ECLI:NL:PHR:2024:386

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
23/02426
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt oordeel rechtbank over eigendom Mercedes bij conservatoir beslag

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over het conservatoir beslag op een Mercedes GLE63 AMG. De rechtbank oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel vaststond dat de klager eigenaar was van de Mercedes, mede vanwege twijfels over een huurovereenkomst tussen klager en zijn zoon, de feitelijke beslagene.

De Hoge Raad stelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huurovereenkomst en de financiële situatie van de zoon afbreuk zouden doen aan het eigendom van de klager. Het enkel weten dat de zoon onvoldoende legale financiële middelen had om de huur te betalen, maakt de papieren eigendom niet twijfelachtig.

De Hoge Raad benadrukt het toetsingskader bij conservatoir beslag ex art. 94a Sv, waarbij moet worden vastgesteld of buiten redelijke twijfel de derde als eigenaar te goeder trouw moet worden aangemerkt. De rechtbank is niet toegekomen aan een volledig onderzoek naar mogelijke schijnconstructies zoals bedoeld in art. 94a lid 4 en 5 Sv.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het oordeel van de rechtbank ontoereikend gemotiveerd is en dat de zaak moet worden terugverwezen voor hernieuwde beoordeling. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden oordeel over de Mercedes en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt oordeel rechtbank over eigendom Mercedes en wijst zaak terug voor nieuwe beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02426 B
Zitting16 april 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
hierna: de klager
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81 - het beklag van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van een tweetal onder de zoon van de klager in beslag genomen personenauto’s (een Range Rover Evoque met kenteken [kenteken 1] en een Mercedes GLE63 AMG met kenteken [kenteken 2] ) ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat het niet buiten redelijke twijfel staat dat klager eigenaar is van de Mercedes innerlijk tegenstrijdig is, zodat dat oordeel onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Inleiding
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 6 oktober 2020 onder verdachte [klager] gelegde beslag op twee personenauto’s, te weten:
- (…)
- een Mercedes GLE63 AMG met kenteken [kenteken 2]
en de teruggave daarvan aan klager.
Op 6 oktober 2020 is onder [klager] (zoon van klager) strafrechtelijk beslag gelegd op de voertuigen. Vervolgens is op 3 november 2020 in het kader van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek ook conservatoir beslag gelegd op de voertuigen.
(…)
Standpunt klager
In zijn klaagschrift heeft klager in de kern gesteld eigenaar te zijn van de voertuigen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft klager verschillende bijlagen overgelegd. Klager is verder van mening dat, nu de voertuigen niet in eigendom toebehoren aan [klager] , er geen strafvorderlijk belang (meer) bestaat dat zich verzet tegen teruggave van de voertuigen aan klager, noch dat er gronden zijn als genoemd in artikel 94, dan wel artikel 94a Sv die voortduring van het beslag rechtvaardigen.
In aanvulling op het klaagschrift heeft de raadsman ter zitting naar voren gebracht dat blijkens de in de loop van het onderzoek beschikbaar geworden - en later overgelegde - stukken buiten redelijke twijfel staat dat klager eigenaar is van de voertuigen. Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat de omstandigheid dat de strafzaak waarschijnlijk pas na 2024 inhoudelijk zal worden behandeld, ertoe moet leiden dat het juridische toetsingskader ruimhartig moet worden uitgelegd ten behoeve van de rechtsbescherming van klager.
Standpunt Openbaar Ministerie
Overeenkomstig het schriftelijke standpunt heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de voertuigen moet worden aangemerkt.
(…)
Inhoudelijke beoordeling
Op de voornoemde voertuigen rust zowel strafrechtelijk als conservatoir beslag. Het beslag is gelegd onder de zoon van klager, [klager] .
Ter zake van conservatoir beslag ex artikel 94a Sv geldt als criterium voor teruggave aan een derde - zoals klager - of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar te goeder trouw van het voorwerp moet worden aangemerkt. Voorts geldt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt.
(…)
- Mercedes ( [kenteken 2] )
De rechtbank stelt voorop dat uit het feit dat het kenteken - sinds 12 juli 2018 - ten name van klager is gesteld niet meebrengt dat klager als eigenaar dient te worden aangemerkt. Immers, zoals hiervoor reeds opgemerkt, wordt naar het eigenaar zijn van degene die een kenteken aanvraagt geen onderzoek verricht. De rechtbank dient aan de hand van de voorhanden zijnde stukken een oordeel te vormen met betrekking tot de vraag of klager als eigenaar kan worden aangemerkt.
Blijkens het door klager overgelegde factuur d.d. 13 juli 2018 van [A] B.V. bedroeg de koopsom van dit voertuig in totaal € 160.000,-. Daarop is in minder gebracht de inruilwaarde van een Mercedes Benz GLE 450 AMG (kenteken [kenteken 3] ) van € 81.500,-. Het resterende deel, zijnde € 78.500,- is blijkens de door klager overgelegde rekeningafschrift op 9 juli 2018 vanaf zijn bankrekening overgemaakt naar [A] BV.
Met betrekking tot de inruilauto ( [kenteken 3] ) heeft klager stukken overgelegd, te weten een factuur d.d. 30 april 2016 van [A] B.V. en een afschrift van zijn bankrekening waaruit blijkt dat hij ten behoeve van de aanschaf van deze auto een bedrag van € 60.000,- naar [A] B.V. heeft overgemaakt.
Met betrekking tot de Mercedes bevindt zich verder een huurovereenkomst d.d. 1 maart 2020 bij de stukken. Blijkens die overeenkomst zou klager onder andere per 1 april 2020 voor de duur van 60 maanden het voertuig verhuren aan [klager] voor € 1.500,- per maand. Daarnaast diende [klager] € 125,- per maand aan wegenbelasting te betalen. De in de huurovereenkomst genoemde huurbetaling en de betaling ten behoeve van de wegenbelasting door [klager] hebben plaatsgevonden.
De balans opmakend komt de rechtbank tot de tussenconclusie dat op basis van de beschikbare documenten het erop lijkt dat klager eigenaar is van de Mercedes. De rechtbank dient daarom te onderzoeken of, zoals het Openbaar Ministerie stelt, er sprake is van een schijnconstructie.
In dat kader is door het Openbaar Ministerie verwezen naar de financiële positie van [klager] . Uit het proces-verbaal van bevindingen (bijlage 5, standpunt Openbaar Ministerie) volgt dat op basis van onderzoek het onduidelijk is hoe [klager] zijn maandelijkse vaste lasten van € 6.000,- heeft kunnen betalen. Op basis van het maandelijkse inkomen zou dat niet mogelijk zijn.
Ter zitting heeft klager onder meer verklaard dat hij vaker iets voor zijn zoon betaalt, alles voor zijn zoon zou doen en dat zijn zoon hem vaak nodig heeft gehad. Uit de verklaring van klager volgt dat hij nauw betrokken is bij zijn zoon, maar ook dat hij inzicht heeft in zijn financiële situatie. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat klager bekend was met het gegeven dat zijn zoon onvoldoende financiële ruimte had om de - niet geringe - huur van de Mercedes te betalen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank toch twijfels met betrekking tot de huurconstructie ten aanzien van de Mercedes. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt.
Eindconclusie
De rechtbank oordeelt dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager eigenaar is van de voertuigen. Dit betekent dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de overwegingen van de rechtbank tot en met het woord “schijnconstructie” passen in het te dezen toepasselijke toetsingskader, maar de daaropvolgende overwegingen met dit toetsingskader uit de pas lopen. Volgens de steller van het middel zouden deze overwegingen een uitwerking moeten behelzen van het onderzoek naar de vraag of er niettemin sprake is van een schijnconstructie, maar lijkt het er eerder op dat de rechtbank hier op haar schreden (en haar tussenconclusie) terugkeert c.q. terugkomt. Er wordt overwogen dat het - kort gezegd - onduidelijk is hoe de beslagene aan zijn geld komt en dat de klager, die blijkens zijn eigen verklaring ter raadkamerzitting inzicht zou hebben in de financiële situatie van de beslagene (zijn zoon), zal hebben geweten dat de zoon “onvoldoende financiële ruimte” zou hebben gehad om de huur van de Mercedes te kunnen betalen. Dat leidt tot het oordeel dat de rechtbank toch twijfels heeft over de huurconstructie, hetgeen uitmondt in de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt.
3.4
Voor de steller van het middel is het onduidelijk wat de rechtbank hiermee heeft bedoeld te zeggen. Voor zover bedoeld zou zijn dat de rechtbank de stelling omarmt dat de beslagene een onverklaarbare bron van inkomsten heeft (gehad) en zich misschien zelfs aan witwassen heeft schuldig gemaakt, is daarmee de relevantie voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een schijnconstructie in de zin van art. 94a, vierde lid, Sv volgens de steller van het middel nog lang niet gegeven. De rechtbank had die mogelijke relevantie duidelijk moeten maken. Dat laatste geldt ook indien de rechtbank bedoeld heeft dat de mogelijke illegale inkomstenbron van de beslagene en de wetenschap daarvan bij de klager het eigenaarschap van de klager in een ander daglicht stellen. De overweging van de rechtbank dat de zoon onvoldoende financiële ruimte zou hebben gehad om (ook) de huurpenningen te betalen zou in strijd zijn met het uitgangspunt van de verdenking: een illegale inkomstenbron die de vastgestelde maandelijkse uitgaven (€ 6.000,- en huurpenningen € 1.500,-) zouden moeten verklaren. Ook zouden de uitlatingen van de klager in raadkamer de conclusie dat klager inzicht heeft gehad in de financiële situatie van zijn zoon geenszins kunnen wettigen, terwijl evenmin valt in te zien wat daarvan de relevantie is voor de vraag of sprake is van een schijnconstructie als bedoeld in art. 94a, vierde lid, Sv. Moet de bestreden beschikking zo worden gelezen dat de rechtbank uitsluitend heeft overwogen en geconcludeerd dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager de eigenaar is van de Mercedes, dan is volgens de steller van het middel apert sprake van een innerlijk tegenstrijdig oordeel en daarnaast van een ontoereikende motivering, nu opnieuw niet duidelijk is wat de relevantie is van de vaststellingen over de inkomsten van de zoon en de wetenschap daarvan van klager voor de vraag of klager redelijkerwijs als eigenaar kan worden beschouwd. Er is immers vastgesteld dat klager de tenaamgestelde is, dat hij de auto aantoonbaar heeft gefinancierd, dat er een huurovereenkomst ligt met de zoon en die zoon ook daadwerkelijk de huurpenningen aan de klager heeft betaald. Voor het bepalen van het eigenaarschap van de Mercedes zou het mogelijk uit illegale geldstroom gefinancierd zijn van de auto en de wetenschap daarvan bij de klager niet relevant zijn.
3.5
Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a leden 4 of 5 Sv voordoet. (Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144.) [1] Bij de beantwoording van de vraag of buiten redelijke twijfel is dat de klager eigenaar is van een onder een ander inbeslaggenomen voertuig, is niet doorslaggevend of dat voorwerp in het kentekenregister op de naam van de klager is gesteld (vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3452). [2]
3.6
Art. 94a, vierde lid, Sv luidt:
“4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.”
3.7
De rechtbank heeft - gelet op de door de klager overgelegde stukken - de tussenconclusie getrokken dat het erop
lijkt(cursivering: AEH) dat de klager de eigenaar is van de onderhavige Mercedes. Volgens de rechtbank dient gelet daarop te worden onderzocht of, zoals door het Openbaar Ministerie is gesteld [3] , sprake is van een schijnconstructie. Laatstgenoemde bewoordingen lijken erop te duiden dat de rechtbank een onderzoek heeft gedaan naar de vraag of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet, zoals in het onder 3.5 weergegeven toetsingskader is vermeld. Uit eerder genoemd woordje “lijkt” en de overwegingen die volgen op het woord “schijnconstructie” blijkt echter niet van een dergelijk onderzoek. Het onderzoek van de rechtbank spitst zich uitsluitend toe op de betreffende huurovereenkomst en mondt uit in het oordeel dat de rechtbank toch twijfels heeft met betrekking tot de huurconstructie van de Mercedes, hetgeen tot de (eind)conclusie leidt dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt. De rechtbank is zo bezien niet toegekomen aan de vraag of zich de situatie als bedoeld in art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
3.8
De rechtbank heeft enerzijds vastgesteld dat het kenteken van de Mercedes sinds 12 juli 2018 ten name van de klager is gesteld en dat de overgelegde stukken inhouden dat vanaf de bankrekening van de klager op 9 juli 2018 het - na verrekening van de inruilwaarde van de Mercedes Benz GLE 450 EMG (met kenteken [kenteken 3] ) van de klager - resterende deel van de koopprijs van de auto (€ 78.500,) naar de verkoper van de auto ( [A] B.V.) is overmaakt en anderzijds dat de auto onder verdachte [klager] (de zoon van de klager) in beslag is genomen en deze [klager] per 1 april 2020 de auto van de klager huurde voor € 1500,- per maand en de betaling van dit bedrag - plus een bedrag van € 125,- aan wegenbelasting - ook heeft plaatsgevonden. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de klager ermee bekend was dat [klager] over onvoldoende financiële ruimte beschikte om de - niet geringe - huur van de Mercedes te betalen. Wat laatstgenoemde overweging betreft zal de rechtbank het oog hebben gehad op legale financiële middelen. De rechtbank oordeelt op grond van deze vaststellingen dat zij toch twijfels heeft met betrekking tot de huurconstructie van de Mercedes en concludeert dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt.
3.9
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank haar oordeel dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt heeft doen steunen op de twijfel die is gerezen met betrekking tot de huurconstructie ten aanzien van de Mercedes. De omstandigheid dat [klager] volgens de huurovereenkomst als huurder maandelijks € 1750,- aan de klager zou moeten betalen voor de huur van de Mercedes en de te betalen wegenbelasting, terwijl is vastgesteld dat de klager wist dat [klager] onvoldoende (legale) financiële ruimte had om dit bedrag te kunnen betalen, doet volgens de rechtbank twijfel rijzen over de papieren werkelijkheid: de financiering van de auto door de klager en het op zijn naam staan van het kenteken. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Het als eigenaar (op papier) van een auto aangaan van een verhuurconstructie met betrekking tot die auto in de wetenschap dat de huurder onvoldoende (legale) financiële ruimte heeft om de - niet geringe - maandelijkse huur van de auto te betalen, wekt weliswaar bevreemding (en zou zelfs kunnen dienen als constructie voor witwassen), maar doet op zichzelf geen afbreuk aan genoemde papieren werkelijkheid. Overigens merk ik op dat feitelijke vaststellingen over het gebruik van de auto door [klager] ontbreken. Het oordeel dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt is ontoereikend gemotiveerd. [4]
3.1
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover de ongegrondverklaring van het beklag betrekking heeft op de Mercedes GLE63 AMG met kenteken [kenteken 2] , en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde in zoverre opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie bijv. HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:727.
2.HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1572.
3.Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt onder meer in: “De constructie zoals deze op papier zichtbaar is, wijkt af van wat er in de praktijk aan de hand is. De contante uitgaven waren een stuk hoger dan dat legaal verklaard kan worden. Het legale vermogen van verdachte is ontoereikend om beide auto’s te kunnen bekostigen en in de woning te kunnen wonen. Er is een verdachte die geen verklaring en geen inzicht geeft in zijn financiële positie. Verdachte heeft zich telkens beroepen op zijn zwijgrecht en hij heeft de beschikking over een dure woning en dure auto’s. Er is sprake van een schijnconstructie.”
4.Vgl. HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:313.