achterhoofd. Ik hoorde dat [aangever 1] zei: “Ken ik jullie ergens van?” Ik zag dat [aangever 1] hierbij naar achteren keek in de richting van verdachte [betrokkene 1] . Terwijl hij zijn vraag stelt gebruikt hij hierbij zijn hand om de vraag te begeleiden. Daarna gaat [aangever 1] weer terug met zijn rechterhand naar zijn nek en onderkant achterhoofd en wrijft daarover heen. Hij draait dan ook zijn gezicht weer naar voren toe. Direct hierna draait [aangever 1] zijn gezicht weer in de richting van [betrokkene 1] die op dat moment met zijn fiets nog achter het slachtoffer [aangever 1] staat. Ik hoorde dat [aangever 1] zei: “nee effe serieus”. Ik hoorde vervolgens verdachte [betrokkene 2] lachen en kort daarna hoorde ik de filmer lachen. In dit filmpje hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook beiden gezichtsbedekking.
NJ2015/390 m.nt. Mevis heeft Uw Raad enige algemene overwegingen inzake medeplegen geformuleerd. Daarbij is overwogen dat deze overwegingen in vergelijkbare zin gelden indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. In aansluiting hierop is in HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320,
NJ2016/418 m.nt. Rozemond inzake art. 141 Sr Pro overwogen dat de rechter zal moeten beoordelen ‘of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is mede toepasselijk op – en wordt ook frequent toegepast bij – openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen’.
NJ2011/519. Volgens Uw Raad gaf het oordeel van het hof dat de verdachte een voldoende significante bijdrage had geleverd aan het geweld door zich opnieuw te voegen bij de personen die geweld tegen het slachtoffer pleegden en zich niet te distantiëren van de nieuwe vechtpartij, nadat hij aanwezig was geweest bij de eerdere vechtpartij, blijk van een onjuiste uitleg van de uitdrukking ‘in vereniging’. In het reeds genoemde HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093 was Uw Raad van oordeel dat uit de bewijsvoering van het hof ten aanzien van de rol van de verdachte bij het geweld niet meer kon worden afgeleid dan dat hij – nadat het slachtoffer door de medeverdachte met een ploertendoder op een hand was geslagen en nadat het slachtoffer was weggerend, waarbij hij werd achtervolgd door de medeverdachte – ook achter het slachtoffer was aangerend, op enkele meters afstand van de medeverdachte. Dat bood onvoldoende grond voor het oordeel dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het ‘in vereniging’ plegen van het bewezenverklaarde geweld. [6]
NJ2011/82 liet Uw Raad de veroordeling voor openlijke geweldpleging in stand. Het hof had behalve de omstandigheid dat de verdachte in de groep aanwezig was geweest en aldus de groep getalsmatig versterkte, tevens in aanmerking genomen dat de verdachte ‘welbewust een bijna zekere confrontatie heeft opgezocht en bovendien vervolgens gedurende enige tijd is meegegaan in een aanvalsgolf van de Engelse supportersgroep’.