ECLI:NL:PHR:2024:373

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
3 april 2024
Zaaknummer
22/00962
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor mishandeling na duw met letsel

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf van dertig uur, subsidiair vijftien dagen hechtenis, wegens mishandeling door een duw die leidde tot een val en letsel van het slachtoffer.

Het cassatieberoep richtte zich tegen de bewezenverklaring en de motivering van het hof, met name het oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige die de duw bevestigde ondanks zijn persoonlijke afkeer van de verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verklaring zorgvuldig heeft getoetst op consistentie, nauwkeurigheid en gedetailleerdheid en dat het oordeel over de betrouwbaarheid niet onbegrijpelijk is.

Ook het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de duw pijn en letsel zou veroorzaken, wordt door de Hoge Raad als toereikend gemotiveerd en begrijpelijk beoordeeld. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt geconstateerd, maar leidt niet tot vernietiging gezien de aard en omvang van de opgelegde straf.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat de verdachte veroordeelde voor mishandeling blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00962

Zitting9 april 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is – nadat zij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het haar tenlastegelegde – bij arrest van 7 maart 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens “mishandeling” veroordeeld tot dertig uren taakstraf, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en daarmee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

2.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 13 april 2019 te [plaats] [aangeefster] heeft mishandeld door [aangeefster] te duwen, ten gevolge waarvan zij ten val is gekomen.”
2.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 11 mei 2019 van de politie Rotterdam met nr. PL17002019109825-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 56):
Op 13 april 2019 bevond ik, [aangeefster] , mij in het [A] te [plaats] . Ik liep weg en plotseling voelde ik een klap of duw tegen mijn rug. Hierdoor viel ik hard voorover op de grond. Die vrouw heeft mij gewoon letsel toegebracht. Er was niemand verder in mijn directe omgeving dus zij moet mij die duw of klap wel hebben gegeven.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2019 van de politie Rotterdam met nr. PL17002019109825-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12):
Ik hoorde dat [verdachte] verklaarde: “Ik heb zojuist ruzie gehad met een bewoonster van het verzorgingstehuis. Ik voelde mij bedreigd waardoor ik haar duwde.”
3.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 21 mei 2019 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2019109825-5. Dit proces-verbaal houdt onder, meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-14):
Ik zag en hoorde dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en de Surinaamse vrouw (het hof begrijpt: aangeefster) ruzie hadden. Ik zag dat de Surinaamse vrouw weg liep. Ik zag dat [verdachte] vervolgens achter de Surinaamse vrouw aan liep en haar met beide handen een duw in de rug gaf. Ik zag dat de Surinaamse vrouw vervolgens door de duw ten val kwam op de grond.
4.
Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam van 3 december 2020. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige] - zakelijk weergegeven -:
Ik zag het recht voor mijn ogen gebeuren.
Die [verdachte] die duwde met twee handen in de rug. Het slachtoffer lag plat op de voorkant van haar gezicht.”
2.4
Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverweging:

Nadere bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - conform de door hem overgelegde pleitnota - kortgezegd betoogd dat de verklaring van getuige [getuige] onbetrouwbaar is en niet voor het bewijs gebezigd mag worden. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Bij de politie heeft getuige [getuige] verklaard dat hij heeft gezien dat een Marokkaanse vrouw die hij kent als [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) ruzie had met een Surinaamse vrouw (het hof begrijpt: aangeefster). Hij heeft verklaard dat de verdachte achter aangeefster aanliep en haar met beide handen een duw in de rug heeft gegeven, waardoor aangeefster op de grond is gevallen. Bij de rechter-commissaris heeft getuige [getuige] opnieuw verklaard dat de verdachte aangeefster met twee handen een duw in de rug gaf, waaraan hij heeft toegevoegd dat aangeefster voorover is gevallen.
Het feit dat getuige [getuige] heeft verklaard dat hij een hekel heeft aan de verdachte is aanleiding om de verklaring met de nodige behoedzaamheid te gebruiken. Daarom onderzoekt het hof de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige] op consistentie met andere gegevens uit het dossier, nauwkeurigheid en gedetailleerdheid.
De verklaring van getuige [getuige] komt op belangrijke punten overeen met de verklaring van aangeefster bij de politie. Voorts is de verklaring van [getuige] consistent, nauwkeurig en gedetailleerd. Zo heeft ook aangeefster verklaard dat ze een duw in haar rug voelde en dat ze voorover is gevallen. Het hof acht de verklaring van getuige [getuige] derhalve betrouwbaar. Het hof zal derhalve de verklaring van [getuige] voor het bewijs bezigen en het feit bewezen verklaren.”
2.5
In de toelichting op het middel ontwaar ik twee deelklachten. De
eerste deelklachthoudt in – althans zo begrijp ik de klacht – dat het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen.
2.6
Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van pijn en/of letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [1]
2.7
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat i) de aangeefster heeft verklaard dat zij, toen zij wegliep, plotseling een duw tegen haar rug voelde, waardoor zij hard voorover op de grond viel, dat ii) de verdachte heeft verklaard dat zij “haar” (ik begrijp, net als het hof: de aangeefster, MvW) duwde omdat zij zich bedreigd voelde, dat iii) getuige [getuige] bij de politie heeft verklaard dat de verdachte achter de aangeefster aan liep en haar daarna met beide handen een duw in de rug gaf, waardoor de aangeefster ten val kwam en dat iv) deze getuige bij de rechter-commissaris aan die verklaring heeft toegevoegd dat de aangeefster plat op de voorkant van haar gezicht lag. Het hierop gebaseerde kennelijke oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde duw, waarvoor de verdachte naar aangeefster toe liep, van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat de verdachte daarmee – minst genomen – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeefster daardoor pijn en/of letsel zou worden toegebracht, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
2.8
De
tweede deelklachtbegrijp ik aldus dat daarmee wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verklaring van getuige [getuige] voor het bewijs kan worden gebruikt. De klacht faalt, gelet op het volgende.
2.9
Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het de verklaring van getuige [getuige] – ondanks het feit dat deze getuige heeft verklaard een hekel aan de verdachte te hebben – betrouwbaar acht. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat deze getuige de bij de politie afgelegde verklaring dat de verdachte aangeefster met beide handen een duw in de rug heeft gegeven, waardoor de aangeefster is gevallen, bij de rechtercommissaris heeft herhaald en dat zijn verklaring op belangrijke punten overeenkomt met de verklaring van de aangeefster. Verder heeft het hof overwogen dat de verklaring van de getuige [getuige] consistent, nauwkeurig en gedetailleerd is, waarbij ik begrijp dat dit ziet op de door het hof voor het bewijs gebruikte onderdelen van die verklaring. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verklaring van getuige [getuige] voor het bewijs kan worden gebruikt, is – mede gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijs door de feitenrechter – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
2.1
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Afronding

3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. De Hoge Raad kan volstaan met de enkele constatering van die overschrijding, nu aan de verdachte een taakstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder beloopt dan honderd uren. [2]
3.2
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123.
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2, onderdeel C.