Conclusie
1.Inleiding
shippers) hebben daardoor schade geleden. De
shippershebben hun gepretendeerde schadevorderingen op de luchtvaartmaatschappijen gecedeerd aan Equilib, een zogeheten ‘
litigation vehicle’ of ‘
claim vehicle’. Equilib is een besloten vennootschap naar Nederlands recht die schadevergoedingsvorderingen, ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken, in rechte tracht te verhalen. Daartoe koopt Equilib vorderingen op, bundelt deze en gaat deze vervolgens in eigen naam innen. [1]
single and continuous infringement) op art. 101 VWEU Pro, de uitleg van art. 4 lid 1 Wet Pro conflictenrecht onrechtmatige daad (hierna: WCOD) [7] en van art. 6 lid Pro 3, sub a en b, Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II). [8] Ook deze prejudiciële vragen vertonen samenhang met de kwesties die aan de orde komen in de zaken die de luchtvaartmaatschappijen in cassatie aanhangig hebben gemaakt tegen Equilib en SCC. In de prejudiciële zaak neem ik eveneens vandaag conclusie.
2.Feiten en procesverloop
provisional non-confidential version, gedateerd 17 maart 2017, van de kartelbeschikking blijkt het volgende:
outbound-vluchten), naar de EER en Zwitserland (
inbound-vluchten) en binnen de EER en Zwitserland (intra-Europese vluchten) coördineerden ten aanzien van brandstof- en veiligheidstoeslagen;
freight forwarders) verkocht, die deze doorverkopen aan verladers (
shippers), de uiteindelijke afnemers van luchtvrachtdiensten die goederen willen laten vervoeren. Volgens Equilib en SCC zijn de in de kartelbeschikking genoemde brandstof- en veiligheidstoeslagen (uiteindelijk) aan
shippers/verladers in rekening gebracht, ook in de gevallen waarin dezen de luchtvrachtdiensten hebben afgenomen van expediteurs.
shippersheeft de vorderingen tot schadevergoeding die zij menen te hebben op de luchtvaartmaatschappijen ter zake van het kartel overgedragen aan Equilib en SCC, die die vorderingen thans op eigen naam geldend maken.
follow-onvorderingen). [13] Equilib heeft de luchtvaartmaatschappijen gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
shippers. Daarover heeft de rechtbank bij vonnis van 1 mei 2019 [17] het volgende overwogen:
shippersen heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.
shipperdie luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen (rov. 5.11.2). De schade is in meerdere staten geleden, nu de markt in meerdere staten is verstoord, zelfs indien een
shipperzijn enkelvoudige kartelschadevordering baseert op één vlucht (rov. 5.13). Het hof besteedt aandacht aan de algemene conflictregel (art. 3 WCOD Pro) voor verbintenissen uit onrechtmatige daad en aan art. 4 WCOD Pro, waarin een bijzondere conflictregel is gegeven voor ongeoorloofde mededinging (rov. 5.14). Het hof is van oordeel dat in dit specifieke geval de WCOD een leemte bevat. De WCOD wijst immers niet één rechtsstelsel aan, indien, zoals in dit geval, de concurrentieverhoudingen met betrekking tot één vlucht gelijktijdig op verschillende plaatsen zijn beïnvloed (rov. 5.14.5). Deze leemte in de WCOD kan worden ingevuld door toepassing van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II, waarin is bepaald dat de benadeelde onder stringente voorwaarden ervoor mag kiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt (de
lex fori). Invulling van de wettelijke leemte langs de lijnen van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II strookt in zoverre met de wens van de wetgever, dat de keuzemogelijkheid voor de eiser slechts in bijzondere gevallen in het leven wordt geroepen en is overigens beperkt tot een keuze voor de
lex forivan het gerecht van de woonplaats van verweerder (rov. 5.15.2). SCC en Equilib hebben de bevoegdheid tot het doen van deze rechtskeuze (rov. 5.15.4). Nederlands recht is van toepassing op de
follow-onvorderingen van SCC en Equilib, voor zover deze vorderingen zien op vluchten die vallen binnen het bereik van de kartelbeschikking (rov. 5.16).
shippersaan Equilib een daartoe bestemde akte, waarin de te leveren vorderingen in voldoende mate zijn bepaald (rov. 4.10.1). Deze akte moet in het geval van een openbare cessie door de cedent of de cessionaris aan de schuldenaar worden medegedeeld en de schuldenaar kan een uittreksel van de akte en titel verlangen; recht op meer stukken heeft de schuldenaar niet (art. 3:94 lid 4 BW Pro) (rov. 4.10.2). Ook als aan de overdracht tussen cedent en cessionaris gebreken kleven, is dat in de verhouding tussen cessionaris en schuldenaar niet van belang. De schuldenaar mag afgaan op de mededeling en het uittreksel van de akte en de titel (rov. 4.10.3). Stelplicht en bewijslast dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie jegens zich moeten laten werken, rusten op Equilib, die aan haar stelplicht heeft voldaan door mededeling van de leveringsakte aan de luchtvaartmaatschappijen (art. 3:94 lid 1 BW Pro) en het verstrekken van de akte en titel (art. 3:94 lid 4 BW Pro). Het ligt op de weg van de luchtvaartmaatschappijen te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie moet worden betwijfeld (rov. 4.10.5). Voor de cessieovereenkomsten die naar Frans recht zijn gesloten, geldt dat Nederlands recht van toepassing is op de vraag of de luchtvaartmaatschappijen door betaling aan Equilib kunnen worden bevrijd. De luchtvaartmaatschappijen mogen daarbij redelijkerwijs aannemen dat naar Frans recht sprake was van een rechtsgeldige cessie. Op de luchtvaartmaatschappijen rust in beginsel geen nadere onderzoeksplicht met betrekking tot de geldigheid van de cessies in de verhouding tussen
shipperen Equilib, ook niet voor zover de cessieovereenkomsten door Frans recht worden beheerst (rov. 4.11).
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
arrest 1,het arrest van 6 juli 2021 als
arrest 2en het arrest van 22 november 2022 als
arrest 3.
4.Juridisch kader: toepasselijk recht op kartelschadevorderingen
lex fori). [23] Moet echter worden bepaald of een internationale rechtsverhouding behoort tot de verwijzingscategorie van een verdrag of een (EU) verordening, dan is een verdrags- of verordeningsautonome kwalificatie aangewezen. [24] Primaire kwalificatie moet worden onderscheiden van secundaire kwalificatie. Ziet primaire kwalificatie op het onderbrengen van de rechtsverhouding bij de verwijzingscategorie van een bepaalde conflictregel, secundaire kwalificatie heeft betrekking op het vaststellen van de omvang van het toepasselijk recht. Heersende opvatting is dat de secundaire kwalificatie de primaire kwalificatie volgt, zodat het begrippensysteem van de
lex forieveneens beslissend is voor het vaststellen van de omvang van het toepasselijk recht. [25]
lex loci delicti). [32] In het tweede en derde lid zijn uitzonderingen op de hoofdregel opgenomen. Art. 3 WCOD Pro luidt als volgt:
Handlungsort) en de plaats waar zich het schadelijke gevolg van die daad voordoet (het
Erfolgsort) uiteenvallen. In dat geval is van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet (de
lex loci damni). [33] Louter vermogensschade vormt geen ‘schadelijke inwerking’ in de zin van het tweede lid.
Marinari-arrest [36] heeft het Hof geoordeeld dat dit begrip niet zo ruim moet worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.
Erfolgsort, waar de mededingingshandeling effect beoogt en sorteert. [39]
paraffinewaskartel. In een procedure bij de rechtbank Den Haag heeft CDC, een claimvehikel, gevorderd een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de achterliggende afnemers en schadevergoeding. In haar vonnis van 17 december 2014 [49] heeft de rechtbank vooropgesteld dat de in art. 4 lid 1 WCOD Pro bedoelde marktverstoring in de regel zal plaatsvinden op de plaats waar vraag en aanbod samenkomen (rov. 4.46). Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:
The products to which the anti-competitive behaviour related are traded between the EEA Member States on at least a European wide market.”
liftenkartel, waarin een claimvehikel een kartelschadevordering aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland ten behoeve van uitsluitend in Nederland gevestigde afnemers. Bij vonnis van 20 juli 2016 [51] heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van art. 4 lid 1 WCOD Pro Nederlands recht moet worden toegepast, omdat de gestelde onrechtmatige handelingen betrekking hadden op een beperking van de mededinging op de Nederlandse markt (rov. 4.3). Dat oordeel hield stand in hoger beroep. [52]
natriumchloraatkartelheeft een claimvehikel bij de rechtbank Amsterdam een kartelschadevordering aanhangig gemaakt tegen Kemira, één van de geadresseerden van de kartelbeschikking, die zich heeft beroepen op verjaring. Bij vonnis van 10 mei 2017 [53] heeft de rechtbank geoordeeld dat de marktverstoring had plaatsgevonden op de plaats waar vraag en aanbod zijn samengekomen, te weten ter plaatse van de productielocaties van de achterliggende afnemers, zodat vijf rechtsstelsels van toepassing zijn (rov. 4.24).
lex loci damni) of dat hiervoor een specifieke conflictregel moet worden ingevoerd, werd overgelaten aan het Directoraat-Generaal
Competitionvan de Commissie, dat werkte aan het ‘Groenboek Schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels’ (hierna: het Groenboek). [58] In het Groenboek, dat op 19 december 2005 is gepubliceerd, heeft de Commissie geconcludeerd dat het onduidelijk is of de algemene regel voorziet in de specifieke behoeften van het Europese mededingingsrecht, omdat het begrip ‘de plaats waar de schade intreedt’ in antitrustzaken voor meerdere interpretaties vatbaar is en ertoe zou kunnen leiden dat wordt aangeknoopt bij de – veelal toevallige – plaats van de financiële schade. [59]
lex loci damni-regel moet worden toegepast in het geval van kartelschadevorderingen. Niet de plaats waar een onderneming financiële schade heeft geleden is bepalend voor het toepasselijk recht, maar het grondgebied waar de concurrentiebeperkende gedraging gevolgen heeft voor de mededinging. De Commissie heeft opgemerkt dat een op de gevolgen gebaseerde benadering (‘
effects-based test’ of ‘
effects rule’) ertoe kan leiden dat – indien de concurrentiebeperkende praktijk de markt in meer dan één land heeft beïnvloed of zelfs in een zeer groot aantal landen, zoals in het geval van een pan-Europees of van een wereldwijd kartel – het recht van verschillende landen van toepassing is op de vordering en dat dit de procedure aanzienlijk gecompliceerd kan maken. [60] Als oplossing voor dit probleem heeft de Commissie voorgesteld dat de eiser ervoor kan kiezen de gehele schadevordering te laten beheersen door één rechtsstelsel, zoals de
lex fori. [61]
effects-based test’:
lex fori(art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II). [66] Op 11 juli 2007 is vervolgens Rome II formeel vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement. De tekst van art. 6 lid 3 Rome Pro II is dus in een kort tijdsbestek tot stand gebracht. [67]
het landwaarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt’. Daaruit volgt dat art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II ook kan verwijzen naar het recht van een niet-lidstaat. [68] Dit sluit aan bij art. 3 Rome Pro II, waarin is bepaald dat het door Rome II aangewezen recht van toepassing is, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is. Voor art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II geldt echter dat de in deze bepaling opgenomen rechtskeuze voor de
lex foriuitsluitend een keuze is voor het recht van een lidstaat en niet voor het recht van een derde staat.
follow- onvorderingen – veelal reeds zijn bepaald door de nationale of Europese mededingingsautoriteit, waardoor de rechter zelf geen marktanalyse behoeft uit te voeren [74] of gebruik kan maken van de feitelijke elementen die in het besluit van de autoriteit zijn opgenomen. [75] De Commissie is echter niet in alle gevallen verplicht om de relevante markt te definiëren. Zo ontbreekt in de kartelbeschikking een definitie van de relevante markt. Volgens de Commissie kan een omschrijving van de relevante markt achterwege blijven, omdat vaststaat dat de overeenkomsten tussen de kartellisten de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en ertoe strekten de mededinging op de interne markt te beperken. [76]
effects-ruleinhoudt dat voor het toepasselijk recht wordt aangeknoopt bij de staat op wiens markt de benadeelde de gevolgen voelt van de concurrentiebeperkende gedraging (‘
the law of the state on whose market the victim was affected by the anti-competitive practice’). Er zijn geen aanwijzingen dat dat anders zou zijn voor de marktregel zoals deze uiteindelijk is opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II. [79] Het is moeilijk voorstelbaar dat het doel van de Europese wetgever is geweest om in het geval van een grensoverschrijdend kartel steeds de rechtsstelsels van alle betrokken landen van toepassing te verklaren op de kartelschadevordering van een benadeelde, ook wanneer deze benadeelde slechts in één land gevolgen van het kartel heeft ondervonden.
Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden die rechtstreeks uit die gebeurtenis voortvloeit (
Erfolgsort).
flyLAL, [81] overwogen dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsrechtelijke gedraging zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ in de zin van (thans) art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden. Een dergelijke vaststelling van het
Erfolgsortvoldoet volgens het HvJEU aan de eisen van consistentie van overweging 7 van de Considerans van Rome II in relatie tot art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II. [82]
CDC/Akzo [83] over het waterstofperoxidekartel dat de concurrentie op de gehele EU-markt had beïnvloed, heeft het HvJEU overwogen dat waar het gaat om schade die bestaat uit meerkosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs als gevolg van een kartel, voor iedere beweerde benadeelde individueel moet worden vastgesteld wat de plaats is waar de schade is ingetreden. Daarbij gaat het volgens het Hof in beginsel om de plaats van de statutaire [84] zetel van de beweerde benadeelde. [85] In het arrest ontbreekt een verwijzing naar art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II en het daarin opgenomen aanknopingspunt van de beïnvloede markt.
flyLALheeft het HvJEU, zoals hierboven bleek, wél gewezen op het marktcriterium van art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II. Deze zaak betrof geen prijskartel, maar een gestelde samenspanning van de luchtvaartmaatschappij AirBaltic en de luchthaven Riga Airport om de markten voor vluchten van en naar de luchthaven van Vilnius (Litouwen), waarop luchtvaartmaatschappij flyLAL actief was, te verstoren door afbraakprijzen te hanteren. Als gevolg van deze marktverstoring leed flyLAL financiële verliezen en ging zij failliet. Volgens het Hof is de door flyLAL geleden winstderving te beschouwen als de initiële schade van de mededingingsbeperkende handeling. Het Hof heeft overwogen:
Concurrence, C-618/15, EU:C:2016:976, punten 33 en 35).
Tibor-Trans. [86] In deze zaak had de in Hongarije gevestigde transportonderneming Tibor-Trans gesteld dat zij schade had geleden als gevolg van de kartelafspraken van de in Nederland gevestigde gedaagde. De schade bestond uit extra kosten wegens de kunstmatig hoge prijzen die voor de vrachtwagens werden gehanteerd als gevolg van de kartelafspraken. Tibor-Trans had de vrachtwagens niet rechtstreeks gekocht bij een kartellist, maar bij een in Hongarije gevestigde vrachtwagendealer, die vrachtwagens had gekocht van een kartellist en de prijsverhoging had doorberekend aan Tibor-Trans. Het Hof heeft overwogen dat de door Tibor-Trans gestelde schade rechtstreeks het gevolg was van de inbreuk op art. 101 VWEU Pro, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden (punt 31). Ten aanzien van de plaats waar de schade is ingetreden, heeft het Hof overwogen dat de vastgestelde inbreuk op art. 101 VWEU Pro de gehele EER-markt bestreek, waaronder Hongarije. Het Hof heeft zijn overweging uit het arrest
flyLALherhaald dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden (punt 33). Dat Tibor-Trans actie heeft ondernomen tegen slechts één van de kartellisten, bij wie zij niet rechtstreeks vrachtwagens heeft gekocht, doet hieraan volgens het Hof niet af, nu sprake is van één enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, die meebrengt dat de inbreuk makende ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn (punt 36).
lex loci damni-regel dat wanneer in verschillende landen schade ontstaat, het recht van de betrokken landen op distributieve wijze moet worden toegepast. [88] Ook ten aanzien van het voorstel voor de conflictregel voor oneerlijke concurrentie (thans art. 6 lid 1 Rome Pro II), heeft de Commissie erop gewezen dat deze regel onder omstandigheden leidt tot de distributieve toepassing van verschillende rechtsstelsels. [89]
lex-loci-damni-regel van art. 4 lid 1 Rome Pro II of de marktregel van art. 6 lid Pro 3, sub a, Rome II. Ook in de rechtspraak van de lidstaten zijn weinig uitspraken te vinden waarin de mozaïekbenadering is toegepast. In de literatuur is erop gewezen dat gerechten de mozaïekbenadering kunnen ontwijken, onder meer door de relevante aanknopingsfactor zo te interpreteren dat deze leidt tot de toepasselijkheid van één rechtsstelsel. [94]
Nintendo [95] , waarin het Hof uitleg heeft gegeven aan art. 8 lid 2 Rome Pro II, dat voor het toepasselijk recht op een inbreuk op een unitair intellectueel eigendomsrecht aanknoopt bij het land waar de inbreuk is gepleegd. In deze zaak had eiseres gesteld dat in meerdere landen inbreuken waren gepleegd op haar unitaire IE-recht. In eerste aanleg heeft de Duitse rechter, in lijn met de mozaïekbenadering, de rechtsstelsels van deze landen op distributieve wijze toegepast. In hoger beroep zijn aan het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, onder meer over de toepassing van art. 19 lid Pro 1 Gemeenschapsmodellenverordening en art. 8 lid 2 Rome Pro II. Ik citeer uit het arrest van het Hof de volgende overwegingen:
Nintendo-arrest kan worden betoogd dat de mozaïekbenadering zich moeizaam laat verenigen met de doelstellingen van Rome II. [96] Daarbij teken ik aan dat in het
Nintendo-arrest uitleg is gegeven aan art. 8 lid 2 Rome Pro II, waarin wordt uitgegaan van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (‘waar de inbreuk is gepleegd’) en niet van de plaats waar de schade zich voordoet.
Volvovan het HvJEU kan worden afgeleid dat het Hof deze benadering afwijst waar het gaat om de bevoegdheid ten aanzien van vorderingen die zien op schade, bestaande in extra kosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs als gevolg van een kartel. Na in dat arrest te hebben overwogen dat ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ de plaats is waar de goederen zijn gekocht, is het Hof ingegaan op de situatie dat de benadeelde de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht. Volgens het Hof levert de plaats van aankoop dan geen geschikt criterium op voor het bepalen van de bevoegdheid uit hoofde van art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis op grond van het
Erfolgsort:
CDC/Akzoheeft gegeven aan ‘de plaats waar de schade is ingetreden’:
Erfolgsortdus bij één gerecht: dat van de zetel van de benadeelde onderneming (voor zover gelegen binnen de beïnvloede markt). De plaats van aankoop is in die omstandigheden géén geschikte aanknopingsfactor voor de bevoegdheid. Denkbaar was geweest dat het Hof had geoordeeld dat de rechter van de plaats van aankoop wél bevoegd was, maar dan slechts ten aanzien van de schade die in zijn rechtsgebied is ingetreden. Het Hof heeft echter afgezien van de toepassing van de mozaïekbenadering in deze context en het noodzakelijk geacht dat de aanknoping bij de plaats van intreden van de schade leidt tot één bevoegde rechter.
lex fori. Van de algemene bevoegdheid tot het uitbrengen van een (meerzijdige) rechtskeuze, die is geregeld in art. 14 Rome Pro II, kan op grond van art. 6 lid 4 Rome Pro II geen gebruik worden gemaakt in zaken die een beperking van de concurrentie betreffen.
lex forikan uitbrengen, op voorwaarde dat (i) de vordering strekt tot schadevergoeding, (ii) de vordering aanhangig is bij het gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, en (iii) de markt in die lidstaat een van de markten is die
rechtstreeksen
aanzienlijkbeïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd.
lex foriuitbrengen indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt. Art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II kan dus niet worden toegepast indien vorderingen tegen de verweerder(s) aanhangig zijn gemaakt op grond van het
forum delictivan art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis.
de minimis’-mededeling van de Commissie [111] die als richtsnoer dient voor de toepassing van de Europese regelgeving betreffende kartelverboden. [112] Deze mededeling bevat criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of een kartelovereenkomst de handel tussen lidstaten of de mededinging merkbaar heeft beïnvloed, hetgeen een voorwaarde is voor een inbreuk op art. 101 VWEU Pro. In geval van
follow-onvorderingen zal veelal uit het besluit van de mededingingsautoriteit, dat ten grondslag ligt aan de vordering, kunnen worden afgeleid of sprake is van een rechtstreekse en aanzienlijke beïnvloeding van de markt in de forumstaat. [113]
ein Geschädigter’, maar in het vervolg van de bepaling wordt weer gesproken van ‘
der Kläger’, zodat aan deze enkele afwijking geen bijzondere betekenis kan worden toegekend.
lex foritoekomt aan degene die de vordering tot schadevergoeding instelt. [118] Daaronder kan ook worden begrepen een ander dan de benadeelde, waaronder een claimvehikel dat de schadevergoedingsvordering(en) heeft verkregen uit hoofde van cessie.
BMA Nederlandhad de curator van BMA Nederland en haar moeder BMA Groep BV een
Peeters/Gatzen-vordering ingesteld tegen de Duitse grootmoeder BMA Braunschweigische Maschinenbauanstalt AG, omdat zij haar zorgplicht jegens de gezamenlijke schuldeisers van BMA Nederland zou hebben geschonden. De Stichting Belangenbehartiging Crediteuren BMA Nederland, die tot doel heeft het behartigen van de belangen van de schuldeisers van BMA Nederland, was in het geding tussengekomen met een vordering op de voet van art. 3:305a BW. De verwijzende rechter heeft aan het HvJEU in essentie de vraag voorgelegd of art. 4 Rome Pro II aldus moet worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op de verplichting tot schadeloosstelling uit hoofde van de zorgplicht die rust op de grootmoedermaatschappij van een failliete vennootschap in beginsel het recht is van het land waar deze vennootschap is gevestigd. Het HvJEU heeft die vraag bevestigend beantwoord en in dat verband het volgende overwogen:
BMA-zaak geen sprake was van een overdracht van vorderingen, moet het oordeel van het Hof dat de vraag wie de vordering instelt en om welk soort vordering het gaat geen invloed heeft op de vaststelling van de plaats waar de schade zich voordoet, ook van toepassing worden geacht in het geval van overdracht van vorderingen.
follow-onvorderingen, ingesteld naar aanleiding van de kartelbeschikking, is de inbreuk op art. 101 VWEU Pro gegeven, waarmee de onrechtmatigheidsvraag reeds is beantwoord. Op de overige aspecten van de schadevordering, voor zover die niet zijn geregeld in of voortvloeien uit het primaire Unierecht (inbegrepen de rechtspraak van het HvJEU), is nationaal recht van toepassing. Wanneer voor het toepasselijk recht wordt aangeknoopt bij de plaats van de transactie, kan vanwege het universele toepassingsgebied van art. 6 lid Pro 3, sub a, Rome II en art. 4 WCOD Pro óók het recht van een niet-lidstaat worden aangewezen met als gevolg een uiteenlopen van het toepasselijk recht op de onrechtmatigheidsvraag (beheerst door EU-recht) en de overige aspecten van de vordering (beheerst door derdelands recht). De vraag is of daarmee de privaatrechtelijke handhaving van het Europese kartelverbod voldoende wordt gewaarborgd: biedt het derdelands recht voldoende effectieve bescherming? Deze complicatie doet zich niet voor wanneer
voor de bevoegdheidwordt aangeknoopt bij de plaats van de transactie in een
follow-onvordering naar aanleiding van een inbreuk op art. 101 VWEU Pro (zoals in het
Volvo-arrest), omdat die plaats in een lidstaat moet zijn gelegen om bevoegdheid te creëren op basis van Brussel I-bis.
lex fori. Het recht van het gerecht waarbij de eiser het geschil aanhangig heeft gemaakt, te weten het recht van het gerecht van de woonplaats van de verweerder, is dan van toepassing op de vordering uit hoofde van alle schade die zich heeft verwezenlijkt in verschillende landen waarvan de markten door de verboden overeenkomst of gedraging zijn beïnvloed.
lex fori, zoals is opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. De WCOD kent wel in art. 6 WCOD Pro de mogelijkheid van een rechtskeuze door partijen, maar daarvan is in de zaak die thans aan de orde is, geen sprake. Wanneer onder de WCOD een mozaïekbenadering wordt toegepast, kan deze toepassing de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten uiterst moeilijk maken. Het toestaan van een eenzijdige rechtskeuze voor de
lex forivoorkomt de problemen waartoe de mozaïekbenadering kan leiden. Het hof heeft in
arrest 2geoordeeld dat in de WCOD op dit punt sprake is van een lacune die kan/moet worden ingevuld door toepassing van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Tegen dit oordeel keert zich deel 1 van het middel.
5.Bespreking van deel 1 van het principaal cassatiemiddel
arrest 2. Het onderdeel valt in verschillende subonderdelen uiteen, waarin wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat Nederlands recht van toepassing is op de
follow-onvorderingen van Equilib, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe hebben de luchtvaartmaatschappijen, kort samengevat, het volgende aangevoerd:
shipper.
shipperluchtvrachtdiensten in verschillende landen heeft afgenomen, dan moet art. 4 lid 1 WCOD Pro distributief worden toegepast.
shipperter zake een specifieke luchtvrachtdienst wordt/worden beheerst door het recht van het land van de luchthaven van vertrek.
arrest 2. In cassatie geldt dan ook als uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van de feiten die de Commissie in de kartelbeschikking heeft vastgesteld en daaraan ten grondslag heeft gelegd (rov. 5.2.2), maar dat in dit stadium van de procedure geen definitief oordeel over het toepasselijk recht kan worden gegeven, omdat de kartelbeschikking nog niet onherroepelijk is (rov. 5.2.4-5.2.5). Ook tegen rov. 5.6 t/m 5.10 zijn geen klachten gericht. Daarmee is onbestreden dat (i) de door Equilib ingestelde vorderingen moeten worden gekwalificeerd als vorderingen uit onrechtmatige daad, meer in het bijzonder vorderingen tot vergoeding van schade wegens ongeoorloofde mededingingshandelingen (rov. 5.6), (ii) de WCOD temporeel van toepassing is en voor zover van belang inhoudelijk overeenkomt met het voordien geldende recht (rov. 5.7), (iii) Equilib vorderingen heeft ingesteld die betrekking hebben op verbintenissen uit ongeoorloofde mededinging die niet gericht zijn tegen concurrenten, zodat in beginsel art. 4 lid 1 WCOD Pro toepasselijk is (rov. 5.9), en (iv) de bundeling van vorderingen van individuele
shippersdoor Equilib geen gevolgen heeft voor het toepasselijk recht op die vorderingen (rov. 5.10).
shipperen telkens heeft geleid tot één schadevergoedingsvordering per
shipper. Het hof heeft dit oordeel gegeven omdat voor de toepassing van art. 4 WCOD Pro van belang zou zijn om welke (hoeveel) verbintenissen het gaat (rov. 5.11, eerste volzin). Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is, omdat het voor de toepassing van art. 4 lid 1 WCOD Pro niet van belang is om vast te stellen om hoeveel verbintenissen het gaat. Uit de directe werking van het Unierecht volgt niet dat een enkelvoudige en voortdurende schending van het Unierechtelijke mededingingsrecht leidt tot een enkelvoudige en voortdurende onrechtmatige daad. De vraag of een persoon die schade heeft geleden als gevolg van een mededingingsinbreuk één of meerdere schadevergoedingsvorderingen verkrijgt, is een kwestie die behoort tot de procedurele autonomie van de lidstaten. Het wordt de
shipperniet onmogelijk gemaakt zijn recht op schadevergoeding uit te oefenen als volgens nationaal recht de
shipperéén vordering per transactie heeft. Van strijd met het Europese doeltreffendheidsbeginsel is dan ook geen sprake, aldus het onderdeel.
single and continuous infringement) van het Europese mededingingsrecht en daarmee als één enkele en voortdurende onrechtmatige daad. Het hof heeft daartoe in rov. 5.11.1 enkele overwegingen uit de kartelbeschikking aangehaald. In de kartelbeschikking heeft de Commissie het volgende overwogen (voetnoten weggelaten):
single and continuous infringementfor the time frame in which it existed. The General Court pointed out in
Cementthat the concept of ‘single agreement’ or ‘single infringement’ presupposes a complex of practices adopted by various parties in pursuit of a single anti-competitive economic aim. The agreement may well be varied from time to time, or its mechanisms adapted or strengthened to take account of new developments. The validity of this assessment is not affected by the possibility that one or more elements of a series of actions or of a continuous course of conduct could individually and in themselves constitute a violation of Article 101 of the TFEU.
Heureka/Google), [130] waarin zij is ingegaan op het karakter van een kartelschadevordering:
private enforcement) gebaseerd is op een inbreuk op artikel 101 of Pro artikel 102 VWEU Pro, kan het begrip „inbreuk”, dat een autonoom Unierechtelijk begrip is, geen andere betekenis hebben dan de betekenis die dit heeft in de context van een publiekrechtelijke handhaving van de mededingingsregels van de Unie (
public enforcement). Derhalve wordt de inbreuk waarop de schadevordering is gebaseerd, beheerst door het Unierecht.
shipperdie luchtvrachtdiensten heeft afgenomen. Dat de lidstaten – in afwijking van hetgeen de Commissie in de kartelbeschikking heeft bepaald – op dit gebied ‘procedurele autonomie’ zouden hebben, zoals het onderdeel verdedigt, kan niet worden aanvaard.
shipperéén vordering per transactie heeft in plaats van één vordering voor alle transacties maakt de procedure uiterst complex. De procedure zou daardoor de uitoefening van het recht op schadevergoeding dat voortvloeit uit de inbreuk op art. 101 VWEU Pro praktisch bemoeilijken en daarmee afbreuk doen aan de volle werking van die bepaling in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel. Ik meen dan ook dat de klacht faalt dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan dat beginsel.
arrest 2. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat art. 4 lid 1 WCOD Pro er niet aan in de weg staat dat (ook) wordt aangeknoopt bij het recht van de staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen indirect beïnvloedt. De begrippen ‘schadelijk inwerken’ en ‘beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen’ in de WCOD zien op de directe schadelijke inwerking van de daad op een goed of op de concurrentieverhoudingen, aldus het onderdeel.
shipperrelevante concurrentieverhoudingen heeft beïnvloed. Het is niet relevant waar het kartel in algemene zin de concurrentieverhoudingen heeft beïnvloed, maar waar het kartel de concurrentieverhoudingen ten opzichte van een specifieke, individuele benadeelde heeft beïnvloed. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.12.1 terecht geoordeeld dat de concurrentieverhoudingen in de regel zullen zijn verstoord op de plaats waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten. Het hof heeft overwogen dat de
shippersdoorgaans niet rechtstreeks met de luchtvaartmaatschappijen hebben gecontracteerd, maar de diensten van de luchtvaartmaatschappijen indirect hebben afgenomen via expediteurs (rov. 5.12.2). Het hof heeft in rov. 5.12.4 geoordeeld dat art. 4 lid 1 WCOD Pro ook in het geval van indirecte beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen kan worden toegepast en niet slechts bij rechtstreekse beïnvloeding. Het onderdeel bestrijdt de toepassing van art. 4 lid 1 WCOD Pro op een
indirectebeïnvloeding van de concurrentieverhoudingen.
rechtstreeksbeïnvloedt. Zoals ik in het juridisch kader heb uiteengezet, is art. 4 WCOD Pro een uitzondering op de hoofdregel van art. 3 lid 1 WCOD Pro en vormt art. 4 lid 2 WCOD Pro een verbijzondering van art. 3 lid 2 WCOD Pro. Dit laatste artikel ziet op het uiteenvallen van het
Handlungsorten het
Erfolgsort(de meervoudige locus). Wanneer een onrechtmatige daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijke milieu, wordt het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de dader de inwerking in die Staat niet heeft kunnen voorzien. De MvT wijst erop dat met de woorden ‘schadelijk inwerkt’ beoogd wordt tot uitdrukking te brengen dat art. 3 lid 2 WCOD Pro niet ziet op louter vermogensschade en dat ook bij ongeoorloofde mededinging sprake kan zijn van een meervoudige locus. [135] Ook wijst de MvT erop dat het begrip ‘ongeoorloofde mededinging’ een ruim begrip is en betrekking heeft op alle ongeoorloofde handelingen die de concurrentie beïnvloeden. [136] De Staat waar de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt – het aanknopingspunt van art. 4 lid 1 WCOD Pro –, heeft het hof gelokaliseerd zowel op de luchthaven van vertrek als op de luchthaven van aankomst (rov. 5.12.11). Op de luchthaven van vertrek ontmoeten vraag en aanbod elkaar en worden de concurrentieverhoudingen beïnvloed, zowel voor de directe afnemers (de expediteurs) als voor de indirecte afnemers (de
shippers), aldus – onbestreden in cassatie – het hof in rov. 5.12.6. Op de luchthaven van vertrek zullen de voor de luchtvrachtdiensten betaalde prijzen zijn beïnvloed, maar ook op de plaats van aankomst heeft beïnvloeding plaatsgevonden (rov. 5.12.7 in samenhang met rov. 5.12.9). Voor de beïnvloeding op de plaats van aankomst heeft het hof gewezen op punten 1045 en 1210 van de kartelbeschikking (rov. 5.12.9 en 5.12.10).
indirectebeïnvloeding van de concurrentieverhoudingen ook onder art. 4 lid 1 WCOD Pro? Het hof geeft het volgende voorbeeld van indirecte beïnvloeding:
umbrella damages, die zich niet alleen hoeven voordoen op de geografische markt waar de dienst wordt ingekocht, maar ook kunnen voorkomen op andere (aanliggende) geografische markten. Indirecte beïnvloeding van concurrentieverhoudingen kan verder onder meer optreden wanneer de
shipperin kwestie marktaandeel verliest omdat zijn concurrentiepositie nadelig wordt beïnvloed als gevolg van de door hem betaalde meerprijzen.’
shipper). De opvatting dat zou moeten worden gesplitst tussen de directe schade die onder art. 4 lid 1 WCOD Pro valt en de indirecte schade die onder art. 3 lid 1 WCOD Pro valt, komt mij bij kartelschadevorderingen gekunsteld voor en leidt tot complicaties. Nog daargelaten de vraag welke schade bij ongeoorloofde mededinging tot indirecte schade valt te rekenen, [137] is de toepassing van ‘het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt’ (
lex loci delicti) nu eenmaal niet geschikt voor toepassing op ongeoorloofde mededinging. Wanneer, zoals het hof heeft overwogen,
umbrella damagesmoeten worden gezien als indirecte schade en de
shippermarktaandeel verliest in Staat A ten gevolge van door hem betaalde meerprijzen voortvloeiend uit een (verboden) mededingingsgedraging in Staat B, rijst de vraag wáár de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden die tot deze
umbrella damagesheeft geleid: in Staat A of Staat B? En is dan sprake van een meervoudige locus, zodat art. 3 lid 2 WCOD Pro moet worden toegepast? Maar de daarin gebruikte aanknoping aan het recht van de Staat waar ‘een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijke milieu’ is niet passend in gevallen van ongeoorloofde mededinging, waarbij het gaat om de bescherming van de belangen van de ondernemers die op een bepaalde markt actief zijn. De bepaling is daarop niet toegesneden, maar ziet op geheel andere gevallen waarin het
Handlungsorten het
Erfolgsortuiteenvallen. [138] Bij ongeoorloofde mededinging geldt in het geval van een meervoudige locus nu juist art. 4 lid 1 WCOD Pro. Ik meen daarom dat voor de toepassing van art. 4 lid 1 WCOD Pro de plaats waar de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt betrekking heeft op álle schade die het gevolg is van een verboden mededingingshandeling. Ik kom tot de slotsom dat het onderdeel daarom faalt.
arrest 2, waarin het hof heeft geoordeeld dat de concurrentieverhoudingen met betrekking tot een individuele vlucht werden verstoord zowel op de luchthaven van vertrek als op die van aankomst. Het onderdeel is voorgesteld voor het geval dat onderdeel 1.2 slaagt.
arrest 2, waarin het hof een tussenconclusie heeft gegeven. Het onderdeel bouwt voort op de voorafgaande onderdelen en deelt het lot daarvan.
arrest 2. Het onderdeel (
onder a) bouwt voort op de voorafgaande onderdelen. Het onderdeel (
onder b) betoogt dat art. 4 lid 1 WCOD Pro kan leiden tot een distributieve toepassing van meerdere rechtsstelsels, en (
onder c) dat in de WCOD geen sprake is van een leemte.
arrest 2. Het onderdeel klaagt in de kern genomen over de invulling van de door het hof geconstateerde leemte in de WCOD. Volgens het onderdeel is geen sprake van een leemte, en voor zover daarvan wel sprake zou zijn, heeft het hof miskend dat een oplossing moet worden gezocht bij het stelsel van de WCOD en de grondslagen van het Nederlandse conflictenrecht, te weten bij de
lex loci delicti-regel. Het onderdeel klaagt verder dat niet valt in te zien dat toepassing van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II leidt tot een minimale rechtsonzekerheid voor de inbreukmakers. Het hof heeft art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II ook onjuist toegepast, omdat in de verhouding tussen de luchtvaartmaatschappijen en de
shippersteeds meerdere rechtsstelsels van toepassing zijn, al naar gelang de
shipperluchtvrachtdiensten heeft afgenomen op de in verschillende landen gelegen luchthavens van vertrek en aankomst.
shippermeer dan één vlucht heeft afgenomen op verschillende vluchtroutes. In het juridisch kader heb ik uiteengezet dat art. 4 lid 1 WCOD Pro een verbijzondering is van art. 3 lid 2 WCOD Pro. De toepassing van art. 4 lid 1 WCOD Pro op een geval waarin de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen in meerdere landen heeft beïnvloed, kan inderdaad leiden tot versnippering van het toepasselijk recht (mozaïekbenadering). De wetgever heeft echter gewezen op de mogelijkheid dat deze versnippering kan worden voorkomen wanneer (proces)partijen een rechtskeuze uitbrengen op de voet van art. 6 WCOD Pro. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid dat de benadeelde een eenzijdige rechtskeuze voor de
lex foriuitbrengt. Bij de totstandkoming van de WCOD (in de jaren negentig van de vorige eeuw) was de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht nog tamelijk onontgonnen terrein. Ook was rechtskeuze bij onrechtmatige daad een tamelijk nieuw fenomeen en heeft het
COVA-arrest van de Hoge Raad [139] op dit punt voor een belangrijke doorbraak gezorgd. De WCOD heeft, zoals in de MvT is opgemerkt, de voornaamste regels van het IPR inzake onrechtmatige daad vastgelegd en ‘zo nauw mogelijk’ aangesloten bij het
COVA-arrest. ‘Van de bijzondere regels worden om hun maatschappelijk belang alleen die betreffende de ongeoorloofde mededinging uitgewerkt’, aldus de MvT. [140] Bij die uitwerking heeft de wetgever niet gedacht aan het opnemen van de mogelijkheid voor de benadeelde om een eenzijdige rechtskeuze voor de
lex foriuit te brengen, zoals thans is opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Deze oplossing voor de problemen waartoe de mozaïekbenadering kan leiden, ontbreekt in de WCOD, zodat in zoverre van een leemte kan worden gesproken, zoals het hof heeft overwogen. Voor de oplossing van het hof bestaan goede gronden. De oplossing voorkomt de problemen die ontstaan door een distributieve toepassing van rechtsstelsels, waardoor de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht wordt bemoeilijkt. Ik verwijs naar mijn bespreking van het juridisch kader. Ik merk nog op dat de wetgever in art. 10:159 BW Pro aan de toepassing van Rome II een ruimer geldingsbereik heeft gegeven door – kort gezegd – Rome II van toepassing te verklaren op kwesties die buiten de materiële werkingssfeer van Rome II vallen maar (naar Nederlandse opvatting) als onrechtmatige daad kunnen worden gekwalificeerd. Art. 10:159 BW Pro heeft weliswaar geen betrekking op de problematiek die in deze zaak aan de orde is, maar de bepaling geeft uitdrukking aan de bereidheid van de wetgever Rome II onder omstandigheden analoog toe te passen. Ik zie dan ook niet in dat het hof de geconstateerde leemte in art. 4 WCOD Pro niet zou hebben mogen invullen met de analoge toepassing van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. De door het hof gekozen oplossing sluit aan bij de wel in de WCOD geregelde gevallen. De klachten van de beide onderdelen die zijn gericht tegen deze analoge toepassing, falen daarom.
onderdeel 1.6nog dat een cessie van vorderingen het toepasselijk recht op de vorderingen niet wijzigt, zodat Equilib enkel een eenzijdige rechtskeuze op grond van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II kan doen, indien de
shipperdat ook zou kunnen als hij zelf zou procederen. Het hof had ten aanzien van ieder van de
shippersmoeten onderzoeken of aan de vereisten van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II is voldaan, althans is het oordeel van het hof in rov. 5.15.4 onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
nietis overgegaan op Equilib, maar klaagt slechts dat het hof had moeten onderzoeken of de benadeelde
shipperszelf een rechtskeuze hadden kunnen doen. Bij de bespreking van het juridisch kader ten aanzien van de rechtskeuze van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II, heb ik uiteengezet dat uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de bevoegdheid tot het doen van een eenzijdige rechtskeuze voor de
lex foritoekomt aan degene die de vordering tot schadevergoeding instelt. Daaronder kan ook worden begrepen een ander dan de benadeelde, waaronder een claimvehikel dat de schadevergoedingsvordering heeft verkregen uit hoofde van cessie. De door het onderdeel verdedigde opvatting dat het hof ten aanzien van ieder van de
shippersmoet onderzoeken of aan de eisen van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II is voldaan, is dus onjuist, zodat de klacht faalt.
onderdeel 1.6dat rov. 5.15.5 onjuist is, waarin is overwogen dat aan de algemene eis dat bij de vaststelling van het toepasselijk recht in het oog wordt gehouden dat tussen het toepasselijk recht en de vorderingen enig verband bestaat, waaraan is voldaan omdat het Nederlandse recht als het recht van een belangrijk knooppunt in het luchtvrachtverkeer één van de voor de hand liggende rechtsstelsels is. De eis van ‘enig verband’ kent het Nederlandse conflictenrecht niet en evenmin kan worden gesteld dat alle
shippers‘enig verband’ met Nederlands recht hebben, aldus het onderdeel.
lex foriaanwezig geacht en daarbij gewezen op de omstandigheid dat het Nederlandse recht het recht van een belangrijk knooppunt in het luchtvrachtverkeer is. Deze overweging moet worden gezien in het licht van de analoge toepassing door het hof van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II, omdat de verboden concurrentiebeperkende handeling ook de Nederlandse markt rechtstreeks en aanzienlijk heeft beïnvloed. De bestreden overweging is overigens niet dragend voor het oordeel van het hof en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, zodat ook deze klacht faalt.
arrest 2en tegen rov. 3.11 t/m 3.18, 3.22, 3.23 en het dictum van
arrest 3. Het onderdeel bouwt op de voorgaande onderdelen voort en deelt het lot daarvan.
6.Bespreking van deel 2 van het principaal cassatiemiddel
onderdelen 2 t/m 7) en heeft betrekking op de oordelen van het hof in
arrest 1en
arrest 3over de rechtsgeldigheid van de cessies. In
arrest 1heeft het hof geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden, waarbij is uitgegaan van de vooronderstelling dat Nederlands recht op de overgaande vorderingen van toepassing is. Nadat het hof in
arrest 2heeft vastgesteld dat deze beoordeling daadwerkelijk naar Nederlands recht moet plaatsvinden, heeft het hof zijn oordeel ten aanzien van de cessies aan Equilib in rov. 3.18 van
arrest 3bevestigd.
arrest 1en
arrest 3niet in stand kunnen blijven bij het slagen van één of meer klachten van onderdeel 1.
arrest 1.
World Online-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de mededeling in ieder geval de in de akte vermelde naam van de cedent – die immers partij is bij de akte – moet vermelden. Volgens de Hoge Raad is dit niet alleen nodig met het oog op de in het rechtsverkeer vereiste duidelijkheid ten aanzien van de vraag wiens vordering is overgedragen en op welk moment, maar ook ter bescherming van de belangen van de schuldenaar (zo moet hij tegen de cessionaris ook verweermiddelen kunnen aanvoeren die hij tegen de cedent had kunnen uitvoeren, vgl. art. 6:145 BW Pro). [144]
mogenlaten gelden, maar niet
moetenlaten gelden, zoals het hof kennelijk meent (rov. 4.7 en 4.10.3 van
arrest 1). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de schuldenaar na betaling aan de pseudo-schuldeiser mag bepalen of hij zich tegenover de werkelijke schuldeiser zal beroepen op art. 6:34 lid 1 BW Pro [157] of dat hij het betaalde op grond van art. 6:203 BW Pro van de pseudo-schuldeiser zal terugvorderen. [158] Er is geen reden om aan te nemen dat de schuldenaar de vordering op grond van art. 6:203 BW Pro alleen zal kunnen instellen nadat hij door de werkelijke schuldeiser tot betaling is aangesproken. [159] Ook als de schuldenaar na betaling aan de pseudo-schuldeiser, maar voordat hij door de werkelijke schuldeiser tot betaling wordt aangesproken, ontdekt dat hij niet aan de juiste persoon heeft betaald, komt hem het recht toe om het betaalde op grond van art. 6:203 BW Pro terug te vorderen. Ook daarom heeft de schuldenaar de mogelijkheid om tegenover de (beweerde) cessionaris de geldigheid van de cessie te betwisten. Anders zou zich de ongerijmde situatie kunnen voordoen waarin de schuldenaar zich wel ná betaling op de voet van art. 6:203 BW Pro op die ongeldigheid kan beroepen, waarbij de stelplicht en bewijslast voor het ontbreken van de rechtsgrond van betaling (te weten de rechtsgeldigheid van de cessie) op hem rusten, maar hij de rechtsgeldigheid van de cessie niet voorafgaand aan de betaling kan betwisten als de stelplicht en bewijslast voor het bestaan van de rechtsgrond van betaling (te weten de rechtsgeldigheid van de cessie) rusten op de (beweerde) cessionaris. Om al deze redenen doet de omstandigheid dat de luchtvaartmaatschappijen op grond van art. 6:34 BW Pro bevrijdend aan Equilib kunnen betalen als zij op redelijke gronden mogen aannemen dat Equilib hun schuldeiser is, niet af aan de bevoegdheid en/of het belang van de luchtvaartmaatschappijen om in deze procedure de rechtsgeldigheid van de cessies te bestrijden.
plichtvan de schuldenaar in het licht van art. 3:94 lid 4 BW Pro beperkt zou zijn, dit onverlet laat dat de schuldenaar wel
bevoegdis om bij blijvende twijfel nader onderzoek te doen. Indien achteraf blijkt dat de schuldenaar redelijkerwijs geen belang had bij dat nader onderzoek en hem geen beroep op een opschortingsrecht toekomt, zullen de eventuele gevolgen – bijvoorbeeld in de vorm van verschuldigdheid van wettelijke rente bij een vertraging in de betaling van een geldsom – voor zijn rekening komen.
arrest 1geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappijen geen rechtens te respecteren belang hebben bij een debat over de vraag of de cessies jegens anderen dan henzelf rechtsgeldig zijn, en dat slechts aan de orde kan zijn de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden, waarvoor het hof kennelijk beslissend acht of de luchtvaartmaatschappijen bevrijdend aan Equilib kunnen betalen. De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat Equilib moet aantonen dat de cessies rechtsgeldig hebben plaatsgevonden en dat Equilib rechthebbende is geworden op de vorderingen. [162] De luchtvaartmaatschappijen hebben onder meer gesteld belang te hebben bij het antwoord op de vraag of Equilib rechthebbende op de vorderingen is geworden, omdat dit bepalend is voor de omvang van het geschil. [163] Ook kan de rechtsgeldigheid van de cessies van belang zijn voor andere verweren, waaronder verjaring. [164] Aan het ontbreken van rechtsgeldige cessies hebben de luchtvaartmaatschappijen mede de conclusie verbonden dat Equilib in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de vorderingen van Equilib moeten worden afgewezen. [165] Gelet op deze stellingen kan niet op voorhand worden gezegd dat de luchtvaartmaatschappijen geen rechtens te respecteren belang hebben bij de vaststelling van de rechtsgeldigheid van de cessies, althans van de gerechtigdheid van Equilib tot de vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen. Als het hof het voorgaande niet heeft miskend, dan is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. Uit rov. 4.7 e.v. van
arrest 1blijkt immers niet dat het hof bij zijn beoordeling of de luchtvaartmaatschappijen belang hebben bij de vraag of de cessies rechtsgeldig zijn, de hierboven weergegeven argumenten van de luchtvaartmaatschappijen heeft meegewogen.
onderdeel 3.1slaagt.
arrest 1dat Equilib in beginsel aan haar stelplicht heeft voldaan als de akte op de voet van art. 3:94 lid 1 BW Pro aan de luchtvaartmaatschappijen is meegedeeld en een uittreksel van de akte en titel aan hen is overgelegd (vgl. art. 3:94 lid 4 BW Pro), en dat het te ver gaat om van Equilib te vergen dat zij stelt de vorderingen te hebben verkregen van beschikkingsbevoegde vervreemders. Met dit oordeel heeft het hof miskend dat de stelplicht van Equilib zich uitstrekt tot de materieelrechtelijke vereisten voor een openbare cessie, waaronder de beschikkingsbevoegdheid van de cedent. Het onderdeel voegt daaraan toe dat dit temeer geldt als de schuldenaar de rechtsgeldigheid van de cessies heeft betwist. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het – gezien de betwisting door de luchtvaartmaatschappijen – ontoereikend gemotiveerd waarom de stelplicht in dit geval niet mede omstandigheden over de beschikkingsbevoegdheid van de cedent(en) omvatte, aldus het onderdeel.
arrest 1heeft aangenomen.
arrest 1niet in stand kunnen blijven.
arrest 1en rov. 3.22 en het dictum van
arrest 3. Het onderdeel klaagt dat het hof de vraag of de Fransrechtelijke cessies rechtsgeldig zijn, had moeten beoordelen naar Frans recht. Die vraag moet niet worden beoordeeld aan de hand van de vraag of naar Nederlands recht bevrijdend kan worden betaald of betaling mag worden opgeschort. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappijen niet de rechtsgeldigheid van de cessies naar Frans recht hebben betwist, is het oordeel onjuist althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De luchtvaartmaatschappijen hebben in eerste aanleg de rechtsgeldigheid van de Fransrechtelijke cessies betwist en deze betwisting in hoger beroep niet prijsgegeven, zodat het hof deze betwisting op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep bij zijn oordeel had moeten betrekken, aldus het onderdeel.
arrest 1– onbestreden in cassatie – overwogen dat daarover tussen partijen geen verschil van mening bestaat. Wél hebben de luchtvaartmaatschappijen de rechtsgeldigheid van deze Fransrechtelijke cessies bestreden. [175] Het verweer van de luchtvaartmaatschappijen komt kort gezegd op het volgende neer.
Primairhebben zij aangevoerd dat de cessies naar Frans recht geldig zijn, maar dat Equilib afstand heeft gedaan van het recht om zich in deze procedure op de cessies naar Frans recht te beroepen en
secundair– voor het geval dat niet komt vast te staan dat sprake is van afstand van recht – dat de cessies naar Frans recht gebreken vertonen die een geldige overdracht van de vorderingen in de weg staan. [176]
arrest 1verworpen. De luchtvaartmaatschappijen hebben hun betwisting van de geldigheid van de cessies naar Frans recht, voor het geval hun beroep op afstand van recht niet zou slagen, in hoger beroep niet herhaald. De luchtvaartmaatschappijen hebben die betwisting echter niet prijsgegeven, zodat het hof bij zijn beoordeling in rov. 4.24 van
arrest 1daarop acht had moeten slaan. Het oordeel van het hof dat de luchtvaartmaatschappijen tegen de vordering van Equilib geen verweer hebben gevoerd, is dus onjuist.
onderdeel 4.
arrest 1, waarin het hof heeft geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappijen voldoende belang missen bij hun betwisting van de echtheid van de handtekeningen in de cessiedocumentatie.
arrest 1en rov. 3.18 en 3.22 van
arrest 3. Het onderdeel klaagt over het oordeel dat Equilib als bezitter van de vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen een beroep toekomt op het bewijsvermoeden van art. 3:119 lid 1 BW Pro. Het hof heeft in
arrest 1het volgende overwogen:
[…] / […]) het tegendeel betogen, wordt hun stelling verworpen. Dit arrest is gewezen onder oud recht en heeft geen betrekking op het bezit van een vordering op naam.
shipperszich niet aan de (gestelde) cessies gebonden acht.
arrest 3heeft het hof zijn oordeel over het bezitsvermoeden van art. 3:119 lid 1 BW Pro bevestigd. In rov. 3.22 van
arrest 3concludeert het hof onder meer dat van ter zake doende bewijsaanbiedingen geen sprake is.
.Als de beweerde kartelschadevorderingen niet bestaan, kan ook het bezit daarvan niet worden vermoed. Daarom dient – bij betwisting van het recht, zoals in dit geval – eerst te worden beoordeeld of het goed bestaat, voordat het vermoeden kan worden toegepast. Het hof heeft dit miskend of onvoldoende gemotiveerd waarom art. 3:119 lid 1 BW Pro in dit geval ondanks de betwisting van de vordering door de luchtvaartmaatschappijen toch toepassing kan vinden. Aan het voorgaande doet niet af dat volgens de procesafspraken eerst de geldigheid van de cessies en het toepasselijk recht aan de orde is gekomen en dus niet het bestaan van de vordering. Nu dit laatste nog niet aan de orde is, kon het hof ook het vermoeden van art. 3:119 lid 1 BW Pro nog niet onvoorwaardelijk toepassen, aldus het onderdeel.
goed, volgt dat van bezit niet alleen sprake kan zijn bij (eigendomsrechten op) zaken, maar ook bij vermogensrechten (zie art. 3:1 BW Pro), waaronder vorderingen op naam (vgl. art. 3:6 BW Pro). Dit is een bewuste keuze van de wetgever. In de parlementaire geschiedenis is uitdrukkelijk bevestigd dat titel 3.5 BW (met art. 3:107-3:125 BW) handelt over het bezit en houderschap van
goederenen dat bezit dus niet is beperkt tot zaken en zakelijke rechten. Ook vermogensrechten, voor zover deze niet hoogst persoonlijk zijn, waaronder vorderingsrechten op naam, [178] vallen daaronder. [179]
het bestaanvan een goed:
niet meerkan worden bewezen, maar niet in het geval waarin de overdracht van een vordering
nietkan worden bewezen.
of een persoon rechthebbende isop een betwiste vordering, maar laat het artikel onverlet dat die persoon vervolgens in beginsel alsnog – conform de hoofdregel van bewijslastverdeling – moet aantonen dat de betwiste vordering bestaat. De opvatting dat art. 3:119 lid 1 BW Pro alleen van toepassing kan zijn op vorderingen waarvan het bestaan vaststaat, is naar mijn mening onjuist. Ik wijs erop dat in deze zaak partijen de afspraak hebben gemaakt om eerst de rechtsgeldigheid van de cessies (en daarmee de gerechtigdheid van Equilib tot de vorderingen) te beoordelen en pas daarna (eventueel) over te gaan tot een beoordeling van de vraag of de vorderingen bestaan. Daarin ligt besloten dat ook partijen ervan uitgaan dat over de gerechtigdheid tot de vorderingen al zinvol kan worden gesproken voordat het bestaan van de vorderingen in rechte is komen vast te staan.
bestaat. De omstandigheid dat
‘de onderhavige procedure uiteindelijk erom draait of de vorderingen tot schadevergoeding bestaan(…)’ [191] doet niet eraan af dat art. 3:119 lid 1 BW Pro relevant kan zijn bij de (voor)vraag of Equilib rechthebbende op de vorderingen is geworden. Ook dat is immers een vraag die in het kader van deze procedure aan de orde is. Als wordt aangenomen dat het bewijsvermoeden ook geldt voor vorderingsrechten, ligt het bovendien niet voor de hand om aan te nemen dat de toepassing ervan kan worden geblokkeerd met een enkele betwisting van het bestaan van de vordering. Dan zou immers wat met de ene hand wordt gegeven met de andere hand weer worden weggenomen.
arrest 1onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, voor zover daarin besloten ligt dat het bestaan van de vorderingen niet is betwist.
arrest 1ligt niet besloten dat de luchtvaartmaatschappijen het bestaan van de vordering niet (voldoende) zouden hebben betwist. Uit het feit dat het hof in rov. 4.25 en 4.25.3 spreekt van ‘(gepretendeerde) vorderingen’ volgt veeleer het tegendeel. Het onderdeel faalt daarom.
arrest 1weliswaar overwogen dat Equilib een beroep op art. 3:119 lid 1 BW Pro toekomt – omdat die bepaling ook van toepassing is op vorderingsrechten en omdat Equilib voldoende heeft aangetoond dat zij bezitter van de vorderingsrechten is –, maar het hof heeft niet vastgesteld dat Equilib gelet op art. 3:119 lid 1 BW Pro als rechthebbende moet worden aangemerkt. Dit was ook niet nodig, omdat in de visie van het hof niet vastgesteld behoefde te worden of de cessies rechtsgeldig hebben plaatsgevonden en/of Equilib rechthebbende op de vorderingen is, maar voldoende was dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden omdat zij bevrijdend aan Equilib kunnen betalen. Omdat het hof zijn conclusie in rov. 4.25.4 van
arrest 1niet aan zijn eindoordeel in
arrest 3– dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden – ten grondslag heeft gelegd, is ook niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.22 van
arrest 3heeft geoordeeld dat geen sprake is van een ter zake doende (tegen)bewijsaanbieding. Ook in het geval dat de luchtvaartmaatschappijen zouden slagen in hun tegenbewijs, zou dit immers nog niet eraan afdoen dat het hof reeds op andere gronden heeft aangenomen dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden.
arrest 3niet in stand kunnen blijven, en dat bij het slagen van een of meer klachten van onderdeel 4 [197] ook rov. 3.20 van
arrest 3niet in stand blijven.
7.Bespreking van het (voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel
Onderdeel I.1heeft betrekking op de toepassing door het hof van het
Masterfoods-arrest van het HvJEU [198] en is gericht tegen rov. 5.2.5-5.2.6 van
arrest 2en rov. 3.7 van
arrest 3. Het hof heeft daarin geoordeeld dat, kort gezegd, zijn oordeel over het toepasselijk recht een voorlopig karakter heeft voor zover dit steunt op de kartelbeschikking. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de kartelbeschikking wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, zolang zij niet nietig is verklaard of ingetrokken. Het hof moet dan ook uitgaan van de juistheid van de inhoud van de kartelbeschikking, ook hangende een (hoger) beroep daartegen. Ook heeft het hof miskend dat er geen regel bestaat die meebrengt dat oordelen van de nationale rechter die zijn gebaseerd op een nog niet onherroepelijke beschikking van de Commissie een voorlopig karakter hebben. De nationale rechter kan slechts, wanneer hij vaststelt dat redelijke twijfel over de rechtsgeldigheid van die beschikking mogelijk is en in de nationale procedure vragen van feiten of recht aan de orde zijn waarvan de beantwoording afhangt van de geldigheid van de beschikking, tot aanhouding of schorsing van de zaak overgaan of een prejudiciële vraag over de rechtsgeldigheid van de beschikking aan het HvJEU stellen, aldus het onderdeel.
Masterfoods-arrest het volgende geoordeeld:
Masterfoods-arrest is gecodificeerd [202] in art. 16 lid 1 van Pro de Verordening (EG) Nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (hierna: Vo 1/2003). [203] Het doel van de bepaling is om tegenstrijdige uitspraken te vermijden, zodat in een stelsel van parallelle bevoegdheden de eerbiediging van het beginsel van rechtszekerheid en een eenvormige toepassing van de communautaire mededingingsregels gewaarborgd zijn. [204] Art. 16 lid 1 Vo Pro 1/2003 luidt als volgt:
RegioJet-arrest [207] heeft het HvJEU over de opschortingsbevoegdheid het volgende overwogen:
Masterfoods-arrest, met dien verstande dat daartoe alleen aanleiding zal bestaan indien de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van de beschikking van de Commissie. [209] Er bestaat geen algemene verplichting om de nationale procedure op te schorten. De beoordeling of het noodzakelijk of opportuun is om de nationale procedure naar aanleiding van een nog niet definitief geworden besluit van de Commissie op te schorten, is aan de nationale rechter overgelaten. [210]
arrest 2heeft het hof geoordeeld dat de
follow-onvorderingen van de claimvehikels worden beheerst door Nederlands recht. Ter beantwoording van een door de luchtvaartmaatschappijen opgeworpen voorvraag heeft het hof geoordeeld dat ingevolge art. 16 lid 1 Vo Pro 1/2003 in beginsel moet worden uitgegaan van de feiten die de Commissie in de kartelbeschikking heeft vastgesteld en aan die beschikking ten grondslag heeft gelegd (rov. 5.2.2). Verder heeft het hof geoordeeld dat het geen aanleiding ziet tot schorsing of aanhouding van de procedure, omdat de luchtvaartmaatschappijen onvoldoende hebben toegelicht dat de geldigheid van de kartelbeschikking aan redelijke twijfel onderhevig is (rov. 5.2.3). In een eerder stadium heeft het hof geoordeeld dat voor aanhouding van de procedure redelijke twijfel aan de geldigheid van het besluit van de Commissie is vereist, omdat alleen dan kan worden gezegd dat vragen van feiten of van recht aan de orde zijn waarvan de beantwoording afhangt van de geldigheid van het besluit van de Commissie. [211] In cassatie zijn rov. 5.2.2 en 5.2.3 niet bestreden.
arrest 2heeft het Gerecht bij beslissing van 30 maart 2022 de beroepen van de meeste luchtvaartmaatschappijen (en enige andere karteldeelnemers die geen partij zijn in deze procedures) tegen de kartelbeschikking grotendeels verworpen (rov. 3.6
arrest 3). In
arrest 3heeft het hof geoordeeld dat daarmee nog steeds geen sprake is van een onherroepelijk en definitief oordeel van de Unierechter, omdat nog hoger beroep openstaat bij het HvJEU en kennelijk (sommige van) de luchtvaartmaatschappijen die beroepsmogelijkheid ook benutten. In zoverre gelden de overwegingen in de tussenarresten over de voorlopigheid van het oordeel, waaronder rov. 5.2.6 van
arrest 2, nog onverkort. Voor het overige maakt de beslissing van het Gerecht geen verschil voor de inhoudelijke en feitelijke grondslag van de overwegingen en beslissingen in de tussenarresten, nu de kartelbeschikking op de mogelijk relevante punten is bekrachtigd (rov. 3.7 van
arrest 3).
Masterfoods-arrest en art. 16 lid 1 Vo Pro 1/2003 verzetten zich er niet tegen dat een nationale rechter die verplichting in acht neemt door een oordeel aan te merken als voorlopig, in afwachting van het moment waarop de beschikking van de Commissie definitief wordt. Zo wordt bovendien voorkomen dat het oordeel van de nationale rechter onherroepelijk wordt, terwijl de beschikking van de Commissie nadien wordt vernietigd op voor dat oordeel relevante punten.