ECLI:NL:PHR:2024:361

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
1 april 2024
Zaaknummer
22/04290
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14c lid 2 SrArt. 14c lid 6 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 342.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak ontucht stiefkind met gebruik chatberichten als bewijs

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, wegens ontucht met zijn minderjarig stiefkind. Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op WhatsApp-berichten en chatberichten tussen verdachte, het slachtoffer en haar moeder.

De verdediging voerde in cassatie aan dat deze berichten onbetrouwbaar waren, omdat zij door de moeder van het slachtoffer waren geselecteerd en mogelijk bewerkt, en dat de verdachte geen eerlijk proces had gehad omdat hij de juistheid van de berichten niet kon toetsen. De procureur-generaal concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat de berichten authentiek en betrouwbaar waren, mede omdat de originele gegevensdrager niet in beslag was genomen en het hof voldoende motivering gaf voor het afwijzen van nader onderzoek.

Daarnaast werd geklaagd dat de bewezenverklaring slechts steunde op één getuige, het slachtoffer, maar het hof had de verklaring van het slachtoffer ondersteund met meerdere steunbewijsmiddelen, waaronder chatberichten en verklaringen van de moeder en zus van het slachtoffer. Ook de bijzondere voorwaarde van een contactverbod werd aangevochten, maar het hof had de duur daarvan zelf bepaald en de politie toegewezen tot handhaving, wat volgens de procureur-generaal niet in strijd was met de wet.

De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04290

Zitting2 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 14 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “ontucht plegen met zijn stiefkind, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met een bijzondere voorwaarde, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en is aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
Namens de verdachte heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van WhatsApp-berichten en chatberichten die door de aangeefster of haar moeder zijn overgelegd.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [aangeefster] , geboren [geboortedatum] 1998, door
- het brengen van zijn penis in haar vagina,
- het brengen van één of meer vingers in haar vagina,
- het brengen van zijn penis in haar mond,
- het likken van haar vagina,
- die [aangeefster] te bewegen haar ontblote lichaam aan hem, verdachte, te tonen,
- te ejaculeren over het gezicht en borsten van die [aangeefster] ,
- zich af te trekken in het bijzijn van de [aangeefster] en
- het zoenen van die [aangeefster] .”
5. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer berichten tussen de verdachte en de aangeefster (bewijsmiddel 3, afkomstig van onderzoek aan de telefoon van de aangeefster) en berichten tussen de verdachte en de moeder van de aangeefster (bewijsmiddel 6, overgelegd door de moeder van de aangeefster).
6. Het hof heeft over het gebruik van deze berichten overwogen:

Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft de authenticiteit van de chatberichten tussen verdachte en [betrokkene 1] in twijfel getrokken, nu deze door [betrokkene 1] zijn aangeleverd in een txt.bestand en deze door haar zelf en mogelijk ook door de politie zijn bewerkt en daarmee de betrouwbaarheid van dit bestand betwist.
Het verzoek – in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt – is dan ook om de originele gegevensdrager waar het chat.txt bestand mee is gemaakt door een digitaal expert te laten onderzoeken.
Vooraleerst stelt het hof vast dat blijkens het dossier de gegevensdrager waarop de raadsvrouw doelt in het kader van de strafrechtelijke procedure nooit in beslag is genomen en dat het onderzoek als verzocht door de raadsvrouw om die reden niet kan plaatsvinden. Daarnaast acht het hof een dergelijk onderzoek -zo het al mogelijk zou zijn- niet noodzakelijk nu verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van de in een later stadium overgelegde originele chatberichten zou zijn gemanipuleerd in voor verdachte negatieve zin. De enkele stelling van de raadsvrouw dat in diverse aangehaalde voorbeelden van chatberichten de tijd zou verspringen en zinnen niet goed zouden lopen omdat er tekst zou zijn weggelaten, maakt die conclusie niet anders.
Naar het oordeel van het hof zijn de berichten in het dossier voldoende betrouwbaar om bij de bewijsmiddelen te betrekken. Daarbij heeft het hof meegewogen hetgeen verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2020 over het voegen van de chatberichten aan het dossier. Zij heeft aangegeven dat gelet op de grootte van het bestand in eerste instantie niet alles gevoegd werd, maar dat later werd besloten dit alsnog te doen en dat voor de volledigheid de originele chatberichten als bijlage aan haar proces-verbaal zijn gevoegd, waarbij voor de leesbaarheid koppen en een inhoudsopgave zijn toegevoegd.
Hieruit leidt het hof af dat het dossier ‘Aanvulling op einddossier (chatberichten)’ bestaat uit de originele berichten, waar enkel voor de leesbaarheid toevoegingen zijn aangebracht en de inhoud van de berichten niet is gewijzigd. Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat in het geval de berichten zouden zijn gemanipuleerd deze zo zouden zijn gereconstrueerd dat verdachte daarin ondubbelzinnig de tenlastegelegde feiten zou bekennen. Dat is echter niet het geval.
Tenslotte heeft het hof bij de beoordeling van het verzoek betrokken dat de aangifte van aangeefster niet enkel ondersteund wordt door de berichten die via de telefoon verstuurd zijn tussen aangeefster en verdachte en de moeder van aangeefster en verdachte, maar dat het hof deze berichten heeft bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen.
Het hof wijst het verzoek dan ook af.”
7. In de schriftuur wordt aangevoerd dat het gebruik van deze berichten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, omdat (i) de politie geen onderzoek heeft gedaan naar deze berichten, maar de selectie van de berichten heeft overgelaten aan (de moeder van) de aangeefster, (ii) het hof geen onafhankelijk onderzoek heeft laten verrichten naar de betrouwbaarheid van deze niet-authentieke (maar bewerkte en geselecteerde) berichten, terwijl de verdediging die betrouwbaarheid heeft betwist, (iii) de verdachte door het gebruik van de berichten voor het bewijs geen eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro heeft gehad, omdat de verdediging geen reële mogelijkheid heeft gehad de juistheid van de berichten te toetsen en daarvoor niet is gecompenseerd, (iv) de bewezenverklaring hierdoor steunt op bewijsmateriaal waarvan de bewijswaarde niet is vastgesteld, terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat het materiaal door (de moeder van) de aangeefster is gemanipuleerd en (v) het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de berichten onbetrouwbaar zijn en daarom niet bruikbaar zijn voor het bewijs.
8. Over het middel kan ik redelijk kort zijn. De onder (i) weergegeven klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof heeft vastgesteld dat het dossier ‘Aanvulling op einddossier (chatberichten)’ bestaat uit de originele berichten, waar enkel voor de leesbaarheid toevoegingen zijn aangebracht en de inhoud van de berichten niet is gewijzigd of geselecteerd. Het onder (ii) weergegeven verzoek tot onderzoek aan de berichten heeft het hof gemotiveerd afgewezen en die motivering is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de vaststelling van het hof dat “de gegevensdrager waarop de raadsvrouw doelt in het kader van de strafrechtelijke procedure nooit in beslag is genomen en dat het onderzoek als verzocht door de raadsvrouw om die reden niet kan plaatsvinden”. De onder (iii) weergegeven klacht is een enkele stelling die in de schriftuur niet nader wordt onderbouwd. Het is daarom geen “stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift” en daarmee voldoet het middel in zoverre niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. [1] Daarbij teken ik ten overvloede aan dat de stelling dat de verdediging geen reële mogelijkheid heeft gehad de juistheid van de berichten te toetsen en daarvoor niet is gecompenseerd, wat mij betreft niet opgaat. Het hof heeft immers vastgesteld dat het dossier ‘Aanvulling op einddossier (chatberichten)’ bestaat uit de originele berichten, waar enkel voor de leesbaarheid toevoegingen zijn aangebracht en de inhoud van de berichten niet is gewijzigd. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dus dat de verdachte kennis heeft kunnen nemen van de woordelijk uitgewerkte gesprekken en zich daartegen heeft kunnen verdedigen, zodat het kennelijke oordeel van het hof dat art. 6 EVRM Pro niet is geschonden niet onbegrijpelijk is. [2] Het onder (iv) weergegeven argument mist feitelijke grondslag, omdat er geen bewijsmateriaal is waarvan de bewijswaarde niet is vastgesteld. Het hof heeft juist vastgesteld dat het bewijsmateriaal betrouwbaar is. Tot slot mist ook de onder (v) weergegeven klacht feitelijke grondslag, omdat het hof op het standpunt van de verdediging heeft gereageerd en heeft uitgelegd waarom het de berichten betrouwbaar vindt.
9. Het middel faalt.

Het tweede middel

10. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring slechts steunt op de verklaring van één getuige.
11. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [aangeefster] , geboren [geboortedatum] 1998, door
- het brengen van zijn penis in haar vagina,
- het brengen van één of meer vingers in haar vagina,
- het brengen van zijn penis in haar mond,
- het likken van haar vagina,
- die [aangeefster] te bewegen haar ontblote lichaam aan hem, verdachte, te tonen,
- te ejaculeren over het gezicht en borsten van die [aangeefster] ,
- zich af te trekken in het bijzijn van de [aangeefster] en
- het zoenen van die [aangeefster] .”
12. Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen:

Steunbewijs
Naar het oordeel van het hof wordt de verklaring van aangeefster op belangrijke onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Ten eerste vindt de verklaring van aangeefster op onderdelen bevestiging in de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en aangeefster nu deze berichten aansluiten bij de verklaring van aangeefster.
In een bericht van verdachte aan aangeefster van 5 augustus 2015 schrijft verdachte ‘Btw dont tell mom i gave u a massage’, op 10 september 2015 schrijft verdachte ‘Well practice positions anyway id say’ en ‘Uil feel so confident later’ en even later in diezelfde chat ‘If u wanna talk or need help ot answers or practice im here for u’. Op 2 oktober 2015 schrijft hij ‘Ur choice deepthroat practice or position practice’.
Het hof ziet ook een belangrijke ondersteuning voor de verklaring van aangeefster in het Whats-App-bericht dat zij op 14 december 2015 aan [betrokkene 2] heeft gestuurd, waarin ze heeft geschreven dat ze al anderhalf jaar lang misbruikt wordt door haar stiefvader en dat ze ook wel verkracht is door hem. Daarbij heeft ze ook aangegeven dat haar zus hem zag met cocaïne op vrijdagavond en dat ze toen alles heeft verteld, dat ze niet weet hoe het met hun verblijfsvergunning gaat en dat [betrokkene 2] niets mag zeggen omdat zij dan hier niet kunnen blijven als [verdachte] naar de gevangenis gaat.
Verder volgt uit het dossier dat de zus van aangeefster, [betrokkene 3] , op dezelfde dag als aangeefster een informatief gesprek zeden heeft gehad bij de politie. Tijdens dat gesprek heeft zij aangegeven dat verdachte veel over seksualiteit sprak, dat hij haar vroeg of zij zichzelf masturbeerde en hoe ze dat deed en dat hij haar tips gaf hoe ze haar vriend op seksueel gebied kon verwennen. Ook vroeg hij haar of ze vijftig euro wilde verdienen en dat ze dan haar vagina moest laten zien. Volgens [betrokkene 3] deed verdachte alles overkomen alsof het een grap was. Ze heeft op enig moment haar vagina aan hem laten zien en van hem vijftig euro overgemaakt gekregen. Verdachte heeft haar ook gevraagd om hem een foto van haar tepelpiercing te sturen, hetgeen [betrokkene 3] gedaan heeft. Volgens verdachte was het mooi pornografisch materiaal waar je jezelf op bevredigt. Rond Kerst 2015 zou verdachte cocaïne hebben gebruikt waar [betrokkene 3] getuige van was en mocht zij daar van hem niet over praten, anders zou hij zijn lul in haar reet stoppen. Ze mocht hier ook niet met de politie over praten, anders zouden ze het land uit worden gezet.
Daarnaast heeft de moeder van aangeefster, [betrokkene 1] , verklaard dat er eerst wel eens ongelukjes gebeurden met verdachte en haar dochters, bijvoorbeeld als haar oudste dochter [betrokkene 3]
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] )in haar ondergoed in de kamer stond en verdachte haar kamer binnen liep. Ook kietelde hij hen allemaal en maakte hij hun beha’s van achteren los. Volgens getuige [betrokkene 1] werd het erger toen ze in hun eigen huis kwamen wonen. Hij kwam vaker binnen bij [betrokkene 3] en [aangeefster]
(het hof begrijp [aangeefster] ), bij [aangeefster] meer dan bij [betrokkene 3] . Een keer ging hij met haar shoppen. Hij stuurde haar een foto, een close-up van zijn stijve penis. Daarna gaf hij de telefoon aan [aangeefster] . Plotseling liet hij, zo verklaart getuige [betrokkene 1] , oeps de foto zien. Ze was toen 13 of zo. Hij maakte ook weddenschappen met [betrokkene 3] dat ze voor vijftig euro haar vagina liet zien. Het werd steeds erger in huis ook. Hij liet vaker zijn blote kont zien in huis. In december 2015 hoorde zij voor het eerst dat er iets had plaatsgevonden tussen verdachte en haar dochters. Haar oudste dochter had gezien dat verdachte cocaïne had gebruikt en nadat haar dochters naar boven waren gegaan en weer naar beneden kwamen, vertelde [betrokkene 3] het. [aangeefster] huilde. [betrokkene 3] vertelde dat verdachte haar (het hof begrijpt: [aangeefster] ) telefoon gebruikte als straf en dat hij orale sekslessen gaf om haar telefoon terug te krijgen als voorbereiding voor haar man, voor later. [aangeefster] stond achter [betrokkene 3] en gaaf aan dat ze niets moest zeggen.
We vertrokken, ik, de baby [baby] en de meiden. [verdachte] zei tegen [aangeefster] ‘goede tijd om het te vertellen’ en [aangeefster] sloeg zijn laptop dichte en zei tegen verdachte dat hij haar had misbruikt en had het over sekslessen en orale seks. Ze was heel erg boos. Over de keer dat ze XTC hebben gebruikt met z’n vieren heeft getuige [betrokkene 1] verklaard dat ze het niet wilde, maar toch toe heeft gegeven en dat ze naar [aangeefster] kamer gingen waarna [verdachte] en [aangeefster] weg gingen.
Tenslotte vindt de verklaring van aangeefster op onderdelen ook bevestiging in de chatberichten tussen getuige [betrokkene 1] en verdachte nu deze berichten aansluiten bij de verklaring van aangeefster.
In de zeer uitgebreide chatgesprekken tussen 9 december 2015 en 27 april 2016, zijn de berichten te lezen die verdachte en getuige [betrokkene 1] elkaar sturen nadat [aangeefster] over het misbruik heeft verteld. Van een deel van deze berichten is in het dossier ook een Nederlandse vertaling beschikbaar. Deze staat, indien beschikbaar, tussen haakjes weergegeven achter de Engelse weergave van de chat.
Na een eindeloze reeks beschuldigingen in berichten van getuige [betrokkene 1] aan verdachte waar verdachte niet inhoudelijk op reageert, schrijft verdachte op 14 december 2015 ‘Was it mentioned what i said earlier? (werd het genoemd, wat ik eerder zei?)’ ‘That [aangeefster] had instigated the sex, not me (Dat [aangeefster] het initiatief voor de seks genomen had, ik niet)’. In de berichten van 24 januari 2016 om 03:57:17, 03:57:19 en 03:57:43 schrijft verdachte aan de moeder van aangeefster ‘So truly sorry (Het spijt me echt heel erg)’, ‘ For What i did (wat ik gedaan heb)’, ‘Wish u knew (Ik wou dat je dat wist)’ en om 03:58:29 uur schrijft hij aan haar ‘I didnt cum inside her ever (Ik ben nooit in haar klaar gekomen)’. En op 25 januari 2016 om 07:10 schrijft verdachte ‘I didn’t do it for emotionss!!!!! (Ik heb het niet vanwege emoties gedaan!!!!)’ ‘Or lust!!!! (Of uit lustgevoel!!!!)’.
Op 28 januari 2016 om 14:19:59 uur schrijft verdachte ‘SHE would call it “Practice” also! (ZIJ noemde het ook “oefenen”)’. En om 22:38 uur ‘She is fully, (Het is helemaal)’ ‘To blame, (haar schuld)’ ‘For the sex part. (Voor het seksgedeelte)’
Op 16 februari 2016 schrijft verdachte ‘They at first thougth I had to go to, an Abuser kind of therapy?? (Ze dachten eerst da tik naar een sort therapie voor misbruikers moest???)’ ‘So yeah, (Dus ja)’ ‘The signed me up for multiple things (Ze hebben me voor meerdere dingen ingeschreven)’ ‘I am getting a Criminal Psychiatrist to research me so they can see to what extent the risk is of it happening again (Ik krijg een forensisch psychiater om mij te onderzoeken zodat ze kunnen zien in welke mate er een risico is dat het weer gebeurt)’. En op 15 maart 2016, na berichten van [betrokkene 1] over een SOA screening van [aangeefster] en een hoog risico op HPV, schrijft verdachte om 14.09 ‘Study says only 20% chance in a year (in een onderzoek wordt gezegd dat er maar 20% kans is in een jaar)’ ‘When one of the partners has it. (Als een van de partners het heeft)’ ‘Just saying (ik zeg het maar even)’ (…) ‘I might not even have it. (ik heb het misschien niet eens)’
En later die dag schrijft verdachte ‘They put me with 4 ppl for shits sake’ ‘A whole fcking interiew thing’ ‘with psychiatrist’ ‘specialized’ ‘In criminal shizzle’ ‘U know the reports’ (…) ‘For in court’ waarna [betrokkene 1] schrijft ‘u need to be honest to get the correct help’ ‘but please make sure they have confidentiality and cannot call cops based on their assessment’ en verdachte reageert met ‘No they cant’.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft zich eerst tijdens zijn drie verhoren bij de politie zaaksinhoudelijk op zijn zwijgrecht beroepen en heeft pas ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij nogmaals is geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek en meer in het bijzonder met de berichten tussen hem en aangeefster en hem en de moeder van aangeefster, de seksuele handelingen ontkend en een verklaring afgelegd over hoe die berichten moeten worden gelezen. Daarbij heeft hij niet ontkend dat hij aan de berichten heeft deelgenomen. Zo heeft hij onder andere aangegeven dat aangeefster met vragen over seks bij hem terecht kon, maar dat hij met ‘practice’ niet bedoeld heeft dat zij met hem zou kunnen oefenen. Daarnaast zou aangeefster nadat ze die avond XTC hebben gebruikt aan verdachte gevraagd hebben seks met haar te hebben en is zij tegen hem gaan aanrijden. Die gebeurtenis is wat hij in een app-bericht aan [betrokkene 1] bedoelt met de seks die [aangeefster] instigeerde. Volgens verdachte zou aangeefster uit wraak aangifte tegen hem hebben gedaan.
Zijn bericht dat hij nooit is klaargekomen in [aangeefster] is correct en dat zou ook niet kunnen omdat er nooit seks is geweest. De andere uitlatingen moeten in een context worden gezien maar zeker niet in een seksuele context.
Daarnaast heeft verdachte verklaard dat aangeefster en haar zus hun laptop of telefoon kwijt konden raken als straf. Over de therapie die verdachte kreeg, heeft hij gezegd dat dit te maken had met zijn drugsgebruik in die periode.
Conclusie
Naar het oordeel van het hof wordt met voornoemde bewijsmiddelen in hun onderlinge verband en samenhang bezien voldoende steun gegeven aan de als betrouwbaar geoordeelde verklaring van aangeefster.
Zo wordt de verklaring van aangeefster over het moment dat zij het voor het eerst tegen haar zus heeft verteld, bevestigd door hetgeen haar moeder daar over heeft verklaard. Daarnaast hebben zowel aangeefster als haar moeder over de aanloop verklaard over de momenten dat verdachte de kamer van aangeefster of haar zus binnenkwam als zij zich aan het omkleden waren. En hebben zowel aangeefster als haar zus het over de tips of lessen die verdachte hen gaf voor de seks met hun vriendjes. Bovendien verklaart ook de zus van aangeefster over het verrichten van seksuele handelingen voor vijftig euro, waarbij het bij [betrokkene 3] ging om het laten zien van haar vagina aan verdachte en bij aangeefster om het niet hoeven hebben van seks met verdachte tegen betaling aan verdachte van vijftig euro. Wat betreft de manier van straffen – de meisjes hun telefoon afpakken – heeft verdachte ook niet ontkend dat dat gebeurde en volgens aangeefster kon zij die terugkrijgen tegen het verrichten van seksuele handelingen.
Daarnaast bevestigt het bericht van 14 december 2015 van aangeefster aan [betrokkene 2] de aangifte en daarbij acht het hof ook het moment waarop aangeefster het bericht heeft verstuurd van belang, te weten een dag nadat zij haar zus en moeder op de hoogte heeft gesteld van hetgeen haar overkomen is. Bovendien komt het bericht overeen met de verklaring van de moeder van aangeefster, die over de eerste keer dat ze over het misbruik hoorde heeft verklaard dat haar oudste dochter verdachte cocaïne had zien gebruiken en dat ze het toen vertelden.
In samenhang met de verschillende WhatsApp-berichten en chatberichten is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden de verklaring van aangeefster op onderdelen op een relevante manier ondersteunen en bevestiging opleveren van de context waarbinnen de ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden.
Het hof heeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat aangeefster uit wraak aangifte zou hebben gedaan tegen verdachte. Zo heeft zij direct tegen [betrokkene 2] gezegd dat ze er niet over mocht praten omdat verdachte anders naar de gevangenis zou moeten gaan en dat gevolgen zou kunnen hebben voor het verblijf van aangeefster, haar moeder en zus in Nederland. Bovendien is ook op geen enkele manier door verdachte duidelijk gemaakt waar die wraak dan op gebaseerd zou zijn.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met zijn minderjarig stiefkind [aangeefster] .”
13. In de schriftuur wordt aangevoerd dat de andere getuigen dan de aangeefster niet over eigen waarnemingen hebben verklaard en dat de aangeefster de bron is van de door hen gegeven beschrijvingen. Daarnaast wordt aangevoerd dat de WhatsApp-gesprekken geen concrete informatie over het tenlastegelegde inhouden en tot de aangeefster zijn te herleiden.
14. Het hof heeft volgens zijn bewijsoverweging de verklaring van de aangeefster geverifieerd aan de hand van vijf steunbewijsmiddelen: (i) de WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en de aangeefster, (ii) het WhatsApp-bericht van de aangeefster aan [betrokkene 2] , (iii) het informatief gesprek zeden van de zus van aangeefster, [betrokkene 3] , bij de politie, (iv) de verklaring van de moeder van aangeefster, [betrokkene 1] en (v) de chatberichten tussen de getuige [betrokkene 1] en de verdachte.
15. Bij de beoordeling van het middel is van belang dat uitlatingen van de verdachte zelfstandig voldoende steunbewijs kunnen opleveren. [3] Zo kunnen als steunbewijs WhatsApp-berichten met een onmiskenbaar seksuele strekking worden gebruikt als de verdachte en het slachtoffer verschillend verklaren over de vraag of ze seks hebben gehad. [4] Ook liet de Hoge Raad een bewezenverklaring in stand waarvoor als steunbewijs een verklaring van de verdachte tegenover zijn vrouw was gebruikt. [5] Tot slot liet de Hoge Raad een bewezenverklaring in stand die mede steunde op een transcriptie van een telefoongesprek waarin de verdachte aangaf dat er “dingen zijn gebeurd die niet hadden mogen gebeuren” en wie het slachtoffer was, en daarnaast op de verklaring van de verdachte over het gebruik van MSN en over het telefoongesprek. [6]
16. Naar mijn oordeel is het bewijsminimumvoorschrift in deze zaak daarmee overduidelijk niet geschonden. Voor zover wordt geklaagd dat de andere getuigen dan de aangeefster niet over eigen waarnemingen hebben verklaard en dat de aangeefster de bron is van de door hen gegeven beschrijvingen, is de klacht alleen gegrond voor zover die is gericht tegen het onder (ii) genoemde steunbewijsmiddel. Dat bewijsmiddel houdt een verklaring van de aangeefster in en kan daarom niet als steunbewijs dienen. Ook zonder dat bewijsmiddel is er echter genoeg steunbewijs. De overige bewijsmiddelen houden eigen waarnemingen in, zoals het hof in zijn bewijsoverweging heeft vermeld, en in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Voor zover verder wordt geklaagd dat de WhatsApp-gesprekken geen concrete informatie over het tenlastegelegde inhouden en tot de aangeefster zijn te herleiden, mist de klacht ook feitelijke grondslag. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging uit de gesprekken geciteerd en die gesprekken hebben onmiskenbaar betrekking op het tenlastegelegde en zijn deels afkomstig van de verdachte.
17. Het middel faalt.

Het derde middel

18. Het middel klaagt dat de opgelegde bijzondere voorwaarde in strijd is met art. 14c Sr, omdat zij een onbepaalde duur heeft en het toezicht op de naleving is opgedragen aan de politie.
19. Het hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte:
“op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt en/of onderhoudt met [aangeefster] (geboren [geboortedatum] 1998) zo lang het Openbaar Ministerie dit nodig acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.”
20. Het hof heeft bij de toegepaste wettelijke voorschriften vermeld:
“Deze voorschriften zijn, met uitzondering van de artikelen 14c en 36f Sr, toegepast, zoals zij
golden ten tijde van het bewezenverklaarde.”
21. Art. 14c lid 2 aanhef en onder 5 Sr luidt:
“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
[…]
5°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen”.
22. Art. 14c lid 6 Sr luidt:
“De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
23. De steller van het middel voert ten eerste aan dat de wet niet toestaat dat de officier van justitie de duur of de termijn van een contactverbod bepaalt en dat gelet hierop de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, voor zover deze inhoudt dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de duur van de opgelegde vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarde, onverenigbaar is met art. 14 lid 2 aanhef Pro en onder 5 Sr.
24. Deze klacht is naar mijn oordeel gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft – zo lees ik althans de bijzondere voorwaarde – zelf bepaald dat de bijzondere voorwaarde tot maximaal de duur van de aan de verdachte opgelegde proeftijd van drie jaar duurt, maar heeft daarbij bepaald dat de duur in het voordeel van de verdachte kan worden ingekort als het contactverbod door het openbaar ministerie niet langer nodig wordt geacht. Het hof heeft daarmee wel degelijk zelf de duur van de voorwaarde bepaald.
25. Verder voert de steller van het middel aan dat het hof in plaats van de politie de reclassering opdracht had moeten geven tot het houden van toezicht, omdat volgens art. 14c lid 6 Sr de rechter alleen de reclassering daarvoor kan aanwijzen.
26. De klacht getuigt van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft immers niet het ‘toezicht’ op de naleving van de voorwaarde in de zin van art. 14c lid 6 Sr opgedragen aan de politie – dat kan inderdaad alleen aan de reclassering – maar de “handhaving” van het contactverbod. Voor dat laatste is bij vrijheidsbenemende voorwaarden juist de politie: de politie kan handhaven als iemand zich niet aan een contactverbod houdt. Kennelijk heeft het hof geen aanleiding gezien de reclassering te belasten met toezicht op de naleving van de voorwaarden en begeleiding van de verdachte.
27. Het middel faalt.

Slotsom

28. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
29. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1726, r.o. 3.
2.Vgl. HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192, r.o. 6.2.3. Daar wordt verwezen naar HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913,
3.Zie mijn conclusie van vandaag in de zaak 23/01173, ECLI:NL:PHR:2024:356, onder 10.
4.HR 21 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:398 (art. 81 lid 1 RO Pro).
5.HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:484, r.o. 2.5. Deze bekentenis omvatte niet de bewezenverklaring; zie mijn conclusie van 17 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:23, onder 14.
6.HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946,