De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf van dertig uur, subsidiair vijftien dagen hechtenis, wegens mishandeling door een duw die leidde tot een val en letsel van het slachtoffer.
Het cassatieberoep richtte zich tegen de bewezenverklaring en de motivering van het hof, met name het oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige die de duw bevestigde ondanks zijn persoonlijke afkeer van de verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verklaring zorgvuldig heeft getoetst op consistentie, nauwkeurigheid en gedetailleerdheid en dat het oordeel over de betrouwbaarheid niet onbegrijpelijk is.
Ook het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de duw pijn en letsel zou veroorzaken, wordt door de Hoge Raad als toereikend gemotiveerd en begrijpelijk beoordeeld. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt geconstateerd, maar leidt niet tot vernietiging gezien de aard en omvang van de opgelegde straf.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand blijft.