Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
lijkt(cursivering: AEH) dat de klager de eigenaar is van de onderhavige Mercedes. Volgens de rechtbank dient gelet daarop te worden onderzocht of, zoals door het Openbaar Ministerie is gesteld [3] , sprake is van een schijnconstructie. Laatstgenoemde bewoordingen lijken erop te duiden dat de rechtbank een onderzoek heeft gedaan naar de vraag of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet, zoals in het onder 3.5 weergegeven toetsingskader is vermeld. Uit eerder genoemd woordje “lijkt” en de overwegingen die volgen op het woord “schijnconstructie” blijkt echter niet van een dergelijk onderzoek. Het onderzoek van de rechtbank spitst zich uitsluitend toe op de betreffende huurovereenkomst en mondt uit in het oordeel dat de rechtbank toch twijfels heeft met betrekking tot de huurconstructie van de Mercedes, hetgeen tot de (eind)conclusie leidt dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt. De rechtbank is zo bezien niet toegekomen aan de vraag of zich de situatie als bedoeld in art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.